Picasso pikt prachtig

Links: ¿Ne couché jouant avec un chat¿ van Picasso, geïnspireerd op het beeld rechts: ¿Odalisque en grisaille¿ van Ingres. Onder: ¿Le Matador¿ van Picasso naar Manet. (Trouw)

Wat gebeurt er als je het namaak van een genie hangt naast het origineel van zijn grote voorbeelden? Dan krijg je spektakel.

Pablo Picasso (1881-1973) is hét schoolvoorbeeld van de geniale kunstenaar: een onuitputtelijke werklust, een woelig liefdesleven en een mythische jeugd (mede gevoed door de verhalen van de kunstenaar zelf) en uiteraard zijn vernieuwende kunst. In tegenstelling tot sommige andere mythische kunstenaars is Picasso niet miskend of berooid gestorven; tijdens zijn leven was ’een Picasso’ al onbetaalbaar. De meester stelde zijn roem na zijn dood zeker door zijn kunstverzameling, samen met een deel van zijn werk, onder te brengen in het Musée Picasso in Parijs en het Museo Picasso in Barcelona.

Dat Picasso nog steeds tot de grootste kunstenaars van de twintigste eeuw wordt gerekend, blijkt uit de omvang van de tentoonstelling die tot februari 2009 in de drie grootste staatsmusea van Parijs is te zien: 210 meesterwerken in bruikleen vanuit de hele wereld, waarvan zeventig van de voorbeelden van Picasso, zoals zelden uitgeleende werken van Goya, Rembrandt en Vélasquez. De kosten: 4,6 miljoen euro, beschermheer van de tentoonstelling is president Sarkozy.

Het grootste deel van de tentoonstelling is te zien in het Grand Palais, dat om de grote bezoekersstroom op te vangen zeer ruime openingstijden hanteert; het Louvre biedt ruimte aan de vergelijking met de ’Femmes d’Alger’ van Delacroix, het Musée d’Orsay toont de vergelijking van Picasso met Manet’s ’Déjeuner sur l’herbe’.

Picasso heeft de invloed van andere kunstenaars op zijn werk nooit ontkend, integendeel: het werk van anderen was een van zijn grootste inspiratiebronnen. Niet alleen als beginnende kunstenaar kopieerde hij zoals gebruikelijk de klassieken, tot op hoge leeftijd sloot hij zich af en toe op met als doel een meesterwerk volledig te onderzoeken met zijn schilderkunst. Het was een dialoog tussen giganten, vaak een worsteling, met winnaars en verliezers, zo laat de tentoonstelling zien.

Dat schilderijen naast elkaar hangen kan immers heel spannend zijn, vooral wanneer het beide goede werken zijn. Denk aan de tentoonstelling ’Rembrandt Caravaggio’, in 2006 in het Van Gogh Museum. Kunst is zelden een kwestie van winnen of verliezen, maar Picasso zag dat anders. De tentoonstelling is een lange reis kriskras door de kunstgeschiedenis, met veel artistiek geweld, al wint Picasso lang niet altijd.

In de eerste zalen van de tentoonstelling in het Grand Palais zie je hoe kundig de jonge Picasso op de kunstacademie in Spanje kopieën naar gipsen beelden maakte. In 1901 weet hij waarmee hij zich wil meten: hij maakt het zelfportret ’Yo Picasso’; ik, Picasso, de schilder, met palet in de hand. Een portret zoals ook El Greco, Poussin, Delacroix, Ingres, Cézanne, Gauguin en Van Gogh ooit maakten. Rembrandt en Goya zijn ook aanwezig op de tentoonstelling. Dát zijn de kunstenaars die Picasso bewondert en die hij zijn hele leven blijft volgen. Eerst nog aarzelend, zoekend naar een eigen vorm, later uitdagend, spottend zelfs.

Vanaf de jaren vijftig richt Picasso zich direct op klassieke meesterwerken. Tussen 17 augustus en 30 december 1957 sluit hij zich op in zijn atelier in Cannes – de schilder dateert zijn kopieën en karikaturen tot op de dag nauwkeurig – om ’Las Meninas’ van Vélasquez te overmeesteren. Het pronkstuk van het Prado kon de thuisbasis helaas niet verlaten, maar een diaprojectie van het doek geeft de bezoeker toch een houvast bij de vergelijking.

De verzameling schetsen, schilderijen en etsen van Picasso op de tentoonstelling is bijna angstaanjagend. Steeds weer opnieuw neemt hij het beeld van de keizerlijke prinsesjes over, de ouders op de achtergrond en steeds krijgen de personages groteskere vormen. Het zelfportret van de schilder, in het origineel van Vélasquez ook bescheiden aanwezig, groeit in Picasso’s versie uit tot een reus die met kop en schouders boven alles uitsteekt, de brave herdershond verandert in een kolderieke poedel, maar het blijft een kopie van een meesterwerk.

Een andere veldslag, met de Sabijnse maagdenroof van Poussin (1637) gaat Picasso beter af; in deze serie uit 1962/1963 komen de figuren los van het voorbeeld. De gruwelijkheden van de oorlog, zoals hij eerder na de Spaanse Burgeroorlog in Guernica had laten zien, worden opnieuw tijdloos door de uitbeelding van de kluwen van vrouwen en kinderen, verpletterd onder het geweld van paarden en soldaten.

Opmerkelijk is het onderdeel tarots, een serie schilderijen die Picasso maakte aan het eind van zijn leven na het zien van werken van Vélasquez, Manet en Rembrandt: statieportretten van dwergen en musketiers, hoed met veren op het hoofd en een dolk in de hand, een clowneske uitdrukking in het gezicht. Het zijn opnieuw zelfportretten, maar ditmaal met een andere betekenis: Picasso zag zichzelf als nar, de schilder die met iedereen de draak kon steken en tegelijkertijd de waarheid sprak.

Naast een uitgebreid overzicht van het werk en de voorbeelden van Picasso, biedt deze tentoonstelling ook de mogelijkheid om werken te zien die zelden zo dichtbij komen. Zo is de vergelijking tussen de kubistische studie ’Homme à la guitarre’ van Picasso uit 1911 en het schilderij van de heilige Franciscus in zijn tombe (1630) van de Spaanse schilder Francesco de Zurbarán misschien niet optimaal, het is wel een mooie kans het schilderij van Zurbarán te zien voordat het naar het Milwaukee Art Museum terugkeert.

Hetzelfde geldt voor de verzameling in de laatste zaal van het Grand Palais: daar zijn de ’Naakte Maja’ van Goya, de ’Venus van Urbino’ van Titiaan, de ’Odalisque en grisaille’ van Ingres en de ’Olympia’ van Manet een paar maanden met elkaar verenigd; liggende naakten die stuk voor stuk iconen zijn uit de kunstgeschiedenis. Ook hier wilde Picasso zich mee meten, vanaf 1964 tot aan zijn dood schildert hij een lange serie liggende naakten – niet zozeer vanwege het naakt, maar vooral vanwege het schilderen zelf.

De platheid, die Manets Olympia al in de negentiende eeuw verweten werd, maakte Picasso tot zijn domein. Nooit laat hij zich definitief vangen in een bepaalde stroming of theorie. Alle categorieën uit de schilderkunst, zoals portret, landschap, historiekunst en stilleven, passeren bij Picasso de revue, maar zonder werkelijk de diepte in te gaan: het schilderen, tekenen, beeldhouwen zelf, dát was zijn uiteindelijke onderwerp. En daarmee werd hij zelf de icoon van de moderne kunst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden