Picasso, Cézanne en hun liefde voor de berg

Een door Picasso gesigneerde foto waarop hij een werk van Cézanne bekijkt. (Trouw) Beeld
Een door Picasso gesigneerde foto waarop hij een werk van Cézanne bekijkt. (Trouw)

’Mon père’ noemde Picasso zijn voorganger Cézanne. Wie dit jaar Zuid-Frankrijk bezoekt, kan van dichtbij zien hoe de levens en de werken van beide schilders elkaar raakten.

Christine Baart

Het mediterrane zuiden van Frankrijk staat deze zomer in het teken van Paul Cézanne (1839-1906) en Pablo Picasso (1881-1973). Voor vakantiegangers die daar toch naar toe gaan, is het een uitgelezen moment om meer te weten te komen over het leven en werk van deze beroemde kunstenaars.

In de Provence is een hele route te volgen, vanaf Aix-en-Provence tot Arles en Antibes. Je kunt er ronddwalen in ateliers en landhuizen en slapen in hotelkamers waar de kunstenaars hun sporen hebben nagelaten.

Aix-en-Provence is bijna volledig opgetrokken uit Bibemus-kalksteen, dat de stad zijn goudgele kleur geeft. Hier groeide Cézanne op. De schilder wist met zijn stillevens het perspectief op zijn kop te zetten door de appels haast van het doek te laten rollen. Hij volgde in deze stad zijn opleiding, in het gebouw waar nu het Musée Granet is gevestigd en waar deze zomer zijn schilderijen gebroederlijk naast die van Picasso hangen. ’Mon père’ noemde Picasso zijn voorganger Cézanne respectvol, niet voor niets, want hier is goed te zien wat diens invloed is geweest op de Spaanse schilder.

On ne fait pas de la lumière, on la reproduit’. Ofwel: je kunt de zon niet namaken op papier of doek, maar zult haar op een andere manier moeten voorstellen, met kleur. Met deze uitspraak maakte Cézanne duidelijk waar het hem vooral om ging: dat er andere, nieuwe mogelijkheden moesten zijn om de driedimensionale werkelijkheid op een plat vlak weer te geven.

Zijn geworstel met die werkelijkheid is hier in deze omgeving goed te volgen.

Rondom het museum en in de binnenstad kun je met een folder in de hand een Cézanne-route lopen. Maar eigenlijk moet je buiten de stadsmuren zijn om te kunnen zien wat de schilder zag. Ga eerst nog langs het gemeentehuis waar je vanaf de binnenplaats de veelgeroemde helblauwe transparante lucht, schoon geblazen door de mistral, kunt ervaren. Volgens Cézanne de beste plek door het contrast met het gele kalksteen.

Vervolgens naar de Bibemus-groeve, een paar kilometer buiten de stad, vanwaar Cézanne de berg Saint-Victoire meer dan tachtig keer schilderde en tekende. Alleen al de omgeving met de ruige kalksteenrotsen, diepgroene cederbomen en het licht zijn direct in het museum terug te vinden. Waarom zou je één en hetzelfde onderwerp zoveel keer op het witte doek zetten? Waarschijnlijk was de berg meer een aanleiding en houvast voor Cézanne om zijn interpretaties van open volumes en perspectief in harmonie te krijgen.

Als het weer slechter was, werkte Cézanne aan zijn vermaarde stillevens in zijn atelier aan de nu naar hem genoemde Avenu. Alles, op opmerkelijk genoeg zijn kwasten en verf na, staat er nog. Een oude verschoten jas hangt in de hoek en op een plank staan alle herkenbare flessen, aardewerk en schedels. Een schaal met verdroogde appels op een oude houten tafel en een witte doek maken het alsof je in zijn schilderijen staat. Naast een gigantisch raam op het noorden zit een opmerkelijk smal luik van ongeveer 5 meter hoog en een halve meter breed. Daardoor konden de enorme doeken die niet door de deur pasten naar buiten. Op twee schilderskisten zie je nog de sporen klodders blauwe en groene verf.

Door dat hemelsblauw en cedergroen rij je vervolgens in ongeveer een kwartier naar die andere werkplaats: ’Vauvenargues’. Het kasteel ligt letterlijk aan de voet van de Saint-Victoire. Vanuit dit atelier is de berg nooit geschilderd, maar de grijze kleuren en het speciale groen zijn terug te vinden in Cézannes werk.

Wandelend door het kleine gehucht ernaast, ervaar je dat het hier stil en afgelegen is, een plek om je te kunnen concentreren. Dat was voor Picasso, die in 1959 al wereldberoemd was en een toeristenattractie geworden in Cannes, de reden om dit kasteel te kopen van Cézanne. Terug naar zijn geliefde Spanje kon hij niet, nu generaal Franco daar de macht had. In de Provence vond hij de kleuren, het landschap en de zon die hem het meeste aan zijn vaderland deden denken. Lang heeft hij er niet gewoond, want toen hij gezondheidsproblemen kreeg was deze plek toch te afgelegen. Ook gaat het verhaal dat Jacqueline het kasteel te somber vond.

Het echte temperament en de inspiratie van de Spaanse schilder zijn in Arles te vinden. Hier kwam hij voor het stierenvechten. Nog steeds hangen er ieder jaar posters met namen als Eros, Tommy en Ceres op de Romeinse arena. In juli en september laten beroemde stieren hier met hun vechtballet zien wie de beste is.

Het was vooral de beweging die Picasso fascineerde en waarvoor hij zich ieder jaar in een grote Cadillac naar hotel Du Forum liet rijden. Dit staat recht tegenover het café dat ooit model stond voor het ’Caféterras bij nacht’ van Van Gogh. Nog steeds kan hier geslapen worden. Kamer twee was Picasso’s vaste stek, het bed is vervangen maar de badkamer is nog intact.

De huidige hoteleigenaar monsieur Oggier, die als kleine jongen Picasso nog heeft meegemaakt, weet te vertellen dat hij gul en toegankelijk was. Hij voelde zich thuis, omdat hij hier kon feesten en Spaans spreken. Als bewijs heeft Oggier een foto uit 1964 waarop Picasso en Jacqueline zich samen met een gitaar spelende onbekende man in de lobby vermaakten. Na afloop was er altijd een gulle fooi met een persoonlijke tekening voor het personeel.

Arles was ook belangrijk voor Picasso, omdat hij met eigen ogen wilde zien wat Van Gogh hier zag, niet in de laatste plaats de befaamde schoonheid van de vrouwen van Arles. Die schoonheid komt door hun mix van Spaans en Frans bloed en vooral ook door het traditionele kostuum dat deze vrouwen een statig postuur geeft. In het Museum Arlatan, waar een hele portrettengalerij hangt met bekende vrouwen uit Arles, is dat goed te zien doordat de suppoosten het kostuum nog dragen. De hoekige schouders, het strakke lijfje en lange rokken geven een zelfbewuste houding. De linten in het haar en de opvallende schouders zijn te herkennen in de portretten van onder meer Lee Miller en Jacqueline, die Picasso maakte in zijn serie Vrouwen van Arles. Eén van die portretten hangt in het Reattu museum, waar ook zijn moeder en nog 57 tekeningen (door Picasso zelf geschonken) te bewonderen zijn.

Hier in het zuiden van Frankrijk zijn misschien niet de topwerken van beide kunstenaars te bewonderen, maar door aanwezig te zijn op de plekken waar ook hun voetstappen een afdruk hebben nagelaten, komen de beroemde werken in de grote musea elders in de wereld wel dichterbij.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden