Pianist Reinier van Houdt stort zich op ambitieuze pianomuziek.

’Heb je componist Charles Ives weleens piano horen spelen?’, vraagt pianist Reinier van Houdt, terwijl hij een lp op een oude pick-up legt. „Ives vond het eigenlijk niet leuk om zijn stukken vast te leggen in partituren. Het is heel raar om dat van zo’n componist te horen, vind je niet? Hij improviseerde veel liever. Alsof hij in zijn muziek iedere keer nieuwe mogelijkheden wilde laten zien, als in een caleidoscoop.”

Intussen schalt Ives door Van Houdts huiskamer: dikke akkoorden, melodieën in lagen over elkaar. Alsof je twee pianisten tegelijk hoort. Blijkbaar is dat nog niet genoeg, want de componist zingt er hier en daar nog een extra deuntje bovenop.

Misschien is dat wel de grootste overeenkomst tussen de twee grote werken die Van Houdt woensdag in Lantaren/Venster op het programma heeft staan. Zowel in de ’Concord Sonata’ van Charles Ives uit 1911 als in het dit jaar voltooide ’Inner Cities 12’ van Alvin Curran wordt gesampled, gezapt, geplakt en geknipt dat het een aard heeft. Maar dan met een gewone piano. Niks geen computers.

De ’Concord Sonata’ is niet alleen het meest complexe en dissonante werk dat Charles Ives (1874-1954) ooit maakte, het is met zijn 45 minuten ook een van de meest ambitieuze pianostukken aller tijden. De titel verwijst naar de door Ives bewonderde ’transcendentalisten’, denkers en schrijvers van een Amerikaanse filosofische stroming. De verschillende delen van de ’Concord Sonata’ dragen de namen van Ives’ Concord-helden, die ook een eigen stem in de muziek hebben.

De oren van de luisteraar worden zo omsponnen door een veellagige cocon, waarin citaten van Beethoven, Wagner en Debussy hand in hand gaan met verwijzingen naar Ives eigen werken, traditionals en Amerikaanse populaire muziek uit het eerste kwart van de twintigste eeuw.

Van Houdt: „Zowel Ives als Curran zijn niet zozeer scheppers als wel verzamelaars. Ze plukken deuntjes uit de lucht en brengen verschillende soorten muziek samen; ze monteren die als gevonden voorwerpen in hun composities. Ives is de eerste die daarmee begon, maar Curran gaat nog verder doordat hij het materiaal tot onderwerp maakt. Hij spitst zich soms toe op een paar noten uit een citaat, die hij eindeloos herschikt. Hij dringt zó diep door in kleine motiefjes, dat daar een heel nieuwe muziek uit ontstaat. Het klinkt alsof Curran zelf achter de piano die combinatie van noten zit te bestuderen en al improviserend zit te herschikken.”

Dat luisterend en improviserend componeren leerde Curran (1938) van Giacinto Scelsi. In zijn grote pianocylcus ’Inner Cities’, die hij begon in 1991, verheft Curran het luisteren zelf tot kunst. Hij gooit oude vormen en structuren weg en omarmt álle geluiden die hij om zich heen hoort. „Currans muziek kent net zoals die van Ives abrupte overgangen”, zegt Van Houdt. „Dan komt er ineens muziek voorbijdrijven die geen bal met het voorafgaande te maken heeft. Het verband tussen al die fragmenten wordt uiteindelijk door de luisteraar gemaakt. Dat is het mooie: je hoort twee dingen die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. En toch ontstaat er al horend een verband. Curran vertrouwt helemaal op dat moment.”

De ’innerlijke stad’ die Curran componeert, is bepaald geen provincieplaats. Maar ook geen ’drive-by-ervaring’, zoals hij op zijn eigen website schrijft in een tekst die net zo vol is als zijn muziek. ’Inner Cities’ gaat volgens Curran over de braakliggende terreinen, over de achterafsteegjes en over de herinnering aan van alles en nog wat. Bijvoorbeeld aan de modernistische ’Night Fantasies’ van Elliott Carter (de belangrijkste oud-docent van Curran), waarvan Curran de eerste maten letterlijk in zijn eigen partituur kopieerde. Om er vervolgens, improviserend als zijn andere leraar Scelsi, een eigen draai aan te geven en uit te komen bij een Iers liedje.

„Curran was een leerling van Carter, die op zijn beurt een protégé van Ives was. Het is interessant dat Carter later zo neerbuigend over het werk van Ives praatte – hij noemde het flodderig componeren. Carter wilde in zijn eigen muziek per se nooit citeren, maar Curran dringt zo diep door in het stuk van Carter dat hij er een liedje in ontdekt. Dat klinkt de ene keer als Schubert, de andere keer als jazz. En plotseling komt er dan weer een half-geïmproviseerde solo doorheen. Het lijkt allemaal willekeur bij Curran, maar als je beter kijkt zie je dat het afgewogen beslissingen zijn. ’Inner Cities’ is beslist geen kermismuziek, maar bloedserieus.”

Voor de pianist die ’Inner Cities’ wil spelen, ligt de uitdaging vooral in het spontaan laten klinken van het werk: bladzijdenlang een C-grootakkoord spelen en het tóch laten klinken alsof het ter plekke ontstaat. Terwijl Ives volgens Van Houdt vooral technisch een enorme uitdaging is. „In zijn schetsen schrijft Ives er soms partijen voor andere instrumenten bij. Je moet al die partijen zien te ontwarren, die polyfonie van verschillende muzieken. Die probeer ik allemaal een andere kleur te geven. Daarvoor gebruik ik er een synthesizer naast, want dat kun je op de piano niet laten horen. Zo hoor je dat Ives de ’Concord Sonata’ min of meer heeft bedacht als orkeststuk. Ik ben het een beetje gaan instrumenteren als een symfonie.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden