Pianist Leif Ove Andsnes stuurt de mensen het liefst met een eenvoudige toegift naar huis.

Tweeduizend mensen klappen voor één man, die staat te buigen bij de piano. Hij heeft zojuist het laatste stuk van het programma gespeeld. Het concert is voorbij, we moeten naar huis.

Maar we gaan nog niet naar huis, nog lang niet. Want we willen meer. We klappen niet uit dankbaarheid voor het spel van de pianist, we klappen om hem nog een stukje muziek te ontfutselen. En als de pianist na drie keer de trap op- en aflopen, buigen en bloemen in ontvangst nemen aan de vleugel gaat zitten, is de zaal in één seconde muisstil. Tevredenheid zoemt door de zaal. We krijgen een toegift!

Toegiften zijn een vreemd onderdeel van de concertpraktijk. Ze staan niet op het programma, toch rekent het publiek erop. En tegenwoordig niet op één, maar op meerdere toegiften. Een bezoeker van een Blüf-concert noteerde op een weblog dat haar schoonzus zich bekocht voelde, omdat de popgroep maar twee toegiften – ieder bestaande uit drie liedjes – speelde. Normaal deden ze er drie.

Ook bij klassieke concerten kan het aantal toegiften aardig oplopen, met als Nederlands record de elf toegiften die pianist Daniel Barenboim het publiek in het Amsterdamse Concertgebouw in 2002 voorschotelde.

Toch zijn toegiften in de klassieke wereld niet altijd standaard bij de prijs inbegrepen. Een orkest speelt bijna nooit toegiften. De echte toegiftencultuur heerst alleen bij de solisten. En dan met name bij de pianisten, die als enigen helemaal alleen op het podium staan. Als zij geen toegift geven, is er iets aan de hand.

Soms geven zij er zelfs meer dan de zaal aan kan. Shura Cherkassky gaf zijn laatste concert in het Amsterdamse Concertgebouw op hoogbejaarde leeftijd. Iedereen wist dat het zijn laatste optreden in deze zaal zou zijn. Hij ook. Hij rekte het afscheid met zeven toegiften. De zaal was op het laatst halfleeg.

Spelen voor een halflege zaal is de grote nachtmerrie van de pianist Leif Ove Andsnes. De Noor, die tot de allerbesten van de wereld wordt gerekend, bracht onlangs een cd met toegiften uit, ’Horizons’ getiteld. De grootste misser die je als pianist kunt maken, is te lang doorgaan, vindt hij.

De toegiftencultuur is afkomstig van de 19de-eeuwse pianist Franz Liszt, de uitvinder van het pianorecital. Hij was de eerste die uit zijn hoofd speelde en de eerste die met zijn virtuositeit en zijn improvisaties de show stal en dames liet flauwvallen. Andsnes: „Met hem begon het idee dat een recital een gladiatorengevecht is, met de pianist in gevecht met de piano. Mensen vinden het geweldig als de pianist daar als overwinnaar uitkomt. Persoonlijk sta ik wat ambivalent tegenover het pianorecitalpubliek. Het zijn de best geconcentreerde luisteraars. Maar ze zijn altijd uit op een sensatie: ze komen voor de snelste, hardste, extreemste uitvoering. Daar zit een smakeloze kant aan. Voor hen is een recital een event. De toegift is dan een bonus aan het einde van de show.”

In vroeger tijden waren de toegiften al net zo indrukwekkend als het programma. Andsnes: „Van Liszt is bekend dat hij gerust het langste deel uit een Beethovensonate als toegift herhaalde, als hij er niet helemaal tevreden over was geweest. Van Arthur Schnabel gaat het verhaal dat hij wel eens na een Beethovenrecital, de hele Diabelli-variaties als toegift gaf.”

Vroeger als tiener koos Andsnes soms ook een lang stuk als toegift, bijvoorbeeld omdat hij het net had ingestudeerd. Een hele Mephistowals van Liszt bijvoorbeeld of ’L’Isle Joyeuse’ van Debussy. Lekker virtuoos en indrukwekkend. Dat is nu niet de stijl meer van de bescheiden Noor. Hij wil zijn publiek aan het eind van de avond niet overweldigen met langdurige krachtpatserij.

Het liefst stuurt Andsnes de mensen naar huis met een eenvoudig stukje, iets dat de geest bevrijdt na de meestal complexe muziek van het officiële programma. Soms iets exotisch, wat voor een verrassing zorgt, maar meestal iets simpels en huiselijks, dat voor rust en vrede in de hoofden zorgt.

De toegiften op zijn cd zijn korte, vaak wat frivole stukken waarmee gemakkelijk succes te halen is. Dat populaire is een beetje in tegenspraak met zijn imago, dat vooral is gebaseerd op zijn onopgesmukte, eerlijke spel. Daar is Andsnes het echter niet mee eens. „Voor een toegift heb je korte stukken nodig, die toch voldoende indruk kunnen maken. Je kunt niet een willekeurig kort stukje uit een suite of sonate plukken, het moet op zichzelf interessant genoeg zijn. Dan kom je vaak uit bij populaire stukken als ’Liebestraum’ van Franz Liszt of ’Clair de Lune’ van Claude Debussy. We kijken daar vaak op neer, omdat dat makkelijke stukken zijn voor het publiek, maar ze zijn eigenlijk juist heel bijzonder.”

Andsnes heeft altijd een paar toegiften ingestudeerd. „Ik plan mijn toegiften, al hou ik er niet van om de toegiften al voor honderd procent dichtgetimmerd te hebben. Veel hangt van de atmosfeer in de zaal af. En natuurlijk van het laatste stuk van het programma. Je moet zorgen dat de toegift de sfeer van het vorige stuk niet kapotmaakt. Geen virtuoze Liszt gaan spelen na een hele avond Mozart of Schubert. Als tweede toegift kan dat weer wel. Dan kun je juist met iets heel anders komen.”

Niet te lange, niet te virtuoze, niet te veel toegiften: dat is het uitgangspunt voor de pianist. Tegenover hem staat die dwingende zaal die hem meer en meer wil ontfutselen. Wanneer verdient een zaal een toegift?

Andsnes lacht. „Als een zaal applaudiseert natuurlijk. Nou ja, er is nog iets meer voor nodig. De vleugel moet zo goed zijn dat ik er lekker op speel, ik moet er zelf een goed gevoel bij hebben, maar bovenal moet de atmosfeer in de zaal goed voelen. Soms voel je na een concert dat de atmosfeer in de zaal verzadigd is. Dan moet je stoppen, al had je een toegift gepland. Dat is wel eens een teleurstelling, ja.”

Het hangt ook sterk van het land af, weet Andsnes. „Duitsers klappen lang maar beschaafd. In de Verenigde Staten is het applaus enthousiast maar kort. In Nederland gaan de mensen altijd staan.” In het Concertgebouw komt hij graag, al vindt hij de 33 treden tellende trap een ramp. „Altijd die vraag tijdens het applaus: ga ik helemaal terug tot bovenaan of tot halverwege? Hoe vaak op en neer rennen voor een toegift gepast is? Het beste is er niet bij na te denken.”

Mensen in de zaal hebben wel eens de indruk dat een pianist tijdens de toegift vrijer speelt. Dat klopt, zegt Andsnes. „Het gebeurt wel dat ik de hele avond niet in de juiste stemming raak. Soms is het programma gewoon niet passend bij hoe ik me voel. Maar als ik dan aan een toegift begin, kan het opeens omslaan. Het is waar dat je vrijer kunt spelen als het verplichte programma voorbij is. Daar staat tegenover dat je na een recital moe bent. Daarom kan de toegift ook tegenvallen.”

De toegift is ook het moment waarop de pianist zich in woorden tot de zaal kan wenden om een toelichting te geven. Andsnes: „Fascinerend hoe dat de mensen in de zaal oplucht. Veel mensen hebben moeite met de rituelen rond een pianorecital en de complete stilte van de zaal. Als je gaat praten en een vertrouwelijke sfeer oproept, voelen ze zich meteen beter. Ze mogen even lachen en het blijkt dat de pianist toch een gewoon mens is. Daar voel ik me ook beter bij.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden