Pianississississimo!

De stilte in noten vangen. Verschillende componisten hebben het geprobeerd. Puccini gaf een klank aan de stille hoop van Madama Butterfly.

Stilte in muziek. Dat is een enorme paradox. Muziek bestaat juist bij de gratie van het klinkende, van geluid. En geluid is van nature hoorbaar, verstoort de stilte. Toch is er door de eeuwen heen geprobeerd om stilte in noten te vangen, geprobeerd om die tegenstelling tussen klank en non-klank uit te buiten.

We hoeven maar te denken aan de grote rustmomenten in de symfonieën van Anton Bruckner. De Oostenrijkse meester genoot ervan om in zijn partituren enorme orkestrale climaxen te genereren, om die vervolgens op hun hoogtepunt te laten culmineren - of liever: te laten verdampen - in een pauze. Een generale rust van enkele tellen, waarin de eraan voorafgaande eruptie van klank als het ware nagalmt, nagonst. Zo'n gewilde stilte kan in goede uitvoeringen de opgebouwde spanning optimaal vasthouden, kan het verklonken geluid tegen de stilte afzetten met wonderbaarlijke effecten. De stilte wordt hier tot geluid, omdat het oor als het ware wil dat het geluid doorstroomt.

Joseph Haydn was ook al zo gewiekst in het gebruik van de rust, van die enkele tellen in een maat waarin de luisteraar zich op het verkeerde been gezet voelt, en de musici zich hergroeperen voor een nieuwe klankaanval. Laten de stiltes van Bruckner je bijna altijd naar adem happen, bij Haydn toveren ze steevast een glimlach op het gezicht. De ene stilte is ontzagwekkend, de andere ontwapenend.

Er is er één die de uiterste consequentie uit stilte trok. Het was Amerikaanse avantgardist John Cage die in 1952 zijn driedelige compositie '4'33' ('Four minutes and thirty-three seconds') publiceerde, een compositie voor ieder denkbaar instrument of combinaties van instrumenten, volledig bestaand uit stilte. De uitvoerders zitten gedurende de tijdspanne van het stuk stil, doen niets, waardoor alleen de omgevingsgeluiden te horen zijn. Cage was overigens niet de eerste - Erwin Schulhoff schreef in 1919 met 'In futurum' al een volledig uit ingewikkelde reeksen rusten bestaand werk - maar Cage's 'compositie' verwierf wereldfaam.

Decennia na Cage kwam een groep componisten op, die niet zozeer naar stilte, als wel naar verstilling op zoek was. De spiritueel-muzikale stroming, met componisten als Arvo Pärt, Gija Kantsjeli, Henryk Górecki en Petteris Vasks als bekende boegbeelden, ontstond geografisch tussen Polen en de voormalige Sovjet-republieken met de Baltische staten als stralend middelpunt. Geloof en spiritualiteit spelen in deze muziek een hoofdrol, en componisten vonden inspiratie in muziek van de renaissance-componisten uit de Zuidelijke Nederlanden, of gingen nog verder terug in de tijd. De titel 'Tabula rasa', een van Pärts invloedrijkste composities uit 1977, is veelbetekenend. Het tweede deel van dit stuk heet zelfs 'Silentium'; de muziek wordt steeds hoger, langzamer en ijler tot die aan het slot als het ware in stilte oplost.

Het mag geen verwondering wekken dat componisten die deze stroming aanhangen geen opera's hebben gecomponeerd. In die kunstvorm gaat het immers vaak om zwaar aangezette muziek, muziek met uitroeptekens die de dramatische handeling moet onderstrepen.

Zo is in de opera's van Rossini de roep om stilte bijna altijd het teken om met zijn allen eens lekker uitzonderlijk veel lawaai te ontketenen. Het waarschuwende en gebiedend gezongen 'Zitto, zitto!' ('Stil, stil!') mondt bij hem onveranderlijk uit in geraaskal van de hoogste orde. Dat is de vervolmaker van het orkestrale crescendo - die heerlijke gang van onhoorbaar gelispel op de snaren naar oorverdovend kabaal - wel toevertrouwd.

In Mozarts 'Die Zauberflöte' wordt heel vaak aan stilte gerefereerd. Een van de proeven die Tamino en Papageno in de wijsheidstempel van Sarastro moeten ondergaan is immers een stilteproef. Ze mogen met niemand praten, iets wat Tamino beter af gaat dan Papageno. Eerder al heeft Papageno van de drie hofdames van de Koningin van de Nacht een slot op zijn mond gekregen, omdat hij gelogen heeft. Mozart laat hem daarna in een kwintet 'meezingen', maar veel verder dan het gemompel - 'Hm, hm, hm, hm' - komt de arme drommel niet. Met gesloten mond zingen, je niet kunnen uiten, is natuurlijk een regelrechte ramp voor een zanger.

En toch is er wat dat betreft nog een heel beroemd voorbeeld in de muziekgeschiedenis. Daarin zingt zowaar een heel koor met gesloten mond, terwijl ze onzichtbaar in de coulissen staan.

Het is het zogeheten 'zoemkoor' uit de opera 'Madama Butterfly' van Giacomo Puccini. Dit koor zouden we kunnen betitelen als de ultieme verklanking van stilte. De stilte van de nacht, de stilte van het verlangen. Eigenlijk is Puccini's compositie een uitgewerkte vorm, tot in extremis gestileerd, van de door John Cage opgevoerde omgevingsstilte in zijn hierboven genoemde '4'33'.

We maken even een omweg naar dat zoemkoor toe.

Puccini had al eerder, in zijn kaskraker 'La bohème', gezocht naar stilte. Aan het begin van de derde akte zijn we bij de buitenmuren van de stad Parijs. Hartje winter, heel vroeg in de ochtend, verklankt Puccini de ijzige kou en neerdwarrelende sneeuw. Is er iets stillers dan dat? Hij krijgt dat voor elkaar met simpele middelen die uiterst effectief zijn: een fluit, een harp, een tikje op de triangel, een lange hoge noot op de piccolo, alles boven het tremolo van de celli. Puccini schrijft voor dat alles nauwelijks hoorbaar gespeeld moet worden - vier p's, wat zoveel wil zeggen als pianississississimo!

Anton Koolhaas schreef ooit een prachtig boek dat hij de titel 'De geluiden van de eerste dag' meegaf. Hoofdpersoon Mirabelle hoort daarin de geluiden van de ongerepte natuur, de geluiden van stilte, zoals ze dat zelf noemt. Geluiden die haar verlangen naar evenwicht stillen, maar ook geluiden die zo teer zijn dat ze je niet tegen het lot, het onheil, de verstoring van het evenwicht kunnen beschermen. Het worden daardoor geluiden van de dood, geluiden van de laatste dag.

Iets vergelijkbaars overkomt Cio Cio San, de Japanse geisha in Puccini's 'Madama Butterfly'. Ze is het slachtoffer van de grillen van een Amerikaanse marineluitenant, die in Nagasaki een schijnhuwelijk met de zo op een vlinder lijkende Japanse aan gaat. Als hij terug naar Amerika gaat, wacht Cio Cio San jaren tevergeefs op hem, maar blijft heilig in zijn terugkeer geloven. Op de dag dat zijn schip weer in de haven van Nagasaki aanmeert, maakt Butterfly zich op om hem te ontvangen. Ze houdt een nachtwake, verlangend wachtend op zijn komst.

Deze nacht, dit vurige verlangen, luistert Puccini op met zijn zoemkoor. Tenoren en sopranen neuriën van ver weg een melodie in octaven, ondersteund door een enkele altviool, ook vanachter de bühne. Enkele pizzicati van strijkers in de orkestbak, twee lage fluiten en een harp zorgen voor de rest. Het levert het effect op van totale verlatenheid, vooral omdat wij allemaal weten dat Butterfly's verlangen niet zal worden ingelost. Stille hoop, die enkele minuten later wanhopig schreeuwend de grond wordt ingeboord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden