Philips keek niet op een dochter meer of minder

Bij Philips werkten vroeger vaak vier of vijf mensen uit één gezin. Dat moest ook wel want de lonen waren laag. Het concern kon gemakkelijk een of twee dochters ontslaan want de familie raakte er niet meteen door aan de grond. Philips maakte handig gebruik van dit systeem. Het verklaart ook de afwezigheid van protest bij vooroorlogse massa-ontslagen in Eindhoven, schrijft Don Kalb in zijn proefschrift.

PETER VAN LAKERVELD

Dat is een van de ontdekkingen in het onderzoek waarop de cultureel antropoloog Don Kalb gisteren in Utrecht is gepromoveerd. Bij Philips hebben voor de Tweede Wereldoorlog ontslagen nooit geleid tot grootscheepse sociale onrust. Zelfs niet begin jaren dertig toen het personeelsbestand in drie jaar tijd kelderde van 23 000 tot 8500. Dat was voor Kalb een belangrijke prikkel in zijn studie.

Er zijn al eerder pogingen ondernomen die lijdzaamheid te verklaren. Heel populair is de theorie van de katholieke braafheid. Anderen wezen op het grote percentage jonge vrouwelijke werknemers. Die werden geen lid van een vakbond en zagen hun werk in de fabriek als tijdelijk, in afwachting van het huwelijk. Kalb stelt daar tegenover, wat hij noemt, het 'flexibel familisme'. Toen Gerard Philips in 1891 zijn lampenfabriek stichtte, kwam hij terecht in een regio waar de meeste gezinnen van vijf of zes inkomens leefden. De Brabantse boerenbedrijfjes leverden weinig op. Bijverdiensten waren noodzakelijk. Vrouwen werkten thuis voor de textiel- en sigarenindustrie of verhuurden zich als dienstmeisje. Deze arbeidsmarkt was voor Philips zeer aantrekkelijk. Het grote aanbod van meisjes hield hun lonen laag, niet meer dan dertig procent van het landelijk gemiddelde voor een ongeschoolde arbeider. Weinigen stoorden zich aan deze wanverhouding want de meisjes droegen slechts bij aan het gezinsinkomen, ze waren niet in hun eentje op het karige loon aangewezen. Daarom raakte een gezin ook niet aan de grond als een dochter ontslagen werd, slechts een klein deel van het gezinsinkomen viel weg. Zo'n gezin was flexibel.

Philips nam vaak drie of meer kinderen, vooral dochters, uit één gezin in dienst. Meisjes bij wie er door hun vaders een discipline was ingeramd, die het bedrijf goed van pas kwam. Want de vervaardiging van gloeilampen eiste discipline en uiterste concentratie. Beklaagde het bedrijf zich over een meisje, dan stond de vader aan de kant van de directie. Daar openbaarde zich de coalitie tussen vader en bedrijf. Klachten waren slecht voor de naam van het gezin en konden de werkgelegenheid van andere familieleden in gevaar brengen. Voelden jonge vrouwen zich onderdrukt, dan ervoeren ze dat eerder als machtsuitoefening door hun vaders dan als pressie van de fabrieksbaas.

In 1914, ruim twintig jaar na de oprichting van Philips, bestond 75 procent van de werknemers uit vrouwen. Geschoolde arbeiders als machinebankwerkers en glasblazers waren uitsluitend mannen. Zij waren - in tegenstelling tot de vrouwen - wel georganiseerd in vakbonden maar na een arbeidsconflict in 1911 verdwenen de radicaalst gezinden onder hen waardoor een bron van onrust opdroogde.

Een heel ander soort onrust manifesteerde zich echter in de jaren 1927-'29. Philips begon met de produktie van radio's en in twee jaar tijd werd het aantal werknemers meer dan verdubbeld. De grote gezinnen in Eindhoven en naaste omgeving leverden niet meer genoeg werkrachten en op grote schaal haalde Philips jonge mensen van verder weg, tot Midden-Limburg en de Belgische Kempen toe. Vele jongeren pendelden, duizenden anderen gingen in Eindhoven in de kost, jongens en meisjes.

Dat leverde naar de normen van die tijd ongewenste toestanden op. Jonge mannen en vrouwen, onder ouderlijke vleugels vandaan, konden onbelemmerd met elkaar omgaan. Politierapporten reppen van een sterk toenemende kleine criminaliteit en op de werkvloer nam de discipline af, er werden meer fouten gemaakt.

Toen brak, eind 1929, de economische wereldcrisis uit. In veertien maanden tijd, tot begin 1931, schrapte Philips 5000 banen. Kalb weet echter aan te tonen, dat die eerste ontslaggolven -in 1931 en '32 volgden er meer - in wezen weinig met de crisis te maken hadden. Na de wildgroei, eind jaren twintig, was het concern hard toe aan een rationalisatie. Zevenduizend ongeschoolden kregen hun congé maar tegelijkertijd werden er nog tweeduizend aangenomen.

Daarin ziet Kalb zijn gelijk. Want die afgedankten waren bijna allemaal pendelaars en kamerbewoners. De nieuwe werkers kwamen uit grote gezinnen, die door Philips uit Noordoost Nederland waren gehaald en die een woning hadden gekregen in 'Drents dorp' of andere nieuwe arbeiderswijken. Het bedrijf herstelde de discipline. Het personeelsbeleid met dochters uit grote Brabantse gezinnen werd aangevuld met hele families uit Groningen of Drenthe: vaders, zonen en dochters. Philips had het flexibel familisme voorlopig gered. Tot na 1945 toen het concern sterk veranderde.

Hoe bewust Philips deze politiek doorvoerde, bleek snel daarna. Bij de volgende massa-ontslagen zag de directie er nauwlettend op toe dat ook bij de immigranten uit het noorden nooit alle leden uit één gezin hun baan kwijtraakten. Drie van de zes vlogen eruit. En waren het er een keer vier, dan was Philips altijd nog bereid om de huur van de eigen woningen tijdelijk te verlagen.

Ook dat eigen woningbezit diende de flexibiliteit. En het hield de mensen rustig. Want anders dan bij Ford in Amerika, waar tienduizenden kostwinners de poort uit vlogen en grote spanningen ontstonden, gebeurde er in Eindhoven weinig of niets. Vaders, bang om hun baan kwijt te raken, hielden hun mond als er een paar dochters werden ontslagen. Bovendien bleven de families een willig arbeidsreservoir. Toen het iets beter ging, kwamen de meisjes graag terug.

Kalb heeft er een paar jaar over gedaan om te ontdekken wat de echte oorzaak was van de arbeidsrust bij Philips. Het was een puzzel. Een van zijn bronnen was een artikel in het blad van de katholieke metaalbewerkersbond St. Eloy uit die tijd. Die bond werd niet erg serieus genomen, daarom was het artikel in de vergetelheid geraakt. Kalb gelooft ook niet in een complot van Philips. Hooguit maakte het concern handig gebruik van een ingewikkelde sociale context.

Bij het ontrafelen daarvan verrast Kalb door zich opnieuw te laten inspireren door Marx, die zo schrijft hij, “bij de recente seizoensopruiming in de sociale wetenschappen overboord is gezet.” Niet dat Kalb iets ziet in de traditionele klassestrijd. Wel gebruikt hij het begrip klasse. Je kunt, betoogt hij, Philips beschrijven als onderdeel van een regionale cultuur maar je kunt ook vragen stellen aan de hand van het klassebegrip om een oplossing te vinden. Vragen over macht en sociale ongelijkheid. Je komt dan tot antwoorden, die per geval en regio verschillen. Macht had in Eindhoven niet alleen Philips, macht hadden eveneens de vaders in de Brabantse gezinnen. Essentieel is dan wel een heel ruim klassebegrip.

Kalb denkt dat zijn methode actueel is en niet alleen nut heeft voor de historie van Philips en de Midden-Brabantse schoenmakers rond 1900, die hij ook beschrijft. Hij wijst op de flexibilisering van de arbeid. Steeds minder mensen hebben een vaste baan. Kinderen kunnen zich niet meer spiegelen aan de banen van hun ouders; Wat betekent die flexibilisering in termen van macht? De politiek houdt zich er niet mee bezig, die wordt in beslag genomen door de individualisering. Maar die is, meent Kalb, eerder het gevolg dan de oorzaak van de flexibilisering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden