Review

PHILIP LARKIN, DE HEREMIET VAN HULL LEVEN IS ALLEREERST VERVELING, DAN ANGST

Andrew Motion. 'Philip Larkin. A Writer's Life'. London, Faber and Faber, 1993. 570 blz. geillustreerd, gebonden F65,65. Import Nilsson and Lamb. 'Selected Letters ofPhilip Larkin, 1940 - 1985'. Edited by Anthony Thwaite. London, Faber and Faber, 1992. 791 blz. geillustreerd, gebonden. Thwaite heeft ook bij Faber and Faber Larkins 'Collected Poems' bezorgd. Jan Eijkelbooms Larkin-vertaling verscheen bij De Arbeiderspers (1983), de vertaling van Judith Herzberg verscheen in haar bundel 'Botshol' (1980, uitg. G.A. van Oorschot).

Ongeveer tweehonderd keer in zijn leven is deze behoefte tot bewaren in hem opgekomen, wat niet zo heel vaak is, maar wat toch niet heeft verhinderd dat hij als de grootste naoorlogse dichter van Engeland wordt beschouwd.

De gedichten van Larkin zijn persoonlijk, in die zin dat hun onderwerpen uit het leven zijn gegrepen en in spreektaal zijn verwoord, wars van retoriek, vol van ironie en melancholie, altijd sophisticated. Er zijn grammofoonplaten waarop hij zijn bundels voorleest, perfect en zeer Engels. Het lijkt wel alsof hij hardop aan het denken is. De korte commentaren die hij er soms tussendoor vlecht, zijn geheel in stijl. Als hij zijn gedicht 'Going' aankondigt en even aarzelt, gaat het als volgt: “The next poem is called 'Going' and it's about . . . well, it's about going.”

Zijn gedichten mogen dan hun aanleiding vinden in persoonlijke ervaringen, erg mededeelzaam daarover buiten de gedichten om was Larkin allerminst. Hij vond, en terecht, dat het gedicht in staat moest zijn een eigen wereld op te roepen, die herkend en meebeleefd kon worden door zijn lezers. Die leerden Larkin, en zichzelf, kennen door middel van zijn poezie. De man zelf leidde het weinig spectaculaire bestaan van bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek van Hull. In het openbare leven gedroeg hij zich vormelijk en correct, hij bekleedde verschillende voorzittersfuncties, breidde de bibliotheek naar behoren uit en ging nooit naar voorleesavonden van poezie. Hij was de mythe Larkin, de teruggetrokken, verlegen heremiet van Hull, die in schaarse interviews gespecialiseerd bleek in het om de tuin leiden van zijn vragenstellers.

Wie Larkin prive was, bleef een raadsel, verborgen achter het masker van zijn openbare optreden, van zijn poezie en van zijn andere geschriften.

Daaruit kon natuurlijk wel iets worden afgeleid, en ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag haalden enkele vrienden ook wel herinneringen op die ons een kijkje in Larkins wereld en leven gunden, maar er bleef toch veel te gissen over. Echt een openbaring, en lang niet altijd in gunstige zin, vormden dan ook de 'Selected Letters' die vorig jaar verschenen: honderden brieven, een keuze nog maar uit het beschikbare aantal. Ze laten zien dat Larkin uit talloze persona bestond, zorgzaam en intiem voor de een, studentikoos en expres grof voor de ander. Een heel spectrum van mentale instellingen passeert de revue.

Die brieven veroorzaakten nogal wat opschudding, vooral wat betreft het conservatisme van Larkin, dat hier en daar op racisme gaat lijken en in elk geval zeer discriminatoir is: hij kon enorm schelden op arbeiders, studenten, negers, homoseksuelen. Niet minder schokkend zijn z'n ideeen over vrouwen en over seks. Ook zal menigeen ervan hebben opgekeken dat deze keurige heer er een grote collectie pornografische fototijdschriften op na hield en vooral belangstelling had voor sadomasochistische scenes.

Een jaar na de brieven is er dan nu de biografie, waarin Andrew Motion op een voorbeeldige manier uit het beschikbare materiaal, waaronder veel dat nog niet is gepubliceerd, en uit getuigenissen van degenen die Larkin hebben gekend, een portret van de dichter heeft ontworpen. Het boek heet 'Philip Larkin. A Writer's Life', waarmee al wordt aangegeven dat het in Larkins leven in laatste instantie om het schrijven en om niets anders ging. Het is natuurlijk dwaas om te beweren dat hij niet leefde, maar Motion maakt aannemelijk dat de meeste gedragingen van Larkin verklaard kunnen worden uit zijn angst dat het schrijven in gevaar zou komen.

Larkins jeugd, hij werd geboren in 1922 in Coventry, is niet erg gelukkig te noemen. Zijn ouders leefden in een sfeer van gewapende vrede met elkaar, zijn vader koeionneerde zijn moeder; die liet dat toe, maar klaagde wel aldoor. Zijn zusje was elf jaar ouder en hij had dus alle reden om zich vrijwel enig kind te voelen. Daarbij kwamen twee gebreken: hij kon slecht zien en moest daarom een bril met dikke glazen dragen, en hij stotterde. Bovendien waren zijn benen in verhouding tot zijn lijf wat aan de korte kant.

Het zijn dit soort gegevens en omstandigheden waaraan een biograaf het een en ander kan vastknopen. Zo zou het huwelijk van zijn ouders Larkin voorgoed hebben gestempeld tot iemand die koste wat het kost niet wilde trouwen. Zijn opvoeding was een eenzame aangelegenheid die hem bijna voorbestemde tot een solistisch bestaan. Het gebrek aan omgang met meisjes, ook in de tijd van de middelbare school, zorgde ervoor dat hij niet gewend raakte aan het andere geslacht en er gedurende zijn hele leven, ook seksueel, problemen mee bleef houden.

Van Larkin is bekend dat hij niet van reizen hield. “Ik zou het niet erg vinden om naar China te gaan als ik maar nog dezelfde dag terug kon komen. Ik haat het buitenland.” Toch is hij als jongen in 1936 en 1937 naar Duitsland gereisd, een gruwel, naar hij zich later herinnert. De autoritaire vader sympathiseerde met de nationaal-socialistische beweging en voelde zich in het efficiente Duitsland van Hitler wel thuis. De zoon, die al zijn eerste Count Basie-platen draaide, walgde van het bierdrinken en zingen in de cafe's en voelde zich buitengesloten doordat hij de taal niet sprak.

In 1940 gaat hij Engels studeren in Oxford. Hij schrijft dan al gedichten en verhalen. Er ontstaat een clubje in jazz en kunst geinteresseerde studenten, onder wie Kingsley Amis en Bruce Montgomery, die uiterst ironisch en rebellerend staan tegenover het academische leven. Met Amis ontwikkelt Larkin een vriendschap die, getuige de brieven, ook die van later, altijd stuitend studentikoos is gebleven.

Larkins omgang met meisjes wil maar niet lukken, wat niemand hoeft te verbazen die leest wat hij tegen Amis zegt: “Ik wil, ik wil geen meisje mee uit nemen en circa 5 uitgeven als ik mezelf ook in vijf minuten kan aftrekken, kosteloos, en de rest van de avond voor mezelf hebben.”

Dikwijls in de biografie klaagt Larkin erover dat het verleiden van vrouwen een dure aangelegenheid is en dat het vaak nog verspild geld is ook, want aan het eind van de avond willen ze niet of beginnen ze over hun vriend of verloofde. “Sex is te goed om met iemand anders te delen.

Sexuele gemeenschap: altijd teleurstellend en dikwijls weerzinwekkend, alsof je iemand anders vraagt jouw neus te snuiten.'

Na zijn studie wordt Larkin ergens in een klein plaatsje bibliothecaris en dat beroep zal hij blijven uitoefenen, ook in Belfast en ten slotte in Hull. Hij is er heel succesvol in, maar het blijft toch een maatschappelijke dekmantel voor waar het hem werkelijk om gaat: schrijven. Hij ontwikkelt langzaam een eigen toon, wat de poezie betreft, via beinvloeding door Hardy, Yeats, zelfs Dylan Thomas. Zijn eerste bundel, in 1945, blijft betrekkelijk onopgemerkt. Hij schrijft aan het eind van de oorlog ook proza, een roman wordt zelfs door Faber and Faber uitgegeven. Maar in het algemeen is hij nog zoekende als schrijver. Ook als man trouwens, en dat zal zijn hele leven duren. Het meest opmerkelijke in Larkins biografie zijn de slopende vrouwengeschiedenissen. De centrale figuur hierin is Monica Jones, een docente Engels die hij in 1947 ontmoet en met wie hij zijn hele leven is blijven omgaan. Zij komt tegemoet enerzijds aan zijn verlangen naar seks (zo uitsluitend op z'n eentje wilde hij dat blijkbaar toch niet) en anderzijds aan zijn angst voor gebondenheid en huwelijk. Ze gingen zeg maar een LATrelatie aan en zagen elkaar eens in de veertien dagen of eens in de maand.

Maar Larkin compliceerde de zaak door het ook, met wisselend succes, met anderen aan te leggen. De psychologie van dit gedrag wordt door Motion telkens uitgelegd als een vorm van uitspelen. Kwam Monica te dichtbij (zij probeerde zo nu en dan hem wel tot het huwelijk te bewegen), dan zocht hij een tegenwicht in iemand anders. Ook zijn moeder speelde in zijn overwegingen om ongebonden te blijven een belangrijke rol. Maar het meest was toch zijn schrijverij in het geding.

Wat deze Monica allemaal te verduren heeft gekregen aan gedraai, gelieg, zelf rechtvaardiging, getob, zelfzuchtigheid en ga maar door, is nauwelijks te beschrijven. Bijna veertig jaar heeft dat geduurd, in de latere tijd moest zij eerst Maeve Brennen, een bibliotheekmedewerkster, daarna ook nog Betty Mackereth, zijn secretaresse, naast zich, of liever: tegenover zich, verdragen. Pas helemaal op het eind, zij was toen ziek, nam Larkin haar in huis. Toch bleef zij al die tijd zich met Larkin verbonden voelen en bracht zij telkens weer begrip voor zijn gedrag op. “Er is een vrouw met wie ik zou moeten trouwen (Monica) en een met wie ik wil trouwen (Maeve)”, schreef hij een keer. Dat laatste lijkt wat overdreven, hij was zo vreselijk huwelijksschuw, maar het geheel geeft een goede indruk van zijn talent om voortdurend in opposities te leven, waartussen hij niet kiezen wilde en kon.

De meest overheersende tegenstelling bij hem is die tussen leven en werk geweest. Om zijn gedichten te kunnen schrijven moest hij zich vrij en alleen weten, weliswaar mocht er best een vrouw een eindje verderop op hem zitten wachten en mocht een andere vrouw deze delicate balans mede in evenwicht helpen houden, maar zich geven in de gebruikelijke zin van het woord, daartoe was Larkin niet in staat.

Intussen was hij wel de beroemdste dichter van Engeland geworden. Zijn tweede bundel, 'The Less Deceived', hoewel uitgegeven door een volstrekt marginale uitgeverij, had zijn faam gevestigd, en toen Faber and Faber zijn derde, 'The Whitsun Weddings', uitgaf was de lof overstelpend. Het is trouwens interessant uit deze biografie te vernemen hoeveel moeite Larkin, die al in kleine kring tijdens zijn studentenjaren de reputatie van een 'genius' had, moest doen om zijn werk gepubliceerd te krijgen.

Hij deed het soms in onooglijke blaadjes en pas in de tweede helft van zijn carriere zat iedereen met spanning te wachten op een nieuw gedicht van zijn hand. Een dergelijke, moeizame publikatiegeschiedenis is in de huidige tijd ondenkbaar.

“Leven is allereerst verveling, dan angst.” Zo dacht Larkin erover.

Zijn levenservaringen zijn terechtgekomen in zijn gedichten, de biografie weet er telkens overtuigende verbanden tussen aan te wijzen.

Een van de mooiste gedichten die hij schreef, heet 'An Arundel Tomb' en heeft betrekking op de tombe van de Graaf van Arundel en zijn vrouw in de kathedraal van Chichester. Hij bracht daar, samen met Monica, een bezoek.

Zij aan zij, met bijna uitgewist gelaat,

liggen de graaf en de gravin in steen.

Hun passende gewaden wijzen heen

naar harnas, stijf geplooide rokken,

en als absurd bewijs van staat -

aan 't voeteneind de kleine honden.

Zo luidt de eerste strofe in de vertaling van Jan Eijkelboom. Ze liggen daar hand in hand, zijn van steen en dus is hun liefde verduurzaamd in de tijd. Larkin vraagt zich in de sublieme, ambivalente afronding af wat ze door hun houding precies willen zeggen, dit tweetal. Hij veronderstelt, zij het met wat slagen om de arm, dat het zal zijn: “What will survive of us is love.” (“'t Is liefde wat ons overleeft.”

In het handschrift van dit gedicht heeft hij direct hieronder nog het volgende geschreven: “Liefde is niet sterker dan de dood alleen maar omdat beelden elkaars handen 600 jaar lang vasthouden.” Dat is een echte Larkin-opmerking, realistisch op het cynische af

In zekere zin doet zijn hele biografie iets dergelijks. Die ontmythologiseert de mythe, die is een ontnuchterend commentaar bij het prachtige werk. Het leven kan het werk niet onderuit halen, maar het kan er wel voor zorgen dat het enigszins anders, want tegen deze biografische achtergrond, gelezen wordt. Maar daar kan Larkins poezie wel tegen. Lees bij voorbeeld 'Onwetendheid', in de

Vreemd niets te weten, nooit zeker te zijn

van wat waar is, goed of echt

maar steeds te moeten matigen: Zo lijkt het mij,

Tenminste dat vind ik,

Wie weet.

hoe ze dat wat ze nodig hebben kunnen vinden,

hoe ze hun vorm en hun precieze zaaitijd weten,

bereid verandering te ondergaan.

Ja, het is vreemd

zelfs om zulk weten te bevatten - ons vlees

omvat ons immers met zijn eigen wil -

en toch ons hele leven te besteden aan probeersels,

zodat als we beginnen dood te gaan

we geen idee hebben waaraan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden