Pfeijffer, de geweldenaar

'Ik wil liggen in een lange karmozijnen kamerjas, afgezet met konijnenbont, die over de randen van mijn chaise longue heen golft op de knus krakende vloer van oud hout, dat nooit meer zal werken, in het woonvertrek dat mijn oude betrouwbare butler zo warm stookt dat mijn gedachten smelten als de sneeuwvlokken tegen de buitenkant van vuile ramen.' Citaat uit Brieven uit Genua, Ilja Leonard Pfeijffer, Privé Domein 282

Verschijnt op 1 maart

jann ruyters

Zelf geniet ik in een schrijversdagboek toch het meest van het schrijversoog op het alledaagse geploeter; het welbespraakte geklets over niks, bladzijdes vol futiliteiten. Zo is het amusant en relativerend om te lezen hoe Sylvia Plath op 7 januari 1959 twee alinea's lang tobt met een neus die is 'opgezwollen als een lekkend worstje', of hoe Jeroen Brouwers op 3 mei 1981 in een brief uitweidt over zijn werkhok van drie bij drie met een plafond zo laag dat de atmosfeer geen vierde gedachte meer verdraagt. In zulke passages vind je de mens achter de bekende schrijver.

Waagt schrijver en dichter Ilja Leonard Pfeijffer zich aan een brievenbundel, dan dient de lezer echter op zijn hoede te zijn. Pfeijffer en 'het echte leven' hebben een turbulente voorgeschiedenis. De schrijver figureerde eerder onder eigen naam als personage in zijn romans, zowel in 'Het ware leven' als in het met de Libris Literatuurprijs bekroonde 'La Superba'. Die 'rondborstige bohémien' met dikke buik en lange wapperende haren die zich dichtend, zuipend en vrouwenbenen aanbiddend door het leven slaat, dienden we in die romans wel met een korreltje zout te nemen. Het is de vraag of we hem in het vuistdikke, autobiografische 'Brieven uit Genua' (liefst 700 bladzijden!) nu wel op zijn woorden kunnen geloven.

"Het doel is geen brievenbundel of autobiografie maar een roman", betoogt de schrijver in zijn subsidie-aanvraag in een brief aan het Letterenfonds, die ook in de brievenbundel is opgenomen. Een roman dus, maar ook een boek waarin hij naar waarheid "kan reflecteren op de wording van het dichterschap, de lasten en lusten van het schrijversbestaan". Pfeijffer wil alleen "de infrastructuur van het boek niet aan het zicht ontrekken maar op een schaamteloze manier opzichtig buitenom leggen, zoals bij het Centre Pompidou in Parijs".

Wat zich in deze brieven zal aftekenen is Pfeijffers echte leven dus, maar geplooid als een typisch schrijversleven, en vol van de romantische misère die hoort in het leven van een Grote Schrijver: getob over te veel drank, te weinig geld en gemiste literaire prijzen; een moeizame, aarzelende nieuwe liefde; roddels over en ontmoetingen met andere schrijvers; bitterzoete jeugdherinneringen; verstandige observaties over politiek en samenleving. Dat alles weergegeven in meeslepende, geestige, rijke epistels naar verschillende afzenders, geschreven tussen april 2012, toen Pfeijffer nog bezig was 'La Superba' af te ronden, en november 2016, anderhalf jaar na het winnen van de Libris Literatuurprijs voor dat boek.

Lange brieven zijn het, meer essayistisch dan uit de losse pols, alleen al afwijkend van echte brieven doordat de afzender geen verschil lijkt te maken; of een brief nu gericht is aan ex-geliefde Gelya, aan Pfeijffers moeder, aan zijn uitgever of accountant, of aan zijn jongere 'ik', een verschil in toon is er nauwelijks, alleen in onderwerp.

Sommige anekdotes klinken bijna te mooi om waar te zijn. Zo beweert Pfeijffer in een brief aan zijn moeder dat hij het eerste dichtbundeltje dat hij fabriceerde als 16-jarige ook al 'Brieven uit Genua' doopte. Zou het echt? In een andere brief aan haar haalt hij herinneringen op aan Mocanië, de fantasie-archipel inclusief eigen automerken, taal, filmindustrie en een Mocaanse Johan Cruijff die hij als kind creeerde. Wie in Rijswijk opgroeit, moet wel ergens ontsnapping zoeken, aldus Pfeijffer, daarbij herinnerend aan op dezelfde manier experimenterende roemrijke voorgangers, zoals de Brontës die in het onherbergzame Haworth hun vertier zochten in fantasieland Gondal.

Bezoeken aan masterclasses, lezingen en prijsuitreikingen leveren sappige schrijversroddels. Zeer vermakelijk is het verslag van zijn bezoek aan een schrijversfestival in Antwerpen waarbij hij de jonge schrijvers Jamal Ouariachi, David Pefko en Daan Heerma van Voss ontmoet, die Pfeijffer nietsontziend en scherp neerzet als 'te vroeg oud geworden decadente dichters' die Roemeense hoertjes laten aanrukken: "Ze geloven nergens in en je kunt niet eens zeggen dat ze hun geloof zijn kwijt geraakt. Nooit gehad, ze geloven niet eens in hun eigen boeken." Een oordeel dat hij het volgende moment alweer onderuithaalt als hij begint over zijn eigen tijd met Roemeense hoertjes 'die hij per dozijn regelrecht van zijn mannetje uit Boekarest betrok' en die hij 'alle twaalf met een brede glimlach, zwanger van een dichter, met rolexen om de siervelgen van hun BMW's' terug naar mama stuurde.

Medelijden kreeg ik met Pfeijffers meest recente verovering 'het mooie lieve verantwoordelijke meisje met haar blonde onschuldige krulletjes', dat zich schoorvoetend overgeeft aan de grote man in Genua, en brieven lang als aanbedene steeds weer bezongen wordt - om alsnog bakzeil te halen als de dichter tegen het eind van deze 'roman' een nieuwe wending nodig heeft, en de ook alweer dol op hem verliefde Italiaanse Stella tevoorschijn tovert.

Tussen schrijven en drinken aan de Piazza dell'Erbe en schrijversuitjes door, zijn er meer geëngageerde uiteenzettingen: zoals een heerlijk verontwaardigde brief over het mislukte Koningslied, een brief over Europa, over Berlusconi. Te veel wordt het ook wel af en toe. De tien pagina's lange voetbalbrief (over de voetbaloorlog in Genua) sloeg ik over, net als de aikidobrief en de hoerenbrief. Ergerlijk is de opsomming van zijn veroveringen (31) die ieder met naam en toenaam genoemd worden om bijna allemaal te eindigen in een pathetisch 'ik heb haar moeten laten gaan'. Geestig is Pfeijffers beschrijving van de lunch bij het koninklijk paar in Wassenaar waar hij werd uitgenodigd nadat hij de Libris Literatuurprijs won, samen met 'sporters en atleten die ergens wereldkampioen in waren geworden'. De brief wordt ingeleid met de mededeling dat hij niets over de lunch mag zeggen, waarop een Lucky TV naar de kroon stekend portret van de koning volgt, een sympathieke man die 'elk besef van formaliteit probeert te smoren met een grapje ten koste van zichzelf'.

Van zulke zelfspot en bescheidenheid loopt Pfeijffer zelf niet over. Alles is veel en groot in deze bundel waarin de schrijver zich een geweldenaar betoont, die je misschien niet op zijn woorden kunt geloven, maar die met 'Brieven uit Genua' wel een ultiem Privé Domein-deel schiep; een schrijversleven waar alle eerdere schrijverslevens toch wat bleekjes bij afsteken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden