'Peters dood heeft onze band versterkt'

Vrienden zijn een apart soort familie. Wat vertellen wij over vriendschappen, en wat zegt dat over ons? Vandaag Jan Brokken en Henk Sliedrecht, die hun vriend Peter niet konden redden.

Schrijver Jan Brokken (62): "Toen we samen aan Peters graf stonden, hadden we een gevoel van mislukking. Hadden we niet méér moeten proberen, niet nóg iets voor hem kunnen doen? Tegelijkertijd wisten we dat we tot het uiterste waren gegaan. En Peters dood heeft de band tussen Henk en mij enorm versterkt."

"Dat hebben we toen ook tegen elkaar uitgesproken", beaamt zijn vriend Henk Sliedrecht (63). "Letterlijk heb ik tegen Jan gezegd: wij moeten elkaar vasthouden. De dood van Peter deed mij weer extra sterk voelen hoe belangrijk onze vriendschap is."

Ze waren een driemanschap: Jan, Henk en Peter. Onafscheidelijk sinds hun veertiende. De vriendschap houdt nu al bijna vijftig jaar stand, al zijn Jan en Henk onderweg - in 2004 - Peter verloren.

"Ik weet nog precies hoe het begon", zegt Jan, die in zijn roman 'Mijn kleine waanzin' uitvoerig over het driemanschap en hun gedeelde jeugd in Rhoon schrijft. "Ik was met Peter een kano aan het repareren. Henk stond ernaar te kijken en zei: Dat doen jullie verkeerd. Waarop wij zeiden: Nou, kom dan maar meehelpen! We konden het direct goed met elkaar vinden. Bij Peter én bij Henk voelde ik vanaf de allereerste dag: dat is een goede jongen. Daar kan ik mee lachen, die kan ik vertrouwen. Vertrouwen is enorm belangrijk in vriendschap."

Henk: "Ik was een ventje van 14 en moest overschakelen naar een nieuwe school, een nieuwe vriendengroep. Ik was onzeker en zocht mensen die ik vertrouwen kon. Dat gevoel was er met hen van meet af aan. Jan was toen al bezig met literatuur en met vragen als: hoe sta je in het leven? Ook dat trok mij. Hij had over veel dingen nagedacht, dat was leuk discussiëren."

En dat deden ze. Samen discussiëren, iedere avond na het huiswerk. "Een uurtje lullen", zegt Jan, op elkaars kamer, terwijl ze er - lekker ouwelijk - een pijp bij rookten. Samen dingen creëren: deden ze ook graag. De schoolkrant bijvoorbeeld, waarvan Jan hoofdredacteur was en Henk de fotograaf. "Het gíng ergens over", zegt Henk. "In die tijd had je als jongere, veel meer dan tegenwoordig denk ik, het idee: nú komt het. Nu, zo vlak na de oorlog, gaan we het leven opnieuw inrichten. Een heel positief, creatief gevoel."

Al snel gingen ze, zonder hun familie, met z'n drieën op vakantie. Op de brommer naar Ameland, lacht Jan: "Een wereldreis!" Ze zagen alles van elkaar. Hun vriendinnetjes, hun schoolprestaties, hun onzekerheden. En hun humor; vooral om de droge grappen van Peter hebben ze ontzettend veel gelachen. Ze kenden ook elkaars ouders door en door. Toen de ouders van de ander later overleden, zeggen de twee vrienden nu, hadden zij het gevoel dat ze iemand van hun eigen familie verloren.

Jan: "In onze begintijd wilde ik liever niet dat Peter en Henk bij mij thuis kwamen, uit angst dat mijn vader weer onder de pillen zat of te veel gedronken had. Hij had een kampsyndroom en ik schaamde me. Daarom stelde ik voor om altijd bij hen thuis te komen. Maar daar was geen sprake van, ze kwamen gewoon toch naar mij. Vanaf toen werd ik wat zelfverzekerder; daarvoor was ik heel onzeker en nerveus, op het randje van waanzin zelfs. Die moeilijke, labiele periode waarin zij onvoorwaardelijk bleven komen maakte de vriendschap met Peter en Henk direct heel belangrijk voor mij."

Peter was, zegt Jan, de rebel. "Hij kwam voortdurend in opstand tegen zijn omgeving. ¿

Hij was de Rolling Stones-fan, wij hielden meer van de Beatles. Hij was onwaarschijnlijk geestig en had geniale trekjes. Toen we zestien waren, dachten we dat Peter het 't verst zou schoppen van ons drieën."

Het liep anders. Jan werd steeds bekender als journalist, later als schrijver. Henk werd succesvol als accountant en partner bij KPMG, later als adviseur en commissaris. Peter kreeg een eigen zaak, maar had 't op zijn 42ste wel gezien.

Jan: "Hij kwam weer in opstand, nu tegen het zakelijke milieu. Hij heeft zijn zaak verkocht en is binnen gaan zitten mopperen op de maatschappij."

Henk: "De kring van mensen met wie hij contact had, werd steeds kleiner. Ook zijn wereld werd steeds kleiner. Hij bleef altijd wonen in de omgeving van Rotterdam, van onze jeugd. Met ons uit eten gaan in Amsterdam vond hij steeds bezwaarlijker. Hij zag talloze obstakels die wij voor hem probeerden weg te nemen, en dan nog kwam hij soms niet opdagen. Of hij kwam wel, maar doodzenuwachtig."

Angst, denkt Jan nu. "Straatangst. En dat werd steeds erger. Hij was gescheiden, daarom spraken Henk en ik bewust met hem af zonder onze vrouwen. Dat ging een paar jaar goed, tot ook dat steeds moeilijker werd en we hem thuis moesten ophalen voor een afspraak."

Henk: "Ik vond het vreselijk; je ziet iemand afzakken, ziet dat het niet goed gaat. Dus ga je het contact intensiveren: mijn vrouw en ik vroegen hem in het weekend vaak te eten. We keken voetbal, deden samen de afwas en dan ging hij weer helemaal opgewekt weg. Maar in de allerlaatste periode lukte ook dat niet meer. Als ik hem dan een of twee weken niet gezien had, ging ik naar hem toe. Soms zat hij thuis met dichte gordijnen. Ik probeerde zijn toestand met hem te bespreken, maar meestal lukte dat niet."

Op een zaterdagmorgen - Henk had Peter weer veertien dagen niet gesproken - dacht hij: ik rijd even bij hem langs. "Er werd niet opengedaan, ik had ook geen sleutel van zijn huis. De maandag erna hoorde ik dat hij die zaterdag was overleden. Misschien wel op het tijdstip dat ik stond aan te bellen. Dat blijft me nog altijd bij: dat moment dat ik mogelijk nog op tijd had kunnen zijn."

Peter had periodes dat hij depressief was en veel dronk. Twee keer leidde dat tot een ziekenhuisopname; de derde keer - 55 jaar oud - is hem dat vermoedelijk fataal geworden. Zeker is dat niet; officieel is er een natuurlijke dood vastgesteld.

"Hij belde mij de laatste jaren heel veel op", vertelt Jan. "Soms al op maandagochtend vroeg, dan had hij het hele weekend door gedronken en zat ik wel drie uur met hem aan de telefoon om hem te kalmeren. Dan belde hij op dinsdag niet, maar woensdag begon het weer. Het legde een enorme druk op me. Ik deed het wel, jarenlang, maar het kostte me steeds meer moeite."

Henk: "Jan ik overlegden samen veel over Peter; dat versterkte onze vriendschap ook toen al. Tegelijkertijd draag ik het verdriet en de frustratie met me mee dat je, ondanks zo'n goede band, een drama als dit niet kunt voorkomen. Net als in een huwelijk, waarin je je partner niet voor alles kunt behoeden. Dat is de beperking van vriendschap: je probeert met iemand in contact te blijven, maar of dat lukt weet je niet. Het zit me nog altijd vreselijk dwars dat ik hem niet heb kunnen vasthouden."

Ze kijken elkaar even aan van opzij, naast elkaar zittend in het Amsterdamse appartement van Jan. Twee zestigers: niet sentimenteel, wel bewogen. De zakenman: keurig gekleed, een tikje formeel. De schrijver: casual, en zorgzaam in de weer met thee.

Vlak de karakterkwestie niet uit, peinst Jan. "Henk is altijd een grotere optimist geweest dan ik. Ik vind het heel fijn dat, wanneer hij mij opbelt, hij altijd zo opgewekt vraagt: Hoe ís het? Dan durf ik al bijna niet meer te zeggen: Nou, mwah... Hij heeft altijd een positieve invloed op mij gehad. Als ik in een depressie was weggezakt, denk ik dat Henk me eruit had kunnen trekken. Andersom, als hij door omstandigheden depressief was geworden, zou ik geweten hebben: dit is tijdelijk, ik sleep hem erdoor. Maar bij Peter was het waarschijnlijk aangeboren; er was al vroeg iets van merkbaar. Tijdens de eerste vakanties met z'n drieën naar het buitenland, was hij altijd heel bang. Hij werd pas weer rustig wanneer hij thuis in zijn oude ritme terug was. En als het aangeboren is, troost ik mijzelf, is het veel moeilijker om iemand te helpen."

Welke invloed heeft Jan op zijn vriend? Het voelt met hem altijd vertrouwd, zegt Henk. En tegelijk verfrissend, want in hun werk hebben ze niets gemeen. Jan is schrijver, 'en nog wel een bekende', zegt Henk met enige trots; hijzelf accountant, vooral bezig met financiën. "Jan heeft een totaal andere belangstelling en dat vind ik heerlijk. Er zijn al zoveel mensen met wie je over je werk praat. Het bijzondere van deze lange vriendschap is dat we op hetzelfde punt zijn begonnen, maar heel andere wissels hebben genomen. In ons werk zijn de sporen ver uit elkaar gelopen. Dan wordt het lastiger om elkaar te begrijpen, en toch hebben we altijd weer de brug weten te slaan. Wij wíllen elkaar begrijpen. We wíllen weten hoe het met de ander gaat. De vertrouwdheid vanuit het verleden helpt mij ook te snappen wat Jan bezighoudt."

Maar het verleden is niet 't belangrijkste dat hen bindt. "Nee: het heden", zegt Henk nadrukkelijk. "Omdat we altijd zo goed met elkaar kunnen praten, en ook zoveel pret hebben samen. Wel is onze vriendschap sterk geworteld in het verleden. Als er iets gebeurt, realiseer ik me: er is iemand aan wie ik niets hoef uit te leggen, die weet hoe mijn leven is gelopen, die mijn ouders, mijn familie, mijn onzekerheden kent."

Jan, luisterend, knikkend: "We zitten echt niet voortdurend herinneringen op te halen. Dat is ook niet nodig omdat we alles al van elkaar weten. Wat ons bovenal bindt is het heden, en de toekomst. Er liggen misschien verschrikkelijke dingen op de loer. Alzheimer. Parkinson. Ik hoop dat hij daarvoor behoed blijft, en ik ook. En dat we onze vriendschap ook intellectueel tot op hoge leeftijd voort kunnen zetten."

Heel troostrijk, zegt hij een paar keer, vindt hij het idee dat Henk zijn begrafenis zal regelen. Met een relativerend lachje: "Nu maar hopen dat ik eerder doodga, want dan zal hij dat vast en zeker doen. Die gedachte geeft mij veel rust."

"Natuurlijk doe ik dat, als dat op mijn pad komt", verzekert Henk. "Dat vertrouwen hebben we allebei: we weten dat we altijd op elkaar kunnen rekenen - dus ook dan."

En wat zal hij zeggen aan het graf van Jan? Jan, plagend: "Nee, hij régelt de begrafenis maar houdt niet de toespraak. Daar regelt hij iemand anders voor." Henk, onverstoorbaar: "Ik zou over onze vriendschap vertellen. Daar is zoveel over te zeggen." ¿

Volgende week:

René Kahn en Alfred Sachs

Henk Sliedrecht
Geboren: 25 juni 1948, Rotterdam

Opgegroeid: in Rhoon (ZH), vanaf 1962

Opleiding: HBS-A 1967, HEAO BE 1970, Registeraccountant 1977

Loopbaan: 1970-1972 Militaire dienst

1972- 2006: Werknemer en vanaf 1986 partner KPMG. Specialisatie financiële instellingen.

2006-heden: advieswerkzaamheden, bewindvoerder Landsbanki en lid van de Raad van Commissarissen van twee bedrijven.

Jan Brokken
Geboren: 10 juni 1949, Leiden

Opgegroeid: in Rhoon (ZH), vanaf 1952

Opleiding: HBS-A, Rotterdam (1961-1967), School voor de Journalistiek, Utrecht (1967-1970), Institut d'Etudes Politiques, Universiteit van Bordeaux, Frankrijk (1970-1972)

Loopbaan: Verslaggever dagblad Trouw (1972-1975), Kunstredacteur weekblad Haagse Post (1975-1986)

Schrijver. Debuteerde in 1984 met de roman 'De provincie', die verfilmd werd. Kreeg in 1986 de Van der Hoogtprijs voor zijn verhalenbundel 'De zee van vroeger'. Publiceerde 24 romans, verhalenbundels, reisverhalen en non-fictieboeken.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden