Peter van Straaten / Ik ben in hoge mate géén deelnemer

Peter van Straaten (Arnhem, 1935) is tekenaar. Hij werkt voor Het Parool en Vrij Nederland. Van Straaten kreeg bekendheid met ’Vader & Zoon’ en zijn cartoon ’Dagelijks leven’. In 2006 ontving hij de Gouden Ganzeveer. Het Haagse Museum Meermanno vroeg hem een tentoonstelling over zijn inspiratiebronnen samen te stellen. ’Peters meesters’ is van 9 februari tot 4 mei te zien.

I

„Op het gymnasium kreeg ik godsdienstles van een remonstrantse dominee die iedere vraag beantwoordde met: ’O, maar dat is symbolisch!’ Als iemand na een Bijbellezing vroeg ’Dominee, is dat echt gebeurd?’ dan zei hij: ’Welnee! Dat zijn verhalen! Allemaal symbolisch.’ Daar kon ik me wel in vinden. Ik ben in die tijd ook, met vuige bedoelingen, naar de doopsgezinde catechisatie gegaan. Ze organiseerden punterkampen in Giethoorn en ik wilde dolgraag mee. Er was een dominee die af en toe een stichtelijk woord sprak en iedere ochtend zongen we bij het hijsen van de lag een lied: Ik voel de winden Gods vandaag/ Vandaag hijs ik het zeil/ Gehavend is ’t en zwaar van schuim/ maar ik hijs ’t en hoop op heil/ Want Christus zelf als stille gast/ reist in mijn scheepje mee/ Op zijn bevel durf ’k uit te gaan op wilde hoge zee!

Mooi hè? En bij ’winden Gods’ was er natuurlijk altijd weer een jongen die een wind liet. Het was meer dan zomaar een kamp voor mij, ik wilde ergens bij horen. Ik had behoefte aan rituelen, aan religiositeit. Ik heb God, bij wijze van spreken, gevonden in de natuur. Ik ging me zelfs schuldig voelen als ik een paar dagen niet in het bos was geweest. Zo sterk voel ik het niet meer, al moet ik je eerlijk zeggen dat ik het moeilijk vind om naar een bijenophrys – dat is een op een bij lijkend bloemetje – te kijken en daar níet een godsbewijs in te zien. Mijn vrouw, Els, die zeer katholiek is opgevoed, wil dolgraag dat er een God is. Ze gelooft er niet meer in, maar ze doet nog wel mee aan alle rituelen. Zodra we een katholieke kerk binnenstappen, slaat zij een kruisje. Ze bidt en brandt kaarsjes. ’Kijk nou naar dat bloemetje,’ zegt ze dan, ’er móet toch een God zijn?’ Ik weet het niet hoor. Dat is ook mijn antwoord als een gelovige mij vraagt waar alles dan vandaan komt. Dat weet ik niet. En mijn niet weten zou je net zo goed een vorm van God kunnen noemen.”

II

„Als het staat voor niet blind aanbidden, dan zou ik zeggen dat de EO zich vooral schuldig maakt aan dit gebod. Ik luister vaak naar radio- en televisiedominees die het over ’de heelheid van de schepping’ hebben en zo – je weet toch niet wat je hoort? De heelheid van de schepping! En weet je wat ik ook zo walgelijk vind? Bidden. Dat je denkt iets te kunnen bereiken door er bij een God om te gaan vragen. Een dankgebed, ja, daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen, maar een smeekbede? Verschrikkelijk.”

III

„Dat komt niet in mij op. Nee, niet uit fatsoen, we zijn gewoon totaal niet gelovig opgevoed* hoewel, misschien heb je daar toch een punt. Mijn moeder was zeer standbewust, ik denk dat ze vloeken ordinair vond. Ze had het ook vaak over ’het plebs’. Toen ik haar een keer vertelde dat ik op de PvdA stemde, zei ze: ’PvdA? Ik wist niet dat jij zo van het volk hield.’

Ik vloek waarschijnlijk ook niet omdat ik me niet snel ergens over opwind. Razernij ken ik niet. Ergernis wel. Lichte ergernis, dat is een genot. Ik vind het heerlijk om me, samen met Els, aan anderen te ergeren. Uren zijn we daar mee bezig. Hoe mensen lopen, hoe ze praten, hoe ze hun krant vasthouden; we ergeren ons aan alles – heerlijk! Om mezelf te verheffen? Ongetwijfeld. Goddank ben ik niet zoals hij! Ja, dat is natuurlijk het lelijke, achterliggende motief.”

IV

„Zondag is voor mij een werkdag, dan moet ik de politieke prent maken. Zaterdag is eigenlijk mijn rustdag, dan doen we boodschappen voor het weekend en dat soort truttigheden. Een saai leven, dat vind ik prettig. Els heeft de neiging om veel op reis te gaan, het liefst naar arme landen zoals India. Vorig jaar is ze met een vriend naar Sjanghai geweest, nou, de verhalen waar ze mee thuiskwam! Verschrikkelijk. Overvolle treinen, claustrofobische taferelen! Ik moet er niet aan denken. Het leven is zo al opwindend genoeg. Ik heb genoeg aan kleine vreugden.

Misschien ben ik iemand die snel relativeert, daar heb ik eerlijk gezegd nooit zo over nagedacht. Ik ben in ieder geval niet iemand die heel enthousiast achter dingen aanholt. Toen ik eens bij een psychiater was, moest ik een vragenlijst invullen. Een van die vragen was: wat verwacht u van deze therapie? Ik vulde in dat ik hoopte van mijn lafheid verlost te worden, maar hij heeft dat formulier helemaal niet bekeken. Toen ik hem er later naar vroeg, zei hij: ’Ja, stom, helemaal vergeten’ terwijl ik het wel een moedige daad vond om zoiets op te schrijven. Ik ben van nature namelijk ontzettend laf. Angstig. Iemand die via omwegen zijn doel bereikt. Ik krijg mijn zin wel, maar altijd via een omweg. Als kind maakte ik een omweg naar school omdat ik de jongens wilde ontlopen die mij gingen pesten – ja, misschien is het daar wel begonnen. Maar het zal ook met mijn opvoeding te maken hebben. Ik had vier grotere broers, dus eigenlijk vijf vaders. Ze zeiden bij alles: ’Laat mij nou maar even. Dat kun jij niet.’ Ik sta een beetje onhandig in het leven. Ik kan ook echt veel dingen niet, maar ik kan niet ontkennen dat ik sterk de neiging heb om alles aan anderen over te laten.”

V

„Ik was een beetje bang voor mijn vader. Hij sloeg mij niet of zo, hij was gewoon streng, zoals de meeste vaders in die tijd. Hij was zwaar op de hand, zwijgzaam, afstandelijk. Mijn moeder was een vrolijke vrouw, zeer relativerend, veel gevoel voor humor. Zij hield ervan om na te tafelen en verhalen uit te wisselen. Mijn vader ging na het eten meteen naar boven, naar z’n kantoortje. Hij deed nooit gezellig mee.

Ik was dol op mijn moeder. Ze was lief. Kordaat. Ze sleepte ons de oorlogsjaren door. Mijn vader liep er een beetje hulpeloos achteraan. ’Het schiet maar niet op, die oorlog,’ zei hij dan, ’het schiet maar niet op.’

We werden eerst van Arnhem naar Velp geëvacueerd en later mochten we ook daar niet blijven wonen van de Duitsers. Mijn broer Gerard zei dat we naar de vakantiehuisjes in Coldenhove, bij Eerbeek, moesten gaan, maar toen we daar aankwamen bleek alles al bezet. We trokken met twee volgepakte fietsen verder en kwamen uit bij Hotel Zilven dat ook voor de evacués was gevorderd. Daar konden we twee kamers krijgen. Mijn moeder hield de boel gaande, mijn vader verschrompelde en ik had de tijd van mijn leven. Ik hoefde niet naar school en maakte eindeloze wandelingen door de natuur.

Na de bevrijding kon mijn vader, die architect was, in de wederopbouw aan de slag, maar op een gegeven moment bleven de opdrachten uit. Hij had het linker deel van Hotel Haarhuis in Arnhem ontworpen en wachtte op een opdracht voor de uitbreiding. Toen die naar een andere architect ging, heeft hem dat enorm geknakt.

Zijn associé meldde vervolgens dat hij niet langer mijn vaders gezin wilde onderhouden en dat hij hem ging uitkopen. Mijn vader was net zestig. Eigenlijk heeft hij daarna bijna niets meer ondernomen.

Daar kwam nog een vreselijke gebeurtenis bij. Mijn ouders kregen een auto-ongeluk. Het was mijn vaders schuld, hij had geen voorrang gegeven. Mijn moeder kwam in een rolstoel terecht en mijn vader veranderde in haar huisknecht. Ze werd naar, klagerig en deed niet anders dan mijn vader uitfoeteren. Mijn verhouding met haar veranderde er ook door; ik vond dat ze hem onrechtvaardig behandelde. Ja, het is een tragisch verhaal.

Als ik nu aan mijn moeder denk, duw ik die omslag in haar leven weg. Ik wil me haar herinneren als een jonge, vrolijke vrouw die de boel bij elkaar hield. Ik zie haar voor me in Café Royal in Arnhem waar ze op zaterdagmiddag graag naar een Hongaars strijkje ging luisteren. Ze vond het heerlijk om naar mensen te kijken. Veel van de opmerkingen in mijn cartoons zouden zo van haar afkomstig kunnen zijn. Dan zag ze bijvoorbeeld een man met een sigaar, die er ook elke week zat, en zei: ’Daar zit ’ie weer, met zijn speen.’

De mooiste herinnering aan mijn vader is een uitje naar Terschelling. Ik meen dat het in 1947 was. Mijn broer, mijn vader en ik. Vogels kijken, wandelingen maken. Nee, echt intiem zijn we nooit geworden. Daar had ik ook niet zo’n behoefte aan. Ik had genoeg aan mijn moeder. Tot ik ook bij haar vandaan moest. Dat is kenmerkend voor mijn generatie, denk ik: we wilden zo snel mogelijk de deur uit. ’Groots en meeslepend wil ik leven! Hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!’ Dat is tegenwoordig wel anders. Ik heb mijn dochter met de grootst mogelijke moeite het huis uit gekregen.”

VI

„Mijn broer en ik vonden het leuk om, als het gesneeuwd had, Stalingradje te spelen. Dan gingen we op de grond liggen en bedekten we onszelf met sneeuw. Precies zoals we het op die foto’s van gesneuvelde Russische militairen hadden gezien. Dat moet ergens in 1943 zijn geweest. We hadden wel een besef van die oorlog, maar het was niet zo bijzonder. Je wist niet beter: het was oorlog en er waren Duitsers in ons land. Ik weet nog wel dat ik bang werd als die V 1’s overkwamen, maar ik geloof niet dat ik echt angstig uit die oorlogsjaren tevoorschijn ben gekomen. Ik was pas negen. Mijn broer Jan was veertien, hij besefte veel beter wat er aan de hand was dan ik. Hij was angstiger en had ook echt een schreeuwende honger. Ik kan mij die honger helemaal niet herinneren. Terwijl ik totaal ondervoed was. Ik had geen weerstand, ieder wondje werd een zweer.

Misschien heb ik dit er wel aan overgehouden: ik twijfel er niet aan dat zoiets nog een keer kan gebeuren. Het begint met idealisme, maar daarna gaat het altijd fout. Mensen die een heilstaat willen stichten moet je ten diepste wantrouwen, maar om nou te zeggen dat de mens van nature slecht is* ik weet het niet. Geneigd tot alle kwaad? Ja, dat misschien wel, maar dat is me dan toch weer te oudtestamentisch. Ik geloof eerder dat het onhandigheid is. Pure kwaadheid bestaat niet. Zelfs Hitler heeft het goed bedoeld voor zijn volk. Overigens: laatst keek ik naar ’In Europa’, over de terreur van Stalin, dat was pas echt een gruwel! Hitler was een kind vergeleken met Stalin.

Ik denk dat veel geweld voortkomt uit angst. Ik heb het zelf in het klein meegemaakt: de jongens die mij in elkaar wilden slaan waren vooral bang dat hun vriendjes hen anders niet voor vol aan zouden zien. De zwakkere pesten op het schoolplein, daar móet je aan meedoen.

Maar ik heb er niets aan overgehouden hoor, hooguit meer mensenkennis en een groter gevoel van mededogen.”

VII

„Mijn vriendin stuurde mij naar de psychiater om van mijn schuldgevoel af te komen. Mijn toenmalige ex was totaal in de war geraakt - heel erg aan de drank - en werd uiteindelijk ook opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ik wilde haar blijven opzoeken, had het gevoel dat ik haar niet in de steek mocht laten, maar die psychiater zei: ’Als je dat doet, gaan jullie allebei ten onder.’ Ik moest mijn hachje redden en dat heb ik ook gedaan. Niet dat ik nooit meer last heb van schuldgevoelens. Ik lijk wat dat betreft wel op mijn vader. Als ik naar buiten kijk en het regent, dan denk ik: dat is allemaal mijn schuld.

Met mijn ex is het nog redelijk goed gekomen. Ik heb geen contact meer met haar, maar ik hoorde laatst van Mascha, onze dochter, dat ze de drank redelijk kan laten staan en dat ze ook niet zo raar meer doet.

Na mijn echtscheiding – ik was vijfenvijftig – heb ik een inhaalslag gemaakt. Ik was inmiddels een redelijk bekende tekenaar en dat hielp enorm. Het was echt een openbaring. Ik had mijn leven lang gedacht dat ik lelijk was. Mijn vrouw zei ook altijd: ’Wees nou maar blij dat je mij hebt’ – en ineens ontdekte ik dat ik wél aantrekkelijk was en dat vrouwen verschrikkelijk verliefd op mij konden worden.

Ik heb Els voor het eerst gezien toen ze nog met Ischa Meijer was. Ik vond haar meteen een heel leuke vrouw. Toen ik haar jaren later weer ontmoette, was ze alleen. Ik dacht: met deze vrouw kan ik lezen en schrijven, bij haar ben ik op mijn gemak. Het was een verrukkelijk gevoel en dat is het nog steeds. We zijn al bijna zestien jaar samen. Een echtbreuk zit er absoluut niet meer in.”

VIII

„In de kunst heet zoiets beïnvloeding. Ik heb, aan het begin van mijn loopbaan, welbewust tekenaars geimiteerd, maar omdat ik niet goed kon imiteren werd het al vrij snel een Peter van Straaten. Ik ben geen echte tekenaar, zoals Dick Matena, ik heb mijn eigen vak gecreëerd en aangezien ik geen mensen ken die zich door mijn werk hebben laten beïnvloeden, zal het beroep Peter van Straaten zo goed als zeker met mij uitsterven.”

IX

„Ik heb een oor voor valse klanken, voor onoprechtheid. Ik ben zelf ook niet altijd even eerlijk, maar ik corrigeer mezelf van te voren. Het gevolg daarvan is dus dat ik zo min mogelijk zeg. Ik ben geen flapuit. Ik ben eigenlijk sowieso geen prater. Mensen denken wel eens als ik ergens binnenkom ’O, daar heb je Peter van Straaten, van die leuke cartoons, nu gaan we lachen!’. Dat is dus niet zo. Het tegendeel is waar. Ik zeg niets. Ik sta aan de kant kan en ik kijk toe. Ik ben in hoge mate géén deelnemer, een buitenstaander in alle opzichten. Niet om stof op te doen. Ik verbeeld me dat ik alles zelf verzin. Ik raak niet geïnspireerd door wat ik zie, maar door een wit vel. Dáár moet het gebeuren. Natuurlijk put ik uit mijn herinneringen, maar ik leef en werk vooral intuïtief. Nadenken is voor mij uit den boze. Ik wil niet weten waar het allemaal vandaan komt, ik wil niet diep graven, ik wil mijn onbevangenheid behouden.”

X

„Martin Veltman, de reclameman die ook dichter was, heeft eens in een interview gezegd dat dichten het alibi van zijn bestaan was. Dat is bij mij met het tekenen ook zo: een alibi van mijn bestaan. In navolging van Couperus zeg ik: zo ik iets ben, dan ben ik een tekenaar. Daar kan ik mee naar buiten treden. Zonder tekenen ben ik niets. En ik houd natuurlijk erg van tekenen, het is bijna een lichamelijk genot. Als het goed gaat, lijkt het op schaatsen. Wind in de rug, van die lekkere lange slagen. Ik ben wel eens jaloers op wat collega’s kunnen. Maar zou ik het willen leren? Dat kost jaren en die tijd heb ik niet meer. Dat is mijn handicap: ik wil alles meteen kunnen, anders begin ik er niet aan. En ik vind het ook al gauw goed. Els is wat dat betreft mijn strengste criticus. Laatst zei ze: ’Leuke cartoon, maar waarom heb je dat handje nou zo ongelukkig getekend?’ Ik hoop dat zij mij zal waarschuwen als het minder wordt. Ik wil het moment voor zijn dat iemand zegt: ’Kan die Van Straaten nou niet beter ophouden?’

Als het zover komt, stop ik met publiceren. Dat lijkt me een harde slag. Ik denk er liever niet over na. Memento mori is niet aan mij besteed. Ik doe gewoon alsof ik nog honderd jaar te leven heb.”

i Eerdere afleveringen vindt u terug op www.trouw.nl/tiengeboden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden