Peter Rester: dienstbaar tot in het einde

De naam 'De Suite' circuleert nog steeds in het Amsterdams muziekleven. De Suite Muziekweek heet het project dat jaarlijks onder de paraplu van het Muziekcentrum De IJsbreker wordt georganiseerd om zowel jong talent als nieuwe muziek een kans te bieden. Vorige week donderdag begon de aflevering 1995, dit keer gewijd aan composities uit Finland en de Baltische staten, uitgevoerd door Nederlandse musici. Een dag eerder stierf Peter Rester, 93 oud. Wat die twee feiten met elkaar te maken hebben? Die naam, De Suite. Meer zelfs.

Het is haast niet voor te stellen dat er een tijd was in het Amsterdams cultuurleven, dat de muziek op één plek geconcentreerd was: het Concertgebouw. De kleine zaal voor de gerespecteerde kamermuziek en de grote zaal voor de gerespecteerde symfonische muziek. En dan was er nog De Suite, letterlijk twee flinke kamers en suite, achterelkaar, in een herenhuis aan de Willemsparkweg.

Daar woonde een echtpaar met hart voor muziek, Peter Rester pianist en Hetta Rester-Scheffer. In 1953 begonnen zij er concerten te organiseren; de nadruk viel op jonge musici die nog te weinig gewicht hadden voor de kleine zaal, maar die zich toch wilden presenteren. Binnen de doelstelling vielen ook jonge componisten. In weinig jaren groeide De Suite uit tot een begrip. In het zaaltje konden maar zo'n zestig toehoorders, desondanks zaten er doorgaans vijf tot acht recensenten, de meesten van landelijke kranten. Waar anders kon je zoveel nieuwe namen noteren als in De Suite? En de recensent die niet kwam, werd voor het volgende concert opgebeld!

Bekende namen van nu maakten hun debuut op het postzegel-grote podium: Edo de Waart speelde er ooit als jong hoboïst en Peter Schat hoorde er als aankomend componist zijn werk uitgevoerd. De musicoloog Huib Ramaer die de geschiedenis van De Suite in kaart bracht, komt op een kleine duizend concerten die tussen 1953 en 1985 werden gegeven. Maar het was meer dan een concert kunnen geven in een zaal: de Resters begeleidden het jong talent ook met adviezen; in de huiskamer van het echtpaar werd menig concert zowel voor- als nabesproken. De huiskamer was ook kraamkamer voor ideëen en voor toekomstdromen, bijvoorbeeld over een levendiger muziekcultuur.

Die kwam er: in de gisting van de tweede helft van de jaren zestig kraakten componisten en musici noten. Uit die actie kwamen klonteringen van jonge, zich progressief noemden musici voort, ad hoc ensembles voor werken van één componist (zoals Peter Schat) of met een bepaalde doelstelling zoals het Asko-ensemble (1966), het orkest De Volharding (1972, met Louis Andriessen als eerste stimulator) en het Schönberg Ensemble (1974, met Reinbert de Leeuw als artistieke ziel).

Die groepen vonden nieuwe lokaties, weg van het Concertgebouw dat als burgerlijk werd bestempeld, al hunkerde iedereen naar de zalen vanwege de goede accommodatie. Maar men kroop toch liever in gebouwen die als 'progressief' ervaren werden, zoals Theater Carré en het Shaffy Theater, benutte leegstaande kerken (zoals Paradiso en de Parkkerk) of ontwikkelde muziektenten, c.q. ballonnen. Een zinderende tijd.

In dat klimaat nam de betekenis van De Suite af; Peter Rester liep tegen de tachtig toen besloten werd de organisatie voor een beperkter opzet in handen van jongere krachten te leggen. Ook de lokatie werd gewijzigd: de kleine zaal van het Concertgebouw! Daar presenteerden zich jonge musici en nieuwe muziek als New Vintage. Totdat in 1991 de Suite als 'muziekweek' introk bij De IJsbreker.

Wat De Suite was voor de jaren vijftig en zestig, werd De IJsbreker op groter, zelfs landelijke schaal voor de jaren tachtig en negentig. Weer een ruimte buiten het geijkte concertcircuit, een voormalig café-restaurant (van dezelfde architect als het Concertgebouw, A. L. van Gendt!), met een weliswaar grotere, maar even benauwde zaal als die dubbele huiskamer aan de Willemsparkweg. Jan Wolff, oprichter en leider van De IJsbreker, bleek uit hetzelfde hout gesneden als Peter Rester: het hout van doorzettend idealisme.

Als het er ooit nog eens van komt, dat nieuwe grootse gebouw, dat Centrum van Nieuwe Muziek dat Jan Wolff in zijn dromen al vele malen heeft gebouwd, en de gemeente Amsterdam voortdurend als een fata morgana vooruitschuift, als het echt gebeurt, moet één zaal vernoemd worden naar Peter en Hetta Rester. Want waar past een monument beter voor een man die zo dienstbaar was, dat hij ook zijn lichaam ter beschikking van de wetenschap stelde. De rouwadvertentie openbaarde nóg een charmant trekje van deze goedlachse man: zijn liefde voor Mozart: de eerste vier maten van het eerste deel uit de pianosonate KV 331, bekend om het derde deel, de Turkse mars. Inderdaad, de Resters sloegen niet voor niets op de grote trom.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden