Review

PETER HANDKE - Gerechtigheid voor Servië (2)Niemand kent Servië - vrij naar Alleen de doden kennen BrooklynEn ze miste, zei de oude vrouw, de Bosniërs, vooral ook vanwege het fruit.Het liefdeloze, kille smalen van Joseph Brodsky, als met een roestig mes g

“Daar beneden loopt de Drina, daar beneden moet Bajina Basta liggen, en daarachter meteen Bosnië.” In november 1995, kort voor het tot stand komen van de vrede op de Balkan, reisde de Oostenrijkse schrijver Peter Handke per auto en te voet door Servië. Hij beschrijft het dagelijks leven en brengt het poëtische in stelling ('stelling?') tegen de vastgeschreven taal en de verstarde beelden van de media. Dit literaire verslag gaat de strijd aan met de journalistiek, het is een strijd om de macht van het woord. Handke's Winterreis - bestaande uit 'Voor de reis', 'Naar de rivieren de Donau, de Sava en de Morawa', 'Naar de rivier de Drina' en 'Epiloog' - publiceren wij integraal: vorige week zaterdag de eerste aflevering, vandaag de tweede aflevering. “De grenswacht met zijn schietblik - of was dat een ongeneeslijke, ook ontoegankelijke droefheid? Alleen een god had die van hem weg kunnen nemen, en in mijn ogen stroomde de donkere verlaten Drina als zo'n god voorbij, zij het ook als een totaal machteloze god.” Vertaling Hans Hom. (c) Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main / Trouw, Amsterdam. Dit artikel verschijnt volgende week in boekvorm bij Suhrkamp: 'Eine winterliche Reise zu den Flussen Donau, Save, Morawa und Drina.'

Dat was de dag waarop het voor het eerst in Servië nog voor de schemering tamelijk koud werd, met een schijn van sneeuw. Maar met de volgende dag kwam toch nog een laatste keer de naherfstwarmte, zon zonder wind. Voordat we van het in sterke mate als door de vredesonderhandelingen bepaalde Belgrado vertrokken naar Zlatko's dorpsouders, die naar het heette al dagenlang een feest voor ons aan het voorbereiden waren, maakten we nog een omweg over de hoofdstedelijke markt, daar op de van het centrum flauw naar de Sava afglooiende terrashelling.

In niet weinige reportages heeft men zich, op meer of minder milde wijze, vrolijk gemaakt over de wel heel lachwekkende zaken waarmee de Servische bevolking, voor zover die niet tot de plaatselijke mafia behoort, handel probeert te drijven, van de kromste spijkers tot de dunste plastic zakjes en, laten we zeggen, lege lucifersdoosjes. Maar er bleken daar toch ook, zagen we nu, veel mooie, bekoorlijke en - waarom niet? - kostelijke dingen te koop. Moeilijk te zeggen voor iemand die niet rookt of bijvoorbeeld de van marktstal tot marktstalletje wisselende hoopjes dungesneden tabak, los en grasachtig, in de zelf te rollen sigaretten ook zo pittig smaken als ze eruitzien. Van de alleen maar op het eerste gezicht eenvormige of eentonige Joegoslavische broden daar op de markt, de wouddonkere potten honing, de kalkoengrote soepkippen, de andersgetint gele noedelnestjes of -kroontjes, de vaak roofdierspitssnuitige, vaak sprookjesachtig dikke riviervissen weet ik het wel. Maar wat er van zo'n marktbedrijvigheid, merkbaar bepaald als die daarbij was door een schaarstetoestand, als sterkste indruk achterbleef, dat was, en niet alleen bij de lekkernijen maar evenzeer bij de vele misschien werkelijk wel nutteloze spullen (wie weet), een levendigheid, iets opgewekts, iets luchtigs, bijna iets zwierigs aan het elders maar al te vaak pompeus en zwaarwichtig geworden, ook van wantrouwen vergezeld gaande, half en half verachtelijke gebeuren van koop en verkoop - een algemene bevallige vingerdans kriskras over het hele marktterrein, een dans van het handomdraaien. Uit het gedoe, de gemelijkheid en de dwangmatigheid van het louter en alleen transacties sluiten trad daar, in minieme mate maar toch myriadenvoudig, zoiets als een authentieke en, ja, volkseigen handelslust naar voren, waaraan wij mede-bedrijvers dan ook van onze kant plezier beleefden. Van hand tot hand gaan: zo'n uitdrukking kreeg hier in dit op zichzelf aangewezen land zijn betekenis terug, net zoals het woord 'stapelwaar'. Prijs de handel - had je zoiets ooit van jezelf gedacht (en dat niet eens op bestelling)? - En ik betrapte mezelf toen zelfs op de wens dat het afgesneden zijn van het land - nee, niet de oorlog - mocht voortduren; dat de ontoegankelijkheid voor de westerse of welke andere waren- en monopoliewereld mocht voortduren.

Tijdens de tocht naar het dorp Porodin staken wij eindelijk de veel- , misschien wel te veelbezongen, door de Turken- en Balkanoorlogen stellig ook in een symboolrol gedrongen en in een symboolbed gedwongen, maar nu gewoon alleen herfstachtig waterarme, steenkeiige rivier de Morawa over; naast de autobrug de vroegere overgang voor karren en voetgangers, half ingestort. Porodin vervolgens strekte zich uit als een straatdorp, misschien wel een van de langste van Europa, met meerdere kleine centra een soort dorpsstaat, zoals die in het district overigens, op grote afstand van elkaar, hier en daar inderdaad moesten bestaan. In een van de centra, bij een bazaar, bleven we nog even stilstaan. Voor de winkel een paar dorpelingen die, op het middaguur, bier dronken; in de jaren van beperking waren de cafés voor het merendeel van de bevolking te duur geworden, en zo was de winkel in een tapperij veranderd. Aan het huis er tegenover was een zwarte doek gespannen, het kleine kind dat daar woonde was kort geleden door een auto, op de gebruikelijke wijze door het straatdorp jakkerend, doodgereden. Toen vervolgens een jonge man, in boerenwerkkleding, met ontstoken ogen en als gezwollen lippen, de winkelruimte binnenkwam, wist ieder van ons meteen dat het de vader van het kind moest zijn.

Het huis, de boerderij, de hofstede van Zlatko's ouders - in werkelijkheid allang op naam van hun enig kind, de Serviër in het buitenland, overgeschreven - lag helemaal aan het eind van Porodin, in plaats van achter zeven bergen achter zeven lange bochten, geflankeerd eerst door de deels nog bloeiende bloemenhaag van zijn moeder en meteen daarna, zonder overgang, door het enorm grote modderterrein voor de schuren en stallen; de velden en wijnbergen daar verspreid bij, in de regel ver uit elkaar. De woonvertrekken vervolgens bevonden zich in verscheidene, moeilijk te doorgronden vleugels, overal nieuw aan oud vast- of op- of zelfs erin ingebouwd, weinig daarvan echter voltooid, zoals men dat bij zulke met horten en stoten aan geld komende en naar huis terugkerende arbeiders in het buitenland misschien kan verwachten: een van deze aanbouwvertrekken presenteerde zich, met een rits gloednieuwe stoelen van een om zo te zeggen Salzburgse elegantie, om een even glimmende, langwerpige ovale tafel, als een voor de rest lege, geheel en al ondorpse conferentiezaal, en in de etage, drie hoeken om, wachtte de gast een barokblauwbetegelde badkamer, waarin vader noch moeder zich zichtbaar ooit binnen hadden gewaagd; en het verbazingwekkendste misschien was om in dit nieuw-oud-ineengeschoven - en wie eigenlijk toegedachte? - woongedeelte hier en daar wel op een smalle keukendivan te stuiten, maar nergens op zoiets als een ouderlijke slaapkamer of een tweepersoonsbed: “Waar slapen je ouders, Zlatko?” - “Waar ieder op dat moment is, de ene keer hier, de andere keer daar, mijn vader soms beneden in het souterrain, mijn moeder meestal boven bij de televisie.”

Te eten was er onder andere kippesoep, een speenvarken en de 'Servische' koolsla, met daarbij een even dieptroebele als heldersmakende eigen wijn van de hellingen aan de overkant van de weg, waar het laatste wat toen nog in de schemering zichtbaar was de hemelwaarts grazende schapen waren. Tussendoor bij de gesprekken van de naar huis gekomen zoon met vader en moeder verstond ik ondanks ingespannen luisteren letterlijk helemaal niets meer - was dat eigenlijk nog wel Servisch? Nee, de familie was onwillekeurig overgegaan op het Roemeens, de omgangs- of vertrouwelijkheidstaal van de meeste dorpsbewoners; als een dergelijk taaleiland stond Porodin ook bekend. Maar of zij zich dan eigenlijk wel Serviërs voelden? Natuurlijk - wat anders? Terug naar Belgrado hadden wij een fruitkistje mee, waar de druiven over de rand hingen, die toen we de stad binnenreden stuk voor stuk een schitterlichtje kregen.

De enige ietwat officiële dag in Servië volgde dan met de tocht naar het zuidelijke bergland, naar het middeleeuwse kerken- en kloostercomplex van Studenica, een nationaal heiligdom; een reis binnen, of buiten? de reis. Wij maakten de tocht in gezelschap van de beroemde schrijver Milorad Pavic, een oudere heer van een voorname waardigheid, die, vertelde hij, weliswaar al heel lang schreef, maar tot aan zijn eerste successen als ruim vijftiger veeleer alleen als hoogleraar in de literatuurgeschiedenis bekendheid genoot, specialisme de Servische barok, met gastcolleges aan de Sorbonne en ik dacht Princeton. En tegelijkertijd was dat de dag van de eerste sneeuw, meteen 's morgens al bij het vertrek uit Belgrado, een novembersneeuwbui, waarmee ook talrijke boombladeren op de grond vielen, gepaard gaand met windstoten die de niet erg stabiele Joegoslavische paraplu's binnenstebuiten keerden. In de dichter wordende sneeuwjacht werd toen op aandringen van de nationale schrijver gestopt bij een wegrestaurant, voor het drinken van . . . , met bijvoeging weliswaar van heet water, geserveerd door een vereenzaamde wegrestauranthouder die, zoals bijna de hele bevolking op de vijf uur lange verdere weg, 'Gospodin Pavic' kende (denkelijk niet alleen maar van de televisie, de Serviërs zouden een volk van lezers zijn).

Kragujevac, Kraljevo - vrij grote midden-Servische steden, waarna het zuidwaarts ging tot in een heel ander Servië, bergachtig, vol ravijnen, haast onbewoond, en hier en daar een kasteelruïne rondom een kale berg, lijkend op een verlaten castillo in de Spaanse Meseta. En gaandeweg raadde ik dan bij iedere plek of landschapsvorm die de aandacht trok al bij voorbaat dat mijn buurman achter in de auto daar al iets over gemaakt had, en raadde bijna steeds goed, zelfs of het, bij die dorpskerk, proza was of bij die bergrivier een gedicht.

Bergop naar het klooster, langs de door onbewoond gebied stromende beek de Studenica (wat ongeveer ijskoud water betekent), werd het barre, bitterkoude winter, zoals die ons dan ook bijna alle resterende dagen stond te wachten. Boven de oude Byzantijnse kerknederzetting, op een dalzool op bijna duizend meter hoogte boven de in Servië zo voelbaar verre zee, stoven de vlokken als sinds eeuwigheden. Op de fresco's herkende ik de rondachtige avondmaalstafel uit de Oostromeinse kerken van Ohrid, van Skopje, van Thessaloniki, Jezus en de apostelen er om vergaderd als om de Ptolemeïsche wereldschijf, en een Johannes de Doper had iets van Che Guevara, de door een lichte beharing omgeven tepel als een minuscuul klein kogelgaatje.

En in het gastenvertrek van het klooster aan de andere kant van de ijzige binnenhof, bij een openhaardvuur, dat veeleer in een witte bakoven leek te branden, liet de natuurlijk orthodox-baardige abt na de lepelsgewijs gepresenteerde gastvrijheidszoetigheid de warme, met water aangelengde pruimenjenever (alweer!) serveren en liet zich het woestelingenbrouwsel voorwaar ook zelf smaken. En sneeuwvlaag na sneeuwvlaag toen langs de ramen van het hotelrestaurant beneden het klooster, de bergwanden daarachter meteen al opgelost in de vroegwinterse duisternis, de voor de rest onverwarmde eetzaal flauwtjes doorwaaid door een schoenendoosgroot straalkacheltje. Klamheid, blootgesteldheid, afgezonderdheid. VERVOLG OP PAGINA 18

VERVOLG VAN PAGINA 17

En tegelijkertijd stond het idee me aan om hier op deze als allerafgelegenste plek van de wereld zo'n stikdonkere nacht door te brengen, en was toen bijna teleurgesteld dat de sneeuwval onze terugtocht niet verhinderde.

Toen ik S. veel later met betrekking tot deze - bij dit alles toch voortdurend enigszins officieuze - dag naar een zo onbeduidend en bijkomstig mogelijk detail vroeg, kwam zij met het moment van de crêpes of palacinke, daar in het koude restaurant: toen die koud en duimdik werden geserveerd en monsieur Pavic daarbij opmerkte dat het hopeloos was, nooit zouden de Serviërs het leren om crêpes te maken. Ja, en toen schoot het ook mij te binnen dat de dichter, geheel tegen de regel in zijn boek, water in de wijn goot (in plaats van andersom) en dat hij daarop verklaarde dat dit toch mineraalwater was, en dat beschouwde hij niet als water. En ja, op een gegeven moment tijdens de lange autorit had hij het over de in ballingschap levende Servische koning gehad, die intussen (sinds het uiteenvallen van Joegoslavië) al een stuk beter de taal van zijn voorvaderen beheerste, en dat hij, lid van de kroonraad, door de koning steeds vaker werd uitgenodigd om naar Londen te komen, of ze ontmoetten elkaar ook wel in Griekenland - en toen was ik het die vertelde, over mijn Sloveense grootvader in Karinthië, dat hij bij het referendum van 1920 voor aansluiting bij het zojuist gestichte Joegoslavië had gestemd, en dat ik dat altijd als een keuze voor het Slavische beschouwd had, tegen het in 1918 tot een klein Duits gekrompen Oostenrijk - en dat ik me inmiddels echter afvroeg of zijn keuze misschien niet, na het einde van het Habsburgse imperium, met het uitroepen van de republiek, uit een nostalgisch verlangen naar of een behoefte aan, zo al niet een keizer, dan toch ten minste een koning was voortgekomen, zoals de jonge Joegoslavische natie er een aan het hoofd had staan?

Op diezelfde ietwat officiële dag had ik 's avonds nog een afspraak met de 42-jarige Dragan Velikic (twee schrijvers op één dag), die ik een keer, in de jaren voor de oorlogen, in Lipica in de Sloveense Karst had ontmoet. Ik ken van hem twee van zijn korte romans, de eerste Via Pula waarin over de jeugd van een Serviër in het Kroatische Pula wordt verteld, tamelijk vrij, met herhaaldelijk overgangen naar of gezichten op mogelijke tweede of derde levens, en vervolgens De tekenaar van de meridiaan, pas hier nadat ik terug was gelezen (beide verschenen bij Wieser Verlag). Het laatste boek is een zeer verspiegelde en ook gebroken, als het ware uit scherven bestaande geschiedenis over het in stukken gevallen Joegoslavië - vertelling en het vertelde werken op elkaar in en doen ten slotte naast 'boek' en 'land' een derde ding ontstaan.

Velikic schrijft weerbarstig; een weerbarstig dichter, geboren uit het op elkaar botsen van geografisch-historische grootheden en het dienovereenkomstig versplinterde ik, dat tegelijkertijd toch niet minder 'Ik!' is; dit blijft de substantie van het boek of het steunvlak dat de splinterdingen en -passages bijeenhoudt. En natuurlijk moeten daar voorbeelden bij.

“Het leven als graf. Iets anders is waarschijnlijk niet mogelijk in een land waar op het draaipunt van de winden al eeuwenlang de listige eunuch met het zijden koord, de slangeogige pijdrager en de baardige schismaticus tegenover elkaar staan. Alleen door misleiding laten ze zich aaneensmeden.”

Of: “In de Europese steden vegeteerden (1995) enclaves van Belgradose jeugd, gevlucht in het begin van de jaren negentig, tijdens de oorlog in Kroatië en Bosnië. Het was hun lot dat men hen vergat. Want de strijdende partijen, de oorlogshonden, zijn van dezelfde stam, hoe ze ook mogen heten en met hoeveel vingers ze zich ook mogen bekruisen. Als ze zich dan bekruisen.”

En: “Gelijk een ingeslapen schorpioen, die zijn jaren in een groene muur doorbrengt, droomt hij (de held) het niet verwezenlijkte leven. Het is onmogelijk de ader die begint te trillen stil te krijgen.”

Op die late avond in Belgrado maakte Dragan Velikic, die ik in mijn herinnering had als krachtig, vurig, daarbij opmerkzaam en vol vertrouwen, aanvankelijk eerder een bedrukte en ontmoedigde, bijna vleugellamme indruk op me. Ook de plaats van onze samenkomst was misschien al niet de goede: het vermeende privé-adres bleek een kleine uitgeverij te zijn, waar samen met Velikic al een paar andere personen uit die wereld wachtten, stellig ongewild met het aanschijn van samenzweerders. En omdat er op dit late uur ook niet meer de uitwijkmogelijkheid bestond van een van de cafés in de buurt, zette het officiële, als voor-geprotocolleerde van deze dag zich nu op merkwaardige wijze tot diep in de nacht voort.

Het hing in de lucht dat er nu een soort gedachtenwisseling plaats zou hebben over de stand van zaken, over de Bosnische oorlog, over de Bosnisch-Servische, over de Servisch-Servische rol daarin. Wij zaten lange tijd bijna zwijgend bij elkaar, geprikkeld, ons geen raad wetend, bij een reuzenfles Frascati, een bovendien nog stokoude, terwijl de jonge inlandse witte wijn zo veel beter smaakte; Dragan had weliswaar een fles met de beroemde Riesling van Palic meegenomen, maar juist bij de rondom heersende sprakeloosheid ging die niet lang mee en was daarenboven ook aan de bejaarde kant: vreemd om op het etiket het oogstjaar 1990 te zien, na de kleine Sloveense oorlog en voor de grote andere.

Het ergste of pijnlijkste ogenblik kwam toen iemand vervolgens een aandenken uit de oorlog in Bosnië liet rondgaan, naar het heette de besturingscapsule van een in de afgelopen herfst op de Servische republiek daar afgevuurde Tomahawk-raket. Het was een ongeveer rugbybalgroot, daarbij enorm zwaar stalen geval, tussen halve bol, ronde kegel en miniatuurpiramide in, dat zich kort voor het bereiken van het doel van het projectiel zou afkoppelen, en men had het souvenir (inderdaad met een zichtbaar echt herkomstplaatje van de US-Air Force) uit het Bosnisch-Servische centrum Banja Luka. Maar in plaats van mezelf daardoor dicht bij het gebeuren te zien, voelde ik ons allemaal bij elkaar plotseling in het nergens terechtgekomen, en ook dat er nu niets meer te zeggen viel; en ik geloof dat het niet mij alleen zo verging.

Gelukkig kreeg ik de ingeving Velikic naar zijn Pula en Istrië te vragen, en hij vertelde, even opgelucht als de anderen ook, dat het huis dat hij daar huurde door Kroatische militairen was bezet, er woonde een officier in, terwijl hij, hier vanuit Belgrado, de huur doorbetaalde - krachtig, kort lachen - waarom ook niet? En de geanimeerdheid bleef, tot er zich weldra een algemene samenspraak ontspon over grote en kleine plaatsen, bijvoorbeeld over Wenen, waar zijn kleine zoontje toen ze daar de vorige zomer verbleven alle overstapmogelijkheden van alle U-Bahnstations uit zijn hoofd kende, of over Feldafing in Beieren.

En toen werd het langzamerhand toch vanzelfsprekend om op het huidige Joegoslavië over te gaan. Vooral één in het vertrek was er, bij wie het er ten slotte waarlijk werd uitgeschreeuwd hoe schuldig de Servische machthebbers aan de ellende van hun volk waren, van de onderdrukking van de Albaniërs in Kosovo tot aan het lichtvaardige toelaten van de Krajina-republiek. Het was een hartekreet, en geen meningsuiting, niet maar een oppositionele stem uit een culturele cercle in een achterkamer. En deze Serviër had het ook enkel en alleen over zijn eigen regeerders; de oorlogshonden van elders bleven ongenoemd, alsof hun daden al vanzelf ten hemel, of waarheen dan ook, schreiden.

Maar vreemd: hoewel ik tegenover deze man eindelijk niet meer het gevoel had dat er nog iets officieels of vooruitgeplands aan de situatie was - in plaats van statements af te geven, leed hij, duidelijk en toornig -, wilde ik het verdoemen van de bewindvoerders niet horen; niet hier, in deze vertrekken, en ook niet in de stad en in het land; en niet nu, nu het misschien toch om vrede ging, na een oorlog die mede was uitgelokt en in laatste instantie misschien ook nog wel beslist was door vreemde, heel andere machten. (Dat hij mij daarna bij het afscheid omhelsde was, dacht ik toen, omdat hij zich begrepen voelde, en ik vraag me nu af of het niet juist uit precies het tegenovergestelde was.)

De reis tweede deel: naar de rivier de Drina

Daarna begon het laatste gedeelte van onze reis, en dat werd af en toe, nee, van begin tot eind, avontuurlijk. Wij vertrokken bij nog steeds novemberachtige, met bladeren vermengde sneeuwval uit Belgrado, dit en hotel Moskwa voorgoed achter ons latend, naar de grens met Bosnië. S. was 's morgens terug naar Frankrijk gegaan, omdat de kinderen daar na de herfstvakantie weer naar school moesten, en nu zochten wij, Zlatko, Zarko en ik in de auto van eerstgenoemde ons een weg naar Bajina Basta aan de Drina, waar de vroegere vrouw van de tweede met hun beider dochter woonde. Zochten - want hoewel de vader het traject in de loop van de achttien levensjaren van zijn kind steeds weer was gereden, kwam hem nu geen enkele van de wegen bekend voor, want hij had altijd de bus genomen (en kaarten speciaal van Servië waren op dat moment niet te vinden).

Daarvoor echter, voordat we de hoofdstad verlieten, werd het tijd om de eerste keer te tanken in dit, in de volksmond, 'land met de meeste benzinestations ter wereld' - in de gedaante van de jerrycan - en flessenaanbieders dicht opeen langs de kant van de uitvalswegen. En ook bij alle keren daarna dat we brandstof kochten heeft mijn eerste indruk daar zich gehandhaafd dat de groenroodgroene dikke vloeistof zoals die met een trage en goed zichtbare brede straal door uitermate behoedzame handen telkens in de tank werd gegoten, zich als nooit tevoren liet zien als dat wat ze inderdaad ook was: iets tamelijk zeldzaams, een kostbaarheid, een bodemschat - en weer kon ik volstrekt geen bezwaren vinden aan mijn wensvoorstelling dat een dergelijke manier van tanken nog lang zo in gebruik mocht blijven, en misschien zelfs overgenomen werd door andere landen op Gods aardbodem. (Daarna werden wij echter, alsof ze iets hadden geroken, door een politiepatrouille aan een controle onderworpen, en omdat 'Zlatko Bo.' - luidens Servisch rijbewijs - in de auto van iemand anders, 'Adrian Br.' - luidens Oostenrijkse verblijfsvergunning - reed, moest er een niet al te hoge boete betaald worden; was het uitgekomen dat de beide namen voor een en dezelfde persoon stonden, dan was de zaak misschien minder gemoedelijk afgelopen.)

Onze reis naar de Drina ging zo'n beetje zuidwestwaarts, door een vlak en uitgestrekt akkerland, lange tijd zonder ook maar het kleinste heuveltje, volgens Zarko, wiens weg naar huis dit nu was (en niet meer zoals in de eerste dagen die van Zlatko, de Oostserviër), 'eindelijk het karakteristieke Servië'. De sneeuw begon op het open land daar weldra dichter te vallen, en na ongeveer de derde keer verkeerd rijden - de paar zondagmiddagse mensen langs de wegen bleken, om inlichtingen gevraagd, zoals het hoort stomdronken - schemerde het alweer, in een niet nader bekend, naamloos tussengebied lang voor het volgens onze steeds stiller wordende gids 'grote woeste gebergte', dat wij hadden te bedwingen voor we op onze bestemming waren. Er toch al op rekenend dat wij die niet meer zouden halen stopten wij bij een eenzaam landwegcafé, waar in plaats van het vroegere Tito-portret het portret van een Servische heldengeneraal uit de Eerste Wereldoorlog hing; op de tafel een krant van de vorige dag, de Vecerni Novosti, waarvan de voorpagina een week later reusachtig groot het woord . . . MIR, VREDE, zou dragen (waarop ik dacht: in welke Duitse krant zou dat in 1945 zo monumentaal hebben kunnen staan?).

Zoals het in verdwaalgeschiedenissen geregeld heet: 'op de een of andere manier' bereikten wij de stad Valjevo, het uitgangspunt van de weg over het gebergte. Dit had de naam 'Debelo Brdo', de Dikke Berg, en de pas voor Bajina Basta - dat onze gids in de toenemende, allang nachtelijke sneeuwjacht als 'Tuin van Baja' (= Servische held tegen de Turken) vertaalde - zou ver boven de duizend meter liggen. De weg bergop werd zienderogen wit, een wegslippen van de wielen bij de minste of geringste poging tot remmen, en de lucht even zienderogen zwart, heel vlug geen lichten meer, noch van een huis noch van een andere auto, en de dag daarop was te vernemen dat de avondbus van Belgrado in Valjevo was blijven schuilen en de passagiers daar in de stad aan de voet van de bergen hadden overnacht.

Toen een lang tussenstuk ongeasfalteerd was, met kratergrote gaten dicht op elkaar, waar onze chauffeur als bij een rally tussendoor zigzagde, waren wij toch vol goede moed, want op de kale grond was de sneeuw nauwelijks blijven liggen. Onze loods merkte toen op dat op de weerkaart 's morgens op de televisie vanaf Valjevo geen sneeuwsterren meer waren ingetekend. En nu sneeuwde het na elk van de langgerekte bochten harder en harder, en op misschien halverhoogte kwam ook de wind er nog bij, weldra al een gebergtestorm, waardoor de vlokken snel tot duinen werden opgewaaid, hier lage, zich verder verplaatsende, daar vastliggende, in massa toenemend, links en rechts over de smalle weg. Met een grootmeesterlijk gelijkmatig tempo chauffeerde de kaartspeler en café-uithangbordenschilder er door- en overheen, ook wanneer het op een steiler stuk zaak was een andere versnelling te kiezen; van een terug kon geen sprake meer zijn (was dat ook niet een uitdrukking uit avonturenverhalen?).

Af en toe maakte nog iemand, terwijl hij tegelijkertijd strak voor zich uit bleef kijken, een afleidende opmerking, maar kreeg ternauwernood nog antwoord. En toen sprak tijdens de verdere tocht over de Dikke Berg van ons drieën misschien een uur lang niemand ook maar een stom woord; en ook Ceca zong niet meer, en niet meer de Servische volkszanger Tozovac. Als ons in het traag rondlopende schijnwerperlicht behalve de sneeuwbanken, horde na horde, al iets tegemoetscheen, dan waren het de rotswanden, die steeds naakter werden. En mijn gedachtenspel was: gesteld dat de auto nu of nu bleef steken - in welke richting moest ik me dan op weg begeven? En hoe ver zou ik dan wel komen, zo zonder muts en fatsoenlijk schoeisel? Spannend! En bijna jammer dat het door de sneeuwvlagen heen eindelijk niet eens flink begon te bliksemen, zo'n blizzard had de sneeuwstormnacht hoog in het Balkangebergte compleet gemaakt, ook de ongerustheid in iets anders veranderd, in paniek? Of misschien juist in het tegendeel daarvan?

'Op de een of andere manier', bijna stapvoets rijdend, kwamen wij over de pas en vervolgens omlaag naar regionen waar het rustiger sneeuwde, na alles hiervoor bijna als in paradijselijke velden, en de sneeuw hier en daar zelfs de rijbaan vrijliet - waarop onze gids ergens in diepte naar de duistere dalbodem wees en opgewonden de eerste zin sinds om zo te zeggen mensenheugenis sprak: “Daar beneden loopt de Drina, daar beneden moet Bajina Basta liggen, en daarachter meteen Bosnië.”

Merkwaardig belgezoem daarna aan de deur van een appartementenflat aan de helverlichte hoofdstraat van een zoals het eruitzag zondagavondstille Joegoslavische provinciestad, die ondanks alle onbekendheid iets vertrouwds had (en ik weet nu dat ik veel langer dan 30 jaar geleden ergens diep in Kroatië ook op zo'n manier voor de deur van een jeugdvriendin aankwam). Vervolgens drie goed verlichte en, zeldzaamheid in heel Servië, zelfs warme vertrekken. De welkomst-confiture weer, met de waterglazen, waar dan de eetlepels in werden gezet; de vrouw des huizes, eens archeologiestudente in Belgrado, nu secretaresse bij de Drina-energiecentrale dicht bij de stad; de wanden in de kamer van de dochter een en al posters van de eeuwig jonge James Dean, Sarma (een soort kruidencompres), Kajman (de roomkaas), brood en wijn van Smederevo (waar de Donau zonder gerucht stroomt); tussendoor af en toe een blik door de zeer dicht gesloten gordijnen op de Balkan-binnenplaats, waaraan eendere flats grensden: sneeuw, sneeuw en steeds maar doorsneeuwen.

En Olga, de plaatsbewoonster, de vrouw uit Bajina Basta, die tegelijkertijd bijna alle films van de wereld kende, vertelde dat de bevolking van de oorlog op een kilometer afstand bijna niets had gemerkt. Steeds weer zouden er met troepen tegelijk lijken uit Visegrad stroomafwaarts de Drina af zijn gedreven, maar ze kende niemand die dat met eigen ogen had gezien. In ieder geval werd er in de rivier, voor de oorlog 's zomers vol zwemmers, aan de Servische en aan de Bosnische oever, van de ene naar de andere, van de andere naar de ene, niet meer gezwommen, en natuurlijk waren ook de rondvaarten opgeschort.

Heel erg misten zij en haar dochter de gezamenlijke tochten dwars door Bosnië naar Split en vooral Dubrovnik aan de Adriatische Zee, en zelf ontbeerde ze hevig het samenzijn met haar moslim-vrienden, uit Visegrad, de Bosnische plaats die haar het dierbaarst was (Ivo Andric' De brug over de Drina speelt daar), ofwel uit Srebrenica dat, stroomafwaarts, nog iets dichterbij lag. En ze was ervan overtuigd dat daar bij Srebrenica in de zomer van dit jaar 1995 die duizenden mensen om het leven gebracht waren. In het klein, in het veel kleinere, was zo de hele Bosnische oorlog geweest: de ene nacht werd een moslimdorp gemoordschat, de volgende nacht een Servisch, enz.

Nu waren hier in de grensstad de Serviërs geheel onder elkaar, en niemand had de ander meer iets te zeggen. De gloednieuwe, quasi-elegante zaken en bars aan de hoofdstraat waren het eigendom van Bosnisch-Servische oorlogswinstmakers, en nooit zou ze daar een voet zetten. Ze kwam de maand door, hoe bescheiden ze ook leefde, alleen door de DM-steun van de kant van haar vroegere man, en de anderen?, waren aangewezen op relaties met buren zoals zij, die nog enigszins iets te missen hadden - en ondanks het materiële gebrek was de nood vooral een innerlijke; afgesneden van de vroegere wijde wereld, aldoor maar onder haars gelijken, kwam het haar vaak zo voor alsof ze dood was. Hadden er dan nog liefdes plaats, werden er nog kinderen verwekt? 'Hoogstens onder de vluchtelingen.' (En hier lachte de nog jonge en jeugdige vrouw zelfs een keer zelf.)

Weliswaar waren er af en toe journalisten uit het westen opgedoken - wat in dit geval ook Bosnië betekende -, maar die hadden alles al vooruit geweten, en daar waren ook hun vragen naar geweest; niet één had zich voor het leven van de mensen hier in de grensstad ook maar een klein beetje open of zelfs maar nieuwsgierig getoond; en de VN-waarnemers waren snel uit hun hotel vertrokken, omdat ze zich zelf geobserveerd voelden.

Daar, in hotel Drina, in onverwarmde kamers, sliepen toen ook Zlatko, alias Adrian, en ik. Er waren niet echt gordijnen, en steeds wanneer ik gedurende die eerste nacht, bij de schelgele verlichting van buiten, mijn ogen opendeed, bleef voor het raam de sneeuw vallen en vallen, en dat ook nog de volgende morgen en al de Bajina Basta-dagen en -nachten lang. De stad raakte ingesneeuwd. De terugweg over de Dikke Berg was allang afgesneden, er restte alleen de weg door het dal van de Drina noordwaarts, zo vernam Zlatko - wiens gezicht en handen opgezet waren van de kou - van een paar jonge militiesoldaten, die, machinepistolen binnen handbereik, naast ons aan het ontbijt zaten; maar of er ook een sneeuwploeg reed?

En bijna vrolijk werd besloten dan maar zolang te blijven als nodig was. Wij kochten schoenen en mutsen voor de sneeuw, en gezien de aarzelende houding van de verkopers telkens wanneer wij, denkelijk zichtbaar vreemden, hier een winkel binnenkwamen, stelde ik me voor dat de 'potentiële klanten' al die oorlogsjaren lang zich dan allemaal hadden ontpopt als buitenlandse verslaggevers, die in plaats van ooit iets te kopen enkel en alleen, voor hun onderzoek, naar de prijzen informeerden.

Verweerde, als provisorch geüniformeerde mannengestalten dan alom op de grensstraten, in de grenscafés, en onwillekeurig zagen wij, ook Zarko, die na de nacht bij zijn episodische gezin zich weer bij ons gevoegd had, daarin natuurlijk (?) paramilitaire killers, moet je die ogen maar kijken, 'dodingservaren'; maar kregen toen van de plaatselijke bibliothecaris, een lezer (bijvoorbeeld van Nathalie Sarraute en Fernando Pessoa), die met ons mee was, te horen dat dat de bosarbeiders en houtvesters waren van de Dikke Berg, die was zoiets als een nationaal park, in elk geval een soort recreatiegebied, met een spar die nergens anders op de wereld voorkwam, een overlevende uit de laatste tussenijstijd; en we vermoedden in deze lieden dan toch weer bendeleden, alleen dus verkleed als boswachters of jachtopzieners. VERVOLG OP PAGINA 19

VERVOLG VAN PAGINA 18 Wij liepen de stad uit naar de Drina, naar de grensbrug. Misschien werden we tegen de verwachting in toch doorgelaten en konden we naar Bosnië aan de overkant, dat daar achter de sneeuwvlagen, de heuvels en bergweiden nu eens scherp omlijnd, dan weer verdwenen, ver en dichtbij leek. Tamelijk veel mensen waren in de hoge sneeuw onderweg, maar voornamelijk bejaarden en kinderen, welke laatsten richting stad, nadat ze de brug waren overgegaan, denkelijk naar school gingen, met veelvormige, uit alle windstreken afkomstige hoofdbedekking, daartussen een grijsaard, de schedel met een gerafelde handdoek omwikkeld.

Vanuit hun groepjes zeiden deze kinderen steeds weer 'How do you do?' en stikten daarna van het lachen. Bijna alle tegemoetkomenden, jong of oud, misten meerdere tanden, zo ook de grenswacht aan de Servische kant van de brug, die ons ten slotte doorliet, wel op eigen risico; de Bosnische Serviërs waren z

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden