Persbreidel moet vriendelijk imago van Tunesië instandhouden

Tunesië heeft het imago van een gematigd land. Maar het is ook een politiestaat. President Ben Ali heeft een effectief veiligheidsapparaat, dat maakt dat weinig Tunesiërs openlijk kritiek durven te uiten.

GERBERT VAN DER AA

Tunesië doet het economisch, met zo'n vier procent groei, prima. Toch bedraagt de werkloosheid nog altijd 15 procent. Daarom willen veel mensen graag lid worden van de RCD, maar dat gaat niet zomaar. “Je moet worden gevraagd”, zegt Hassan trots. “De partijleiding selecteert nieuwe leden op uitstraling en leiderskwaliteiten.” Over de reden waarom juist hij werd gevraagd, hoeft Hassan niet lang na te denken. “Ik ben erg populair op de faculteit en ik doe aan taekwondo.”

Met drie argumenten prijzen de autoriteiten Tunesië aan als een mild land: vrouwen hebben dezelfde rechten als mannen, er bestaan meerdere politieke partijen en een fundamentalistische oppositie zou er niet zijn. Maar dat beeld vertekent de werkelijkheid. Vrouwen hebben het in Tunis inderdaad beter dan elders in de regio maar een fundamentalistische oppositie bestaat er wel degelijk. Met harde repressie heeft Ben Ali die onschadelijk gemaakt. Ook belemmert hij andere politieke partijen in hun activiteiten. In feite is Tunesië een ouderwetse eenpartijstaat, waar zelfs lichte kritiek op Ben Ali niet wordt getolereerd.

Mohammed Mouadda, leider van de grootste legale oppositiepartij Mouvement Democrates Socialistes (MDS), ondervond wat er gebeurt als je in verzet komt. In een open brief aan Ben Ali, die geen enkele krant durfde te publiceren, stelde hij vragen bij de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 1995. De partij van Ben Ali won die met 99,95 procent. Mouadda vond dat een partij die zich democratisch noemt aan zichzelf moet gaan twijfelen als ze verkiezingen met zo'n meerderheid wint. Volgens hem moest er wel op grote schaal zijn geknoeid.

Mouadda klaagde ook over de perscensuur, die een paar jaar geleden werd verhevigd om de illegale islamitische oppositiepartij Enahda geen podium te geven. Mouadda, zelf fel tegen Enahda, vond dat Ben Ali het “groene gevaar” misbruikte om de rest van de oppositie monddood te maken. Hoewel Mouadda altijd een goede relatie met de president had, kreeg hij in februari vorig jaar elf jaar wegens spionage. Khemais Chammari, parlementslid voor de MDS en de enige Tunesiër die zich openlijk achter Mouadda schaarde, kreeg 5 jaar, voor dezelfde aanklacht. In beide gevallen was er geen overtuigend bewijs, ingewijden gaan ervan uit dat ze om politieke redenen zijn opgesloten, maar geen Tunesiër durft dat in het openbaar te zeggen. Begin deze maand liet Ben Ali het tweetal met een ruim gebaar vrij.

“Dus u wilt weten wat ik van de veroordeling van Mouadda en Chammari vind”, zegt Zyed Krichen, redacteur van het tijdschrift Réalités. Réalités is een van de weinige Tunesische bladen die nog wel eens een kritisch verhaal publiceren. Maar de redactie kent de grenzen. Krichen zegt liever niets over de kwestie-Mouadda. “U begrijpt zelf waarschijnlijk wel waarom”, zegt hij met een ongemakkelijk lachje.

Voor het kantoor van Réalités aan de Rue Palestine in Tunis liggen de nummers voor de komende week klaar. “Quelle Liberté pour la Presse?”, kondigt de voorpagina aan. Het artikel staat vol voorzichtige, wollige kritiek. “De informatievoorziening in ons land”, schrijft de anonieme auteur, “is, afgezien van enkele uitzonderingen, op de hand van de autoriteiten en is niet even ver ontwikkeld als andere sectoren in de maatschappij”. Krichen, in een aarzelende reactie: “Ik denk dat het duidelijk is wat we bedoelen. Persvrijheid ligt nogal gevoelig in Tunesië.”

Echt kritische verhalen over Tunesië verschijnen alleen in de buitenlandse pers. Importeurs van buitenlandse kranten en tijdschriften zijn verplicht de inhoud te laten controleren. Als een blad onwelgevallige informatie bevat wordt de totale oplage geweerd. Franse kranten als Le Monde en Libération zijn regelmatig niet te koop. Buitenlandse journalisten hebben het moeilijk. Wie officieel als journalist het land bezoekt, wordt scherp in de gaten gehouden en veel correspondenten zijn het land uitgezet. De Tunesische autoriteiten hopen met die persbreidel het imago van Tunesië als een vriendelijk vakantieland in stand te houden. Het toerisme levert 20 procent van de buitenlandse deviezen. Afgelopen jaar ontving het land het recordaantal van 4,2 miljoen buitenlandse bezoekers, op een bevolking van 9 miljoen.

De fundamentalistische oppositiepartij Enahda is het voornaamste slachtoffer van de onderdrukking. Ben Ali is er doeltreffend in geslaagd Enahda uit te schakelen. Het veiligheidsapparaat van de president, die in de VS een opleiding volgde aan de Special School of Intelligence and Security, is een van de meest effectieve in de Arabische wereld. Telefoons van politiek actieve personen worden op grote schaal afgeluisterd en een netwerk van informanten zorgt ervoor dat verzetsgroepen zich niet kunnen organiseren.

Honderden leden van Enahda zitten gevangen. Hun leider Rachid Ghanouchi woont als balling in Londen. Vrouwen met hoofddoeken en mannen met baarden laden de verdenking op zich dat ze Enahda steunen. Ze worden regelmatig lastig gevallen. Veel Tunesiërs maken zich zorgen over de repressie. “Tot nu toe is Ben Ali erin geslaagd op deze manier de orde te handhaven”, zegt een oud-lid van de Mouvement de la Tendance Islamique (MTI), de voorloper van Enahda. Zijn naam wil hij niet in de krant. “Vergeleken met Algerije leven we in een oase van rust. Maar ik vraag me soms af voor hoe lang. De autoritaire regeerstijl van Ben Ali heeft ervoor gezorgd dat er nauwelijks nog een onafhankelijk functionerend rechtsapparaat is. Regeringsfunctionarissen vullen ongegeneerd hun zakken. Door de strenge censuur krijgt de pers niet de kans die wandaden aan de kaak te stellen. Zo ontstaat een regerende klasse van parasieten.”

De censuur bevordert volgens hem ook de populariteit van de fundamentalisten. “De bevolking denkt dat Enahda het enige alternatief is. Ook hier is de leuze populair dat de islam de oplossing biedt. Mensen die het met de regering oneens zijn worden daardoor automatisch in de armen van Enahda gedreven. Het is belangrijk dat Ben Ali toestaat dat een derde beweging zich via de pers kan uiten. Zodat de bevolking beseft dat er ook nog een andere partij tegen de regering is.”

In Enahda zelf heeft de oud-politicus weinig vertrouwen. “Toen het Fis in 1991 in Algerije de verkiezingen leek te gaan winnen, hoopten veel leden van Enahda daarvan te profiteren. Het enige waar ze nog aan dachten was de macht. Geweld vonden ze geen probleem. Ik was toen allang opgestapt uit de partij.”

Hoe geliefd Enahda nu is weet niemand. In 1989, toen kandidaten van de partij als onafhankelijken deelnamen aan de verkiezingen, haalde ze 18 procent. Enahda was prompt de grootste oppositiepartij. Maar vanwege de repressie durft niemand nog openlijk steun te betuigen aan Enahda. Toch wekken de vele agenten op straat de indruk dat Ben Ali er rekening mee houdt dat Enahda zich opnieuw mobiliseert. Bij de ingang van de Zeitouna-universiteit, waar in 1991 sympathisanten van Enahda in opstand kwamen, waken constant gewapende politieagenten.

Het paleis van Ben Ali, even ten noorden van Tunis bij zee, wordt streng bewaakt door ruim tweeduizend soldaten. Aan de kust liggen snelle motorboten klaar, zodat de president en zijn gezin als het nodig is kunnen ontsnappen. Sardinië en Sicilië liggen op een paar uur varen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden