Pers moet weten wie bij moslims aan touwtjes trekt

'Slechte dingen schrijven over moslims' luidt de kop boven een artikel van Koert van der Velde in Trouw van zaterdag 13 december. In het 'woud' van islamitische organisaties 'is de pers een handig instrument voor konkelende moslimleiders' die niet zelden een 'vaag en onbetrouwbaar gerucht' de wereld in helpen, schrijft hij. Een van de voorbeelden is dat de Volkskrant de mist ingegaan zou zijn met een primeur over het kabinet dat 'met fundamentalisten aan een imam-opleiding werkt'.

Koert van der Velde vergelijkt nieuws over moslims met kauwgom: smakelijk, maar moeilijk te verteren. Aan het nieuws zit altijd een luchtje. De teneur van zijn verhaal is dat echt nieuws over moslims nooit naar boven komt omdat je gemakkelijk verdwaalt in een woud van organisaties waar een leger van moslimse hoofdmannen paraat staat om de argeloze woudloper het verkeerde pad op te sturen.

Eén prominente islamitische leider, E. Ates, van de grootste Turkse moskee-organisatie, gelieerd aan de Turkse overheid, noemt hij met name. Ates betichtte in de Volkskrant de kersverse Islamitische Universiteit van Rotterdam ervan met Saoedisch geld gesteund te worden. Daags daarop verdwijnt drs S. Damra, topman van de universiteit en voorzitter van een concurrende raad, van het toneel.

Van der Velde redeneert als volgt: Ates gooit met modder, de Volkskrant schrijft dat op en de arme liberale Damra verdwijnt van het toneel. Van Saoedische financiële steun kan helemaal geen sprake zijn, zegt de auteur, want die steunen geen liberale moslims. Je zou willen dat het zo simpel was. Feit is dat de universiteit verschillende potjes op het vuur heeft, iets wat de organisatie tot voor kort niet ontkende.

Ook een feit is dat Ates en anderen belangen hebben bij dit soort opmerkingen. Het is de taak en verantwoordelijkheid van de journalist na te gaan wanneer het om modder gooien gaat en wanneer er echt iets aan de hand is. In dat opzicht heeft Van der Velde gelijk als hij zegt dat je een soort Kremlinoloog moet zijn om te weten wie wie is en wie wat gelooft. Dat blijft moeilijk want Van der Velde voert in een artikel een paar dagen daarvoor Ates op als voorzitter van de Islamitische Raad Nederland. Dat klopt niet. Ates is ex-voorzitter. Maar met het 'wie is wie in moslim-land' begint het pas.

Uiteindelijk gaat het erom te weten wie er aan de touwtjes trekken en waarom. Alleen zo kun je uitspraken als die van Ates plaatsen. De islamitische gemeenschap speelt een soms subtiel, soms dom spel met een keur van belangenbehartigers, zowel in Nederland als daarbuiten. Die sluiten wisselende en soms verrassende bondgenootschappen om de belangen te behartigen.

Een journalist die de islamitische gemeenschap serieus neemt poogt daar inzicht in te hebben, brengt die waar nodig in kaart en is zich bewust dat hij eerder in een slangenkuil wandelt dan in een woud. Van der Velde schrijft dat de pers, lees de Volkskrant, een handig instrument is voor konkelende moslimleiders. Dat levert 'primeur' na 'primeur' op. Hij bedoelt te zeggen dat het non-nieuws is. Grappig in dit verband is de primeur van Van der Velde in Trouw van 10 december. Hij publiceert een 'brandbrief' van Ates waarin deze zijn zorgen uit over de Rotterdamse imam-opleiding. Die zou niet Turks genoeg zijn. Aanleiding voor het brengen van deze primeur was het plotselinge vertrek van Damra.

Daarmee bewijst Van der Velde dat Ates een belang had om de universiteit te torpederen. Je kunt je afvragen wie die brief aan de journalist heeft gegeven en waarom. Ik schat een 'konkelende moslimleider' die Ates in een kwaad daglicht wilde zetten om Damra's straatje schoon te vegen. Naar mijn smaak hebben lezers aan dat spel niet zo'n boodschap. Belangrijk is het resultaat.

Maar Van der Velde schreef zaterdag niet alleen een stuk waarin hij zijn lezers vertelt over het moeizame werk van de journalist die bericht over de islamitische gemeenschap.

Hij gaat verder en zegt dat van mijn primeurs 'meestal niets waar' is.

Hij geeft het voorbeeld van de berichtgeving in de Volkskrant verleden jaar over het feit dat moskeeën in drugshandel zitten. Van der Velde vraagt zich af waarom deze berichtgeving alleen tot kamervragen leidde van Janmaat en niet tot arrestaties en verslagen van processen. Dat gebeurde niet, dus was het niet waar.

De auteur vergeet echter drie dingen: dat wat in de wandeling de commissie-Van Traa is gaan heten deze betrokkenheid bij de handel later bevestigde, dat een deel van de Marokkaanse gemeenschap zo moedig is geweest het probleem zelf aan de orde te stellen en mee te werken aan de berichtgeving, wat niet zonder gevaar was en is en tot slot dat het onderwerp zo taboe was dat het van weinig realiteitszin getuigt om te denken dat nieuws over dit onderwerp tot FIOD-invallen zal leiden.

Van der Velde schaart zich kennelijk alsnog in het kamp van diegenen, sommige moslim-organisaties voorop, die er als de kippen bij waren om de Volkskrant aan de schandpaal te nagelen. De te verwachten Pavlov-reactie was dat veel mensen niet op de feitelijke boodschap van de berichten zouden ingaan maar de boodschapper zouden aanvallen. Dat gebeurde ook.

De vuile was buiten hangen is nooit leuk, zeker niet in de Marokkaanse gemeenschap. Maar feiten zijn feiten. Daarom heb ik zelf groot respect voor het verantwoordelijkheidsgevoel van die Marokkanen en Turken die het drugs- en criminaliteitsprobleem onder ogen durven zien. In ieder geval is ook in moskee-organisaties de discussie over betrokkenheid bij drugshandel gestart.

Van der Velde schrijft tot slot dat een van oorsprong vaag en onbetrouwbaar gerucht, mits luchtig opgeklopt en van het etiket fundamentalistisch voorzien al gauw een plaatsje op de voorpagina waard is. Hij doelt op mijn bericht dat er in Amsterdam gewerkt wordt aan een imam-opleiding in nauwe samenwerking met de fundamentalistische Milli Görüs-beweging.

Navraag bij een aantal personen die in Trouw worden gequoot moet aantonen dat het bericht over de imam-opleiding van Milli Görüs in Amsterdam niet klopt. Het is volgens collega Van der Velde de zoveelste scoop met een hoog onzingehalte. Zo zegt een woordvoerder van Justitie dat noch de namen van Milli Görüs of Ummon (Unie van Marokkaanse Moskee-organisaties in Nederland) noch enig synoniem in het rapport voorkomen.

Echter, halverwege pagina 1 wordt de Nederlands Islamitische Federatie (NIF) genoemd, een Milli Görüs-organisatie. Milli Göruö wordt letterlijk genoemd op pagina 7, regel 33 en drie regels later weer. Op pagina 10, bijna onderaan, wordt de Unie van Marokkaanse Moskee-organisaties in Nederland genoemd. Tot slot op pagina 12, nadat eerst de mogelijkheid voor financiering van een school voor voortgezet onderwijs op islamitische grondslag is aangestipt: 'Op universitair niveau worden thans in samenwerking met de universiteit van Amsterdam en de stichting Leerstoel islam de mogelijkheden onderzocht van een imam-opleiding onder verantwoordelijkheid van de Amsterdamse stichting Ayasofia'. Ayasofia is een belangrijk centrum van de Milli Görüs in Nederland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden