Permanent in staat van onbehagen

Voor ontevredenheid heb ik privé geen reden. Maar om me heen zie ik verloedering en politici die er niets tegen doen.

Voor de duidelijkheid. Ik ben een man, hoog opgeleid, 67 jaar en maatschappelijk nog actief, wat in mijn geval betekent dat ik nog werk. Voor ontevredenheid heb ik eigenlijk geen reden. Ik woon mooi, heb een fatsoenlijk inkomen, en ben voor mijn leeftijd goed gezond. Om me heen zie ik echter de maatschappelijke verloedering toenemen. Ik verkeer in een permanente staat van onbehagen, en heb ook momenten van oprechte boosheid.

In een democratie verwachten mensen dat de vertegenwoordigers die zij kiezen –om hun belangen op lokaal of landelijk niveau te behartigen– consistent gedrag vertonen en dat politici zo goed mogelijk proberen te doen wat zij de kiezers hebben beloofd. Die kiezers geven de politici immers hun vertrouwen én ze geven tegelijk hun zeggenschap uit handen. Dat is nogal wat en dat mag niet beschaamd worden, maar dat gebeurt wel en steeds schaamtelozer.

Veel PvdA-kiezers verwachtten een onderzoek naar de politieke steun van Nederland aan de inval in Irak, of gingen ervan uit dat de PvdA in de Kamer voorstander zou zijn van een referendum over het nieuwe Europese Verdrag. Dat was beloofd, maar dat gebeurde niet.

Zelf heb ik ook PvdA gestemd, onder meer omdat ik overtuigd was van de kwaliteit van een bepaald Kamerlid. Dat Kamerlid, Aleid Wolfson, koos echter al snel voor het burgemeesterschap van Utrecht. Ik heb Wolfson om uitleg gevraagd, maar hij heeft zich daartoe niet verwaardigd. Dat is een onvergeeflijke vorm van arrogantie: hij zit daar dankzij de stemmen van duizenden kiezers die voor vier jaar hun vertrouwen aan hem hebben gegeven. Nu zit er iemand die ik niet heb gekozen. Ik wil dus eigenlijk mijn stem terug.

In mijn omgeving wordt niet of slechts uiterst omfloerst gesproken over de angst voor de islam. Dat is not done, maar men begrijpt het standpunt van Wilders wel. Er zijn ook signalen die mij verontrusten. Zoals forse uitspraken van geestelijken, dreigende uitlatingen op het internet, of jonge moslims die feesten op straat na een terroristische aanslag. Soms zijn het signalen in de vorm van kleine gebeurtenissen, waarvan ik tot mijn schrik merk dat ze mijn onbehagen voeden. Als ik dat in mijn omgeving toets, blijkt dat ik daarin niet alleen sta, maar dat wij zwijgen en ons hoogstens voorzichtig uitlaten op bijvoorbeeld www.trouw.nl. Dan denk ik aan praatprogramma’s waar geen wijn op tafel mag omdat een moslimgast dat niet wil en een schilderij met half ontklede vrouwen uit de hal van een gemeentehuis verwijderd wordt, omdat twee moslims zich daarover hebben beklaagd.

Mijn eigen onbehagen komt voort uit de verwaarlozing of verslonzing van het publieke domein. Dat ervaart iedere burger. Mijn grootste ergernis is de verzelfstandiging, soms privatisering, van publieke diensten. Ik hoef niet uit te leggen dat het publiek er in bijna alle gevallen op achteruit is gegaan: de spoorwegen functioneren matig, de post is een speelbal van de commercie, de energiebedrijven zijn administratieve molochs, en om je weg in de gezondheidszorg te vinden moet je hoogopgeleid zijn en vrije tijd hebben. Van de beloofde concurrentie die de kwaliteit zou verhogen en de kosten drukken, merk ik weinig. Het publiek is vreselijk veel tijd en energie kwijt om bijvoorbeeld van verzekeraar of energiebedrijf te wisselen, of uit te vinden hoe hij of zij het goedkoopst kan bellen, en hoe een rekening in elkaar zit. Dat ’winkelen’ laat ik graag aan anderen over, maar onbehaaglijk voel ik me wel.

Tenslotte, één aspect van het beheer van de openbare ruimte: ik rijd veel langs snelwegen en zie hoe daarlangs de bedrijventerreinen uit de grond worden gestampt. De ’natuur’ wordt geleidelijk opgeofferd, en het autoverkeer bevorderd, met grote economische schade van files en milieuschade van de CO2-uitstoot.

Burgers, kiezers, zoals ik, begrijpen niet dat onze vertegenwoordigers ernaar kijken, en niets doen. Iedere nieuwe minister trekt bij zijn aantreden een grote broek aan, maar moet vervolgens toegeven dat de materie te weerbarstig is.

Ik zou nog pagina’s lang kunnen doorgaan: de verwarring over wat wel en wat niet onder de vrijheid van meningsuiting valt, en de manieren waarop die terecht of onterecht onder druk wordt gezet; de verontwaardiging bij mij over al het geld dat naar Afghanistan gaat, terwijl dezelfde politici die dat beslissen ons vertellen dat voorzieningen moeten worden afgeknepen om ze betaalbaar te houden; de ethische discussies over de embryoselectie.

Trouw vroeg lezers, naar aanleiding van een serie in de Verdieping, om te schrijven over het onbehagen. Bij dezen. Ik reageer ook met enige regelmaat op www.trouw.nl, veel reacties daar zijn herkenbaar, goed en genuanceerd geformuleerd.

Die reacties stemmen me wel treurig en bevestigen wat ik zeker meen te weten: veel Nederlanders voelen zich onbehaaglijk. En machteloos, omdat ze alles onder hun ogen zien gebeuren, en niet veel meer kunnen doen dan reageren op de website van een krant.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden