Penningen om mee te pronken

Nationale helden kregen in de Gouden Eeuw niet slechts een lintje voor de eer maar een gouden penning met dito ketting. Heel waardevol, dus vaak verkocht.

Verdienstelijke Nederlanders krijgen een lintje. Puur voor de eer. Dat lintje hebben ze bovendien alleen in bruikleen. Na hun dood moet het terug naar de staat. Dat ging in de zeventiende eeuw wel anders.

Burgers die in de Gouden Eeuw werden geëerd met een speciale penning, mochten die houden en aan de erven nalaten. Sommige families pronkten graag met de veren van een voorzaat, zo blijkt uit de expositie 'Hulde! Verering in de Gouden Eeuw' in het Haarlemse Teylers Museum.

Op een schilderijtje uit 1622 draagt de driejarige Rochus Rees een grote gouden medaille met een afbeelding van een turfschip. Waarschijnlijk maakte Rochus' opa deel uit van het zeventigtal soldaten dat in 1590, verstopt in een turfschip, Breda binnendrong en die stad op de Spanjaarden veroverde. Alle soldaten kregen een gouden munt van de Staten-Generaal. Met een oog eraan, zodat ze hem konden dragen. Via het schilderij wilde de familie aangeven dat Rochus tot een vaderlandslievend heldengeslacht behoorde.

Nederland was in de Gouden Eeuw een Republiek. Het kon niet, zoals elders in vorstelijk Europa, leiders van leger of vloot in zijn vele oorlogen belonen met adellijke titels en profijtelijke graafschappen. In plaats daarvan schonken de Staten-Generaal militaire helden gouden 'vereringspenningen' aan gouden kettingen. Hoe groter de heldendaad des te zwaarder de medaille, des te dikker de ketting en des te fijner de schakels in die ketting.

Admiraal Michiel de Ruyter kreeg liefst drie van zulke onderscheidingen. In Haarlem ligt in een vitrine de penning met ketting die hij in 1657 kreeg voor een grote zege op een Franse vloot. Op een flankerend schilderij staat Bestevaer afgebeeld met zo'n erepenning en de bijbehorende drievoudige gouden ketting om zijn nek. Op de medaille staat een leeuw die de 'Hollandse tuin' beschermt.

De Ruyters decoratie was niet alleen voor de eer. Het goud waarvan zulke vereringspenningen gemaakt werden, was meteen ook een bonus voor behaalde resultaten. Een vette bonus, want één van de gouden penningen met ketting van De Ruyter was duizenden guldens waard. Voor veel minder geld kon je toen bij Rembrandt een schilderij bestellen. Vooral zo'n ketting was kostbaar. Die bevatte geregeld vier keer zoveel goud als de medaille zelf.

Veel kettingen zijn daarom in de loop van de tijd omgesmolten. Ook gebeurde het dat een gedecoreerde zijn ketting pal na de uitreiking terugverkocht aan de goudsmid, die hem had gemaakt. Die verkocht hem als nieuw weer aan de Staten-Generaal voor een volgende ceremonie. Niemand zat ermee dat helden hun huldebewijzen verzilverden. Bij erepenningen draaide het om de eer en om de 'penning'.

Een lintjesregen, waarbij jaarlijks duizenden gewone burgers geëerd worden, bestond niet in de Gouden Eeuw. Maar de Haarlemse expositie toont dat in die tijd penningen zo in trek raakten, dat veel burgers ze zelf lieten maken bij belangrijke gebeurtenissen, zoals geboorte, overlijden, pensionering of behouden terugkomst uit Oost-Indië.

De Enkhuizenaar Lijns Claesz. Schaep liet in 1708 een munt slaan toen hij vijftienduizend gulden, een fortuin in die tijd, won in een loterij. Schaep heft op zijn penning de handen in de lucht temidden van feestvierende mensen.

De expositie toont ook een zilveren zogeheten knottekistje. Dat bevat een zakdoek met een knoop erin en een huwelijkspenning. Rijke mannen vroegen met zo'n kistje een vrouw ten huwelijk. Kreeg de man het kistje terug met de knoop eruit, dan was zijn verzoek afgewezen. Maar als de vrouw zijn knoop strakker had aangetrokken, dan gold het paar als verloofd.

Penningen raakten in de Gouden Eeuw zozeer in trek, dat Joost van den Vondel aardig kon bijverdienen met korte gedichten voor muntopschrift. De Amsterdamse zilversmid Johannes Lutma werd vanwege zijn penningkunst een gevierd kunstenaar. De Hollandse penning ter viering van het einde van de Tweede Engelse Zeeoorlog viel zo slecht bij de Engelse koning dat hij die een reden noemde om de Republiek weer de oorlog te verklaren. Hij meende dat het opschrift 'Weg ... Ellendig beest' op hem sloeg, terwijl daarmee het monster van de oorlog en tweedracht werd bedoeld.

Penningen werden druk verhandeld en verzameld. Bankier Pieter Teylers van der Hulst (1702-1778) was zo'n collectioneur. Teylers Museum, het oudste van Nederland, werd ooit gebouwd om zijn verzamelingen munten en andere zaken te huisvesten. Het is passend dat op die plaats de eerste expositie plaatsvindt van Nederlandse penningkunst in de Gouden Eeuw.

Penningkunst klinkt misschien niet spannend, maar Teylers Museum heeft met Hulde! een afwisselende, boeiende tentoonstelling weten neer te zetten, waar bezoekers ook nog een munt met eigen beeltenis en Latijns opschrift kunnen slaan.

Ook heeft het museum nog een mooie, hedendaagse toegift. Om de hoek van de historische expositie is recente penningkunst te zien van de Tsjech Otakar Dusek. Die maakte van de eind vorig jaar overleden schrijver-president Václav Havel een zilveren munt met zijn duimafdruk. Een prachtig eerbetoon aan zijn landgenoot, die gevangen zat vanwege zijn woorden en duidelijk zijn stempel op zijn tijd drukte.

Hulde! Verering in de Gouden Eeuw; t/m 6 mei, info: www.teylersmuseum.nl

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden