Review

Pelteren op Bali, ver voorbij geduld

Waarom kiest iemand een boektitel die niemand begrijpt? Of weet u spontaan dat Pelter een afkorting is van Pelayanan Tersembunyi, Indonesisch voor 'Verborgen dienst'?

Pelter was de aanduiding voor een gebedsgroep van vier vrouwen die regelmatig in stilte bijeenkwam. De afkorting staat bovendien voor de wijze waarop het hervormde zendingsechtpaar Henk Visch en Cor Tonsbeek van 1948 tot 1971 op Bali gewerkt hebben: bescheiden maar betrokken. Bescheiden en betrokken waren ze zeker, zo blijkt uit de brieven die ze naar huis schreven. Maar wat vooral treft is hun oeverloze lankmoedigheid. Ver voorbij de grenzen van normaal geduld.

Gedurende de jaren dat ze de Balische kerk dienen, komt er geen einde aan de onderlinge ruzies en het gekonkel. De kerkelijke leiding lijkt een speciaal zintuig te hebben om precies te willen wat Visch niet verstandig lijkt. Hij raakt er zo aangeslagen van dat hij in 1967 zijn 25-jarig predikantschap maar niet viert. ,,We missen te veel de onderlinge samenwerking en broederschap onder de Balinese collega's,” schrijft hij. Een juiste observatie, zo blijkt een paar maanden later. Het is synode. Visch is die nacht niet thuis gekomen en om 5 uur 's morgens stapt zijn vrouw op de brommer om te kijken waar hij blijft. ,,Wel ze hadden de hele nacht doorvergaderd (gevochten? of nee hoor beter, gebekvecht?),” schrijft ze. Toch wil haar man blijven tot het bittere einde en gaat zij terug zoals ze gekomen is. Op de brommer. Op de terugweg slaat de motor een paar keer af, moet een lekke band steeds worden opgepompt, verliest ze een handpompje, gaat terug om te zoeken, vindt het niet meer. Intussen kiest de synode een nieuw bestuur dat nog slechter is dan het oude.

Cor Tonsbeek is dan een vrouw van 51 jaar. Bijna twintig jaar heeft ze zich met haar man gewijd aan de Balische kerk. De tocht op een krakkemikkige brommer naar een vergeefse kerkvergadering heeft iets symbolisch. Wat heeft al hun inzet hen en de Balische kerk gebracht? De vraag klemt des te meer omdat ze zware offers gebracht hebben. Na het tweede verlof in 1959 hebben zij drie van hun vier kinderen in Nederland achtergelaten bij haar zuster en zwager.

,,'t Was een amputatie. De pijn om 't gemis schrijnt dagelijks”, schrijft Cor vanaf de boot waarop ze na dat verlof terugreizen. De kinderen (13, 11 en 9) zouden hun ouders vier jaar niet zien. ,,Bewust hebben we ze losgelaten en ze aan jullie toevertrouwd”, schrijft ze jaren later aan zuster en zwager. Haar woordkeus roept associaties op met het offer van Izaük. Maar dan wel in drievoud. Abraham werd na zijn offer door God in het bijzonder gezegend. Ook Henk Visch en Cor Tonsbeek voelden zich altijd gezegend. Maar die zegen was, in tegenstelling tot Abraham, vooral innerlijk. In de kerk was was het 23 jaar ploegen op de rots.

Gaandeweg begin je vragen te stellen bij al dat geduld, al die inzet en oppuinhoopoffering. In de brieven klinken die vragen niet en misschien komt dat wel, omdat het vragen zijn van deze tijd, bijvoorbeeld over de houding van 'Oegstgeest' (de Hervormde zending). Oegstgeest nam voor een belangrijk deel het jaarlijkse budget van de Balische kerk voor zijn rekening. Over de besteding van dat geld wilde ze niks zeggen. Daarover besliste de Balische synode, die ook bepaalde wat voor gebruik ze wilde maken van het werk van Visch die hun voor 'gemeenteopbouw' ter beschikking was gesteld. Maar als ze er onveranderbaar een

van maken, waarom blijf je dan maar geld sturen? Is dat angst om voor autoritair en bevoogdend versleten te worden?

Een andere vraag betreft de kinderen. Ze zijn 'afgestaan'. Maar wilden ze afgestaan worden? Natuurlijk, aan Izaük vroeg Abraham ook niks. Maar zou iemand die als offer bestemd wordt daar zelf niet wat van kunnen, of eigenlijk moeten vinden?

Dat die vragen toen niet opkwamen, en nu wel, lijkt me niet alleen een kwestie van verschil in cultuur - omdat we nu over veel dingen anders, zakelijker denken. Het lijkt me vooral een kwestie van spiritualiteit. Als Henk Visch het heeft over de geest waarin hij en zijn vrouw hun werk deden, schrijft hij: ,,Onze relatie tot God en tot Christus....was eigenlijk onze enige verantwoordelijkheid.” Uit de brieven blijkt wie God voor hen beiden was: een alles overwelvende macht, aan Wie alles kon worden toevertrouwd en die ook het kwade ten goede zou keren. Alles werd gedragen in gebed. Aan het thuisfront in Nederland werd om voorbede gevraagd, nauwkeurig voor wie en waarom. Op Bali was er de 'stille' gebedsgroep 'Pelter'. Ineens begrijp je waarom dat als titel van het boek gekozen is. Het stille gebed droeg leven en werk. Daarom werden de vragen die ik hierboven formuleerdetoen niet gesteld en nu wel. Het zit in dat geloof in een almachtige, alles overwelvende God.

Toen vast en zeker. Nu veel minder. Als een partner als de Balische kerk er niks van terecht brengt, blijf je nu niet almaar vertrouwen op God die alles ten slotte goed zal maken. Dan zeg je op zeker moment: goeiedag en zoek het uit. Ook kinderen laat je niet meer los uit gehoorzaamheid aan God. Je vraagt wat ze er zelf van vinden. God is een hoop uit handen genomen.

Toen was dat anders en daardoor lees je de brieven als, vaak ontroerende, documenten van een voorbije tijd.

Ik heb altijd gedacht dat het teloorgaan van de zendingsgedachte, zoals Visch en zijn vrouw die beleefden, het gevolg was van een minder grote zekerheid over de eigen boodschap tegenover andere culturen. Na lezing van de brieven in Pelter besef ik dat het anders is. Zonder absoluut geloofsvertrouwen in een zorgende God houdt niemand een leven vol zoals Henk Visch en Cor Tonsbeek in Bali leidden. Met dat absoluut vertrouwen is ook de zendingscultuur die hun leven stempelde verdwenen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden