Pekings prettige pragmatisme

Nederland en andere traditionele donorlanden bezuinigen op ontwikkelingshulp en worstelen tegelijkertijd met de toenemende invloed van nieuwe wereldspelers, zoals China, India, Brazilië en Turkije. Vandaag deel 1 van een serie over de stille revolutie in het internationale ontwikkelingsdenken: wat leert China ons?

Eerst even een misverstand uit de wereld helpen: China ís helemaal geen nieuwe speler in de internationale ontwikkelingssamenwerking. In 1956 al gingen er Chinese hulpgelden naar Egypte. China legde in de jaren zeventig een spoorlijn aan tussen Zambia en Tanzania. En in 1975 kregen meer Afrikaanse landen hulp van China dan van de Verenigde Staten.

"Er is ontzettend veel misinformatie over de Chinese activiteiten in Afrika", zegt Peter Konijn, oprichter en directeur van Knowing Emerging Powers. Dat instituut beoogt de kennis over opkomende economieën te vergroten en te verspreiden. "Dat komt ook een beetje doordat je te maken hebt met een soort dubbel zwart datagat: het Chinese en het Afrikaanse."

Om de beeldvorming nog verder te vertroebelen, is alleen al het woord 'ontwikkelingssamenwerking' een bron van spraakverwarring. Wij Nederlanders denken dan in termen als 'rijk helpt arm' en 'morele verplichting'. China gaat daar heel anders mee om. Die streeft in al zijn contacten met armere landen naar 'ontwikkeling' van zowel zichzelf als van dat andere land. En de 'samenwerking' heeft meer om het lijf dan de lading die wij eraan hebben gegeven, als politiek-correcte vervanger van het ongemakkelijke 'hulp'.

Juist daarom klikt het zo goed tussen China en veel Afrikaanse landen: China is zelf ontwikkelingsland geweest en laat de Afrikaanse partners in hun waarde, hoe corrupt en inefficiënt het bewind er ook is. Chinezen zijn geen schoolmeesters die steeds weer over democratie en mensenrechten beginnen.

"Wij hebben de neiging om ons ongelooflijk arrogant te gedragen", zegt Konijn. "Afrikaanse landen zijn veel machtiger en zelfbewuster geworden. We moeten ons ook niet blindstaren op de rol van opkomende landen als China. In het Westen overheerst nog steeds het beeld van zwakke Afrikaanse staten, die niks kunnen en door de buitenwereld worden overlopen. Dat is echt onzin."

Dat neemt niet weg dat China enorme stappen heeft gezet in Afrika. In 1980 had de onderlinge handel tussen Afrika en China een waarde van 1 miljard dollar. Vorig jaar was dat 160 miljard. Vooral sinds 2000, toen de handel op 10 miljard lag, is de stijging explosief.

Natuurlijk: deze handel staat grotendeels in het teken van de Chinese honger naar grondstoffen, daar zit geen greintje liefdadigheid bij. Maar van die hebzucht hebben veel Afrikaanse landen in korte tijd meer geprofiteerd dan van tientallen jaren 'hulp' die op de klassieke westerse leest was geschoeid. De voortvarende groei en dalende armoede in veel Afrikaanse landen gaan hand in hand met de Chinese ontwikkeling tot economische supermacht.

Terwijl China de aardbol afstruint en zich verzekert van grondstoffen, staat het Westen erbij en kijkt ernaar, schrijft de Zambiaanse ontwikkelingseconome Dambisa Moyo in haar laatste bestseller 'Winner Take All' (2012), in het Nederlands vertaald als 'Alles voor de winnaar - De groeihonger van China en de gevolgen voor de rest van de wereld'.

Ze haalt daarin een typerende uitspraak aan van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Clinton uit juni vorig jaar, waarin ze de Afrikaanse landen waarschuwde voor een 'nieuw kolonialisme'. Ze noemde China niet bij naam, maar het was wel duidelijk wie ze als die nieuwe kolonisator in het vizier had.

Een volslagen misvatting, stelt Moyo. Kolonialisme, dat heeft te maken met onderwerping, met religieuze bekering, gebruik van militaire macht en bemoeienissen met het lokale bestuur - vraag dat maar aan al die landen die hebben gezucht onder het echte kolonialisme. Allemaal zaken waar Peking zich verre van houdt. Het cruciale verschil is nu juist dat China géén koloniale ambities heeft. "Het is waar dat zo'n 'laissez-faire'-benadering een aanzienlijke impact heeft in de maatschappijen waarbinnen China opereert, maar het is eerder antikolonialisme dan neokolonialisme", schrijft Moyo.

De neergang van het Westen en de opkomst van onder meer China hebben ook grote gevolgen voor de machtsbalans in de wereld. Want iedereen zegt wel dat China straks de Verenigde Staten voorbijstreeft als grote wereldmacht, maar hééft China die ambitie wel? De Amerikanen hebben vrijwillig gekozen voor hun rol van politieagent van de wereld, maar China is vooral geïnteresseerd in zichzelf en niet in hoe het in andermans keuken toegaat.

Peter Konijn van Knowing Emerging Powers wijst op nog een andere trend in de internationale ontwikkelingssamenwerking: juist de nieuwe wereldspelers, zoals China en India, hebben de allerarmsten van deze wereld binnen hun eigen grenzen wonen. In 1990 zat de wereld nog veel simpeler in elkaar: toen leefde 93 procent van de armen 'gewoon' in arme landen. Nu leeft 70 procent van 's werelds armen in middeninkomenslanden: 38 procent van hen in India, 10 procent in China. Ook dit fenomeen - ongelijke verdeling van de nieuwe rijkdom in die landen - draagt bij aan de huidige westerse identiteitscrisis over ontwikkelingssamenwerking: wat kunnen de traditionele donoren doen aan dit probleem, dat meer een verdelings- dan een armoedeprobleem is? Peking verdoet zijn tijd niet met dergelijk gepieker.

Hoeveel China precies aan buitenlandse hulp geeft, is moeilijk te achterhalen. De Chinese overheid stelde vorig jaar dat er tussen 1950 en 2009 voor 38 miljard dollar (29 miljard euro) naar arme landen is gegaan op een manier die wij als 'hulp' zouden beschouwen (de Chinezen zelf nemen dit woord niet in de mond). In bijna zestig jaar tijd dus.

Ter vergelijking: het Amerikaanse ontwikkelingsbudget lag alleen al in het jaar 2010 boven de 30 miljard dollar (23 miljard euro). Nederland geeft dit jaar ruim 4 miljard euro aan ontwikkelingssamenwerking uit.

Maar het zijn appels en peren. De Chinese 'ontwikkelingssamenwerking' is een totaalpakket van investeringen, handel, leningen en een beetje hulp. Al die tientallen miljarden lopen dwars door elkaar heen - China houdt vaak zelf niet eens bij wat wat is - terwijl in de traditionele, westerse ontwikkelingsfilosofie commerciële activiteiten en hulpstromen nog gescheiden zijn. Dat geschiedt volgens de strikte normen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso).

Bij de hevige Nederlandse discussies van de laatste jaren over ontwikkelingssamenwerking speelden die normen een hoofdrol. Want het ging vaak en veel over een andere norm, waaraan Nederland sinds 1975 braaf voldeed en die nu door het kabinet-Rutte II overboord is gegooid: namelijk dat 0,7 procent van het nationaal inkomen naar ontwikkelingssamenwerking zou moeten gaan. Die norm is weer gebaseerd op de Oeso-definitie van 'officiële ontwikkelingssamenwerking' (ODA). Vredesmissies, klimaatsteun of handel tellen niet mee.

Landen als China, India en Brazilië hebben niks met die normen en opereren geheel buiten de Oeso-kanalen om.

China bejegent de ontwikkelingslanden met andere uitgangspunten. De belangrijkste: aan de Chinese geldstromen hangen geen voorwaarden. Ze worden niet als drukmiddel ingezet om bijvoorbeeld politieke hervormingen af te dwingen. Ook zijn er geen eisen waaraan moet worden voldaan of formulieren die moeten worden ingevuld. "Bij ODA-projecten komt altijd een hoop papierwerk kijken", zei He Wenping in een lezing die ze onlangs hield bij de Vrije Universiteit in Amsterdam.

He Wenping geldt als een Chinese autoriteit op het gebied van samenwerking met ontwikkelingslanden in met name Afrika. Ze is als hoogleraar verbonden aan het Afrika-onderzoekscentrum van de Chinese Academie van sociale wetenschappen.

In een hoog tempo lepelt ze de andere drie kenmerken op van de Chinese benadering. In de eerste plaats legt Peking de nadruk op bilaterale relaties, dus één op één met een ander land, in plaats van meewerken aan multinationale (VN-)constructies. Verder geeft China de voorkeur aan fysieke projecten (infrastructuur als wegen en gebouwen) boven 'zachte' sectoren. Ten slotte maakt China geen onderscheid tussen hulp en andere geldstromen.

Dit beleid is een momentopname die bij de huidige fase van China's ontwikkeling hoort, legt He uit. In een volgende fase zal Peking zich misschien minder gaan richten op de harde infrastructuur, en meer op zaken zoals kennisoverdracht en het weerbaar maken van de bevolking. Maar dat zien we dan wel weer, lijkt He uit te stralen, met het pragmatisme dat China kenmerkt.

Op de kritische vragen uit het publiek, onder meer over het vermeende Chinese egoïsme in de jacht naar grondstoffen die ten koste zou gaan van de Afrikanen, antwoordt He met grote zelfverzekerdheid. Natuurlijk is er nog het nodige te verbeteren, zegt ze. Zo is er op dit moment nog geen enkele instantie in China die de hulpprogramma's in Afrika coördineert en evalueert.

In vergelijking met de luchtige en optimistische analyse van He komt de ontwikkelingsdiscussie in Nederland en westerse crisisgenoten deprimerend over: het gaat over bezuinigen, over normen en doelen die niet worden gehaald, over corrupte regimes. "China en Afrika praten in dezelfde positieve termen over ontwikkeling", zegt Konijn. "Ze hebben het over kansen en over groeimarkten. Wij zijn gefixeerd geraakt op de risico's: is het allemaal wel duurzaam, dat soort dingen. Ons vooruitgangsgeloof zijn we kwijt."

De resterende drie delen van deze serie, over India, Brazilië en Turkije, verschijnen de komende weken op de economiepagina's van deze krant.

Snelle groei handel
De handel tussen China en Afrika is vooral sinds begin deze eeuw enorm snel gegroeid. Sinds 2009 is China na de Europese Unie de grootste handelspartner van Afrika. In 2010 bereikte het handelsvolume een niveau van 127 miljard dollar (96 miljard euro).

Andersom legt Afrika voor China wat minder gewicht in de schaal. In 2010 maakte de import uit Afrika 4,5 procent uit van het Chinese totaal. De export naar Afrika besloeg in dat jaar 3,8 procent van de totale Chinese uitvoer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden