Pax Americana

De opkomst van het Imperium Americanum betekent het einde van een 'imperiumloos tijdperk'. Dit tijdperk is een soort intermezzo in de westerse geschiedenis geweest, vanaf de late Middeleeuwen tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, beheerst door die merkwaardige notie van de 'soevereiniteit'.De filosoof Govert J. Buijs vergelijkt het Amerikaanse imperium met het Romeinse imperium, hij behandelt Tertullianus, Eusebius van Caesarea en Augustinus, vergelijkt de Romeinse dichter Vergilius met de Amerikaanse denkers Francis Fukuyama en Samuel Huntington, onderwerpt het begrip soevereiniteit aan een analyse en roept Frankrijk uit tot 'de getergde kampioen van de stervende soevereiniteitsgedachte'. 'Begrijpelijkerwijs is Amerika als de oudste democratie ter wereld kopschuw om zich nu met huid en haar te binden aan een internationale rechtsorde, waarvan het democratisch en rechtsstatelijke karakter zo fragiel en recent is. Een staatsgreepje in Rusland, een communistisch of nationalistisch-totalitaire ideologische renaissance in China, wat militaire coups in Zuid-Amerika - en de Verenigde Staten zijn terug bij af, midden in een wereld vol dictaturen. In dit licht gezien heeft Amerika ten minste een eeuw lang het recht om zich afzijdig te houden van zaken als een internationaal strafhof.' Maar volgens een oud inzicht, verwoord in het bijbelboek Daniël, zijn imperia op lange termijn altijd kwetsbaar. De achilleshiel van het Imperium Americanum is sociale rechtvaardigheid.

De Pax Romana geldt als een periode in de wereldgeschiedenis vanaf de troonsbestijging van keizer Augustus (27 voor Chr.) tot de regering van keizer Marcus Aurelius (overleden AD 180). Het Romeinse Rijk had al zijn grote, bloedige veroveringen achter de rug en kende bijna twee eeuwen van relatieve vrede. De Pax Romana was, althans voor het Westen, het begin- en tegelijk hoogtepunt van de imperiumsymboliek. Vele eeuwen zou dit een van de kernsymbolen van de westerse politiek blijven.

Het was niet al vrede wat er blonk. Denk alleen maar aan het bloedig neerslaan van de Joodse opstand rond het jaar 70, resulterend in de verwoesting van de tempel van Herodes. En de herinnering die de christelijke kerk aan deze tijd bewaart, is al evenmin erg fleurig. De gruwelijkste christenvervolgingen vonden juist in die periode plaats. En toch is dit de tijd geweest waarin de Romeinen juridisch, bestuurlijk en cultureel een nieuwe infrastructuur creëerden voor de toenmalige 'oecumene', de bewoonde wereld, een infrastructuur die tot op de dag van vandaag nog herkenbaar is.

De geopolitieke situatie sinds 1989, de Val van de Muur, wordt in toenemende mate aangeduid als Pax Americana. De parallel met de Pax Romana is duidelijk. Wat heeft deze parallel te zeggen? Wat is de inhoud van een Amerikaanse imperiumsymboliek? En worden door deze parallel ook oude discussies over de beoordeling van de Pax Romana opnieuw actueel?

Het intermezzo van de soevereiniteit

Dat er na 1989 een nieuwe geopolitieke constellatie is ontstaan, is een open deur. De Koude Oorlog is voorbij. De tegenstelling kapitalisme versus communisme kan niet langer de verhoudingen tussen staten structureren. Maar een al te snelle concentratie op de situatie 'na 1989' doet ons het zicht verliezen op een andere beweging die de tweede helft van de 20ste eeuw minstens even diep gestempeld heeft. Dat betreft het in diskrediet geraken van de notie van soevereiniteit, een notie die gedurende een aantal eeuwen het volkenrecht beheerst heeft.

De werkelijke betekenis van de soevereiniteitsgedachte licht pas op in contrast met de oude imperiumsymboliek. De betekenis van deze symboliek was precies gelegen in het besef dat de politieke wederwaardigheden van de mensheid als geheel, de bewoonde wereld, zich af dienen te spelen in het kader van één omvattende orde. Het Imperium presenteerde zich immer als representant van 'de mensheid' en kon in die zin dan ook alleen in enkelvoud bestaan: één wereld, één keizer. Het ging hierbij dus niet alleen om een door middel van allerlei machinaties ontstane machtsconstellatie, maar ook om de drager van moreel gezag met een universele claim. Het Imperium ontstaat wanneer het volk dat een bepaalde omvattende geografische eenheid heeft gesticht, gaat beseffen dat het daarmee een veel grotere verantwoordelijkheid op zich heeft genomen dan alleen door strikt eigenbelang gedekt wordt. Van het 'toevallig de sterkste' verschuift de aandacht naar de politiek-morele inhoud van de gevestigde hegemonie.

Dat politiek-morele gezag kon vervolgens weer de feitelijke ondergang van de machtsconstellatie overleven om zich later te hechten aan een nieuwe machtsconstellatie. Zo kon Karel de Grote zich in 800 tot keizer laten kronen. Het Romeinse Rijk bestond allang niet meer, de imperiale gezagspositie was er nog steeds - en kennelijk was het nog steeds de moeite waard daarvoor naar Rome af te reizen. Het Heilige Roomse Rijk zou - formeel - zo'n duizend jaar bestaan, tot het ten onder ging in het napoleontische geweld. Maar toen verlangde zelfs Napoleon nog weer de keizerstitel.

Vanaf de late Middeleeuwen had de imperiumsymboliek echter zelf aan overtuigingskracht ingeboet. Het Romeinse besef van één mensheid binnen één rechtsorde, dat door het christelijke besef van de gelijkwaardigheid van alle mensen voor God van substantie was voorzien, begon te verkruimelen. Vanaf die tijd komen we de onmogelijke formule tegen rex est imperator in regno suo - elke koning is keizer in zijn eigen rijk - en daarmee was de imperiumsymboliek in feite opgeblazen en vervangen door de soevereiniteitsgedachte. Ten tijde van Napoleons doodssteek was het Heilige Roomse Rijk al vele eeuwen weinig meer dan een lege huls.

De lading van de formule 'elke koning keizer in zijn eigen rijk' is veel groter dan dat het alleen maar de uitdrukking zou zijn van de assertiviteit van de nieuwe nationale staten. Het betekende de bewuste weigering van de nationale vorsten nog langer een hogere rechtsorde boven zich te dulden.

De kern van deze nieuwe politieke constellatie werd rond 1576 geformuleerd door de mysterieuze Fransman Jean Bodin. Hij verhief het tot dan toe nogal obscure woord 'soevereiniteit' tot staatsrechtelijk kernbegrip en muntte in zijn 'Zes boeken over de Republiek' de sindsdien gezaghebbende definitie ervan als 'hoogste, eeuwige en boven alle bestaande wetten verheven macht over burgers en onderdanen.' En met de uitdrukking 'boven alle bestaande wetten verheven' bezigde hij een term die ooit voor het eerst was gebruikt in verband met de Romeinse keizers en die later in christelijke context alleen nog werd toegepast op God (en zelfs in die theologische context zeer omstreden was). De nieuwe 'absolute' koningen manifesteerden zich als goden op aarde, die bepalen wat als recht en wat als onrecht in hun domein zal gelden. En niemand heeft het recht zich hiermee te bemoeien. Voorzover er nog wel een hogere (goddelijke) wet wordt erkend, is de koning hiervan de enige uitlegger. Hoger beroep is onmogelijk.

In het Europese statenstelsel, dat via de kolonialisering over de hele wereld geëxporteerd is, werd het onmogelijk om elkaar als staten aan te spreken op 'binnenlandse aangelegenheden'. Wat een heerser met de eigen bevolking wil doen, is niet gebonden aan hoger recht of kan hier in elk geval niet aan getoetst worden. En de onderlinge verhoudingen tussen die soevereine staten zijn slechts de uitkomst van een permanente krachtmeting, zonder verbindende rechtsorde. Immanuel Kant merkte hierover op dat 'de vrije verhouding der volken ons een onverholen blik in de boosaardigheid van de menselijke natuur verschaft'.

'Niets anders dan een roversbende'

De totstandkoming van een Imperium is een ontzagwekkend schouwspel, dat men met een aan Rudolf Otto's essay Das Heilige ontleende terminologie een mysterium tremendum et fascinans kan noemen. Voor Otto zijn dit soort mysterie-ervaringen de aanjagers van religies en het hoeft dan ook niet te verbazen dat imperia voluit met religieuze symboliek behangen worden.

Vervolg op pagina 36

Vervolg van pagina 35

Zij zijn meer dan een toevallige geopolitieke constellatie - ze groeien uit tot incarnaties van de zin van de geschiedenis.

In het geval van het Romeinse Rijk was het de dichter Vergilius die in zijn beroemde, vaak als 'messiaans' getypeerde, Vierde Ecloga de keizer voorstelde als een door de goden gezonden, reddend kind. En zijn meesterwerk de Aeneas schilderde de opkomst van het Romeinse Rijk als goddelijke lotsbestemming, gericht op de vestiging van het ene universele vrederijk. De latere keizercultus was de logische volgende stap.

Deze grote inzet van symboliek is bij een imperium wel nodig ook. Een imperium roept bij grote groepen immers eerder de afschuw over brute macht op dan de vreugde om vredig recht. Ook de Romeinse definitie van vrede kon niet vanzelf op ieders hartelijke instemming rekenen getuige een veel geciteerd woord van de Britse koning Calgalus (de schrijver Tacitus vertelt het): ,,Roof, moord en plundering op grond van zelfverzonnen rechtsaanspraken noemen ze 'Imperium' en waar ze verwoesting creëren, noemen ze dat vrede.'' Helder zicht ontstaat vaak aan de periferie, zo blijkt maar weer eens.

Maar toch kwam de hele kwestie van de imperiumsymboliek pas in alle openheid op scherp te staan toen de eigenlijke periode van de Pax Romana reeds ten einde was en de christelijke kerk tot een soort parallelgemeenschap binnen het Rijk was uitgegroeid. Pas toen en pas hier, binnen deze gemeenschap, werd het debat over de beoordeling van het Imperium werkelijk kritisch gevoerd. Verschillende standpunten tekenden zich af.

Enerzijds was er een sterke anti-imperiale stroming. Hier werd al het aardse machtsstreven veroordeeld. Deze positie, moreel gezien zuiver en daarmee aantrekkelijk, had haar meest geharnaste verdediger in de persoon van een officierszoon, Tertullianus, de man die kennelijk even bedreven met woorden vocht als zijn vader met wapens: 'De goddelijke en de menselijke vaandel-eed, het veldteken van Christus en het veldteken van de duivel, het legerkamp van het licht en het legerkamp van de duivel verdragen elkaar niet; één en dezelfde ziel kan niet twee heren dienen, God en de keizer'.

Daartegenover ontwikkelde zich de positie van Eusebius van Caesarea, een van de vroegste kerkhistorici, die zich geheel liet betoveren door de schittering van de Romeinse macht en vooral door het wonderbaarlijke samenvallen van de Pax Romana met de komst van Christus. Het Romeinse Rijk werd voor hem een praeparatio evangelica, een voorbereiding voor het Evangelie, zoals de titel van een van zijn geschriften luidde. En in zijn 'Kerkgeschiedenis' schroomt hij niet om de kerk voor te stellen als het spirituele deksel dat precies past op het imperiale potje, waarbij dan uiteindelijk keizer Constantijn de figuur is die het deksel er ook feitelijk opschroeft. Kritische afstand is er dan niet meer.

Maar de interessantste positie werd ingenomen door Augustinus. Ondubbelzinnig, Tertulliaans bijna, was hij in zijn principiële afwijzing van het Romeinse imperium, ja van alle staten als zodanig. Ten principale zijn alle politieke constellaties gebaseerd op een moreel verwerpelijk verlangen naar aardse macht en glorie. 'Zonder gerechtigheid (voor Augustinus de bijbelse gerechtigheid) zijn staten niet meer dan roversbenden', aldus de kerkvader. En hij koppelt dit aan een scherp inzicht in de verschrikkingen van de oorlogen, waarmee elke opbouw van een imperium gepaard gaat: 'liefde voor geweld om het geweld, wraakzuchtige wreedheid, onverzoenlijke vijandschap, onbeteugelbare anarchie, machtswellust'. Maar bij die principiële, maar ook nogal makkelijke stellingname - nog immer populair in kerkelijke kring - laat Augustinus het niet. Immers, bij nader toezien is het ene imperium het andere niet. Het ene imperium slaagt er wel degelijk beter in dan het andere om iets van gerechtigheid gestalte te geven. En in deze sfeer, niet van absolute maar van relatieve goedheid, scoort het Romeinse Imperium toch punten - ook bij Augustinus. Hij bewonderde de hang naar vrijheid van de Romeinen. Hij observeerde dat zij vanwege hun verlangen naar roem in staat waren zich allerlei moreel lagere verlangens te ontzeggen. Dat maakte hen geen 'goede' mensen, maar wel minder slecht dan vele anderen. En bovendien hanteerden zij voor overwonnen volken geen andere wetten dan waar zij zelf aan gehoorzaamden. Uiteindelijk gaven ze aan alle overwonnen volken zelfs het Romeinse burgerrecht. Het zou zelfs denkbaar zijn dat zij zonder oorlogen, met instemming van alle volken, dezelfde rechtsorde gecreëerd hadden dan ze feitelijk met oorlogen tot stand gebracht hebben, zo wijs is hun bestuur. In deze lijn kunnen toch ook sommige van de door dit Imperium gevoerde oorlogen relatief rechtvaardig zijn, ter beteugeling of preventie van uitgesproken demonische schurkachtigheid die volken soms bedrijven.

Kortom, Augustinus blijft niet goedkoop staan bij de in christelijke oren altijd goed klinkende oneliners als 'geweld lost nooit iets op', om daarbij de eenvoudige ondermaanse waarheid te vergeten dat excessief, demonisch geweld bestaat en alleen met tegengeweld bezworen kan worden. Hij staat ook zeker niet als Eusebius bij wijze van spreken met de Romeinse vlag in de ene, de kruisvlag in de andere hand de legioenen toe te juichen.

De augustiniaanse benadering stelt een oordeel uit en poogt allereerst een set van onafhankelijke rechtvaardigheidscriteria te ontwikkelen waaraan men elk imperium kan meten. Op basis daarvan kan men dan in het concrete geval tot een onafhankelijk oordeel komen - en kan men het imperium permanent kritisch blijven volgen.

Het Imperium Americanum

Hoewel er heel wat pogingen zijn geweest om de oude imperiumgedachte nieuw leven in te blazen en heel wat landen imperiale ambities gekoesterd hebben, zijn toch de internationale verhoudingen onder het regime van de soevereiniteit meestentijds bepaald geweest door constructies van machtsevenwichten. Pas in de 20ste eeuw, met de actieve betrokkenheid van de Verenigde Staten in de wereld - van Woodrow Wilson tijdens de Eerste Wereldoorlog, via Franklin Roosevelt tijdens de Tweede Wereldoorlog, via een serie van presidenten (democraten en republikeinen) tijdens de Koude Oorlog, via Bill Clinton in Kosovo tot en met George W. Bush in Irak - lijkt zich weer voor het eerst op wereldschaal een toestand voor te doen die men als 'imperiaal' kan karakteriseren.

En inmiddels zijn ook in Amerika de Vergilius-achtige figuren opgestaan die de huidige positie van het Imperium bezingen, de Fukuyama's, de Huntingtons en het meest recent de groep die zich tooit met de naam New American Century. Hoe men hier verder over denken moge, hun geschriften zijn in elk geval een signaal dat Amerika zich zijn imperiale verantwoordelijkheid bewust geworden is.

De opkomst van het Imperium Americanum is zo gezien inderdaad het einde van een 'imperiumloos tijdperk', een soort intermezzo in de westerse geschiedenis, vanaf de late Middeleeuwen tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, beheerst door die merkwaardige notie van de 'soevereiniteit'. De Verenigde Staten lijken de nieuwe drager van de imperium-symboliek te zijn. Wie weet gaat Bush vandaag of morgen ook wel naar Rome.

Belangrijker is dat men in dit verband heel augustiniaans ook een 'imperiumtoets' zal moeten aanleggen. Dat zal niet in absoluut-morele termen kunnen. Ook het Amerikaanse imperium heeft in die termen trekken van een roversbende. Maar daarmee is niet alles gezegd. Is men niet meer dan een soevereine staat - en toevallig de sterkste? Gedraagt Amerika zich zoals eens die andere, nogal kleinschalige imperiale macht, Athene? Volgens de Griekse historicus Thucydides hadden voor de Atheners begrippen als 'gerechtigheid' alleen maar inhoud zolang verschillende partijen even sterk zijn, in situaties van machtsevenwicht dus. Wie sterker is hoeft zich aan recht niet langer te houden. Tegenover de opstandige kolonie Melos spraken de Atheners dan ook onbeschaamd: 'Van goden geloven we en van mensen weten we uit ervaring dat zij, als het maar even kan, alle macht naar zich toe trekken. Als jullie even sterk zouden zijn als wij, zouden jullie precies eender doen.' Vervolgens werd heel Melos uitgemoord - het zelftoegemeten recht van Athene als een 'soevereine' staat.

De publieke opinie in de Europese landen heeft in de afgelopen maanden en in feite al vele decennia de Amerikanen en hun verhouding tot de wereld afgeschilderd zoals Thucydides over Athene in verhouding tot Melos schreef. En niet verrassend is het dat recentelijk juist Frankrijk, de getergde kampioen van de stervende soevereiniteitsgedachte, zich aan het hoofd van deze beweging heeft gesteld. Amerika is in deze lijn zelf de agressor, de schurkenstaat, de terrorist - en wat niet al.

Maar wie Amerika alleen maar in deze termen ziet, als de zoveelste soevereine staat, sluit de ogen voor het unieke karakter van deze nieuwe drager van de imperiale waardigheid. Men komt zo niet aan het nuchtere, augustiniaanse 'meten' van het Imperium toe.

Allereerst is er op te wijzen dat Amerika (en zeker niet Frankrijk) de oudste democratie is van de moderne tijd en waarschijnlijk de langst functionerende democratie in de wereldgeschiedenis. De democratie is diep verankerd in de Amerikaanse constitutie en in de American mind. Ten tweede is er het ijskoude gegeven dat deze democratie verreweg het grootste deel van haar geschiedenis gefunctioneerd heeft in een wereld waarin democratische 'collega-staten' ofwel eenvoudigweg ontbraken of duidelijk in de minderheid waren. Nog maar zo'n vijftien jaar geleden werd ruim 65 procent van de wereldbevolking geregeerd door totalitaire of dictatoriale regimes. En Abraham Lincoln overdreef geen moment toen hij in 1863 ten tijde van de Amerikaanse burgeroorlog stelde dat bij verlies van de Noordelijke staten 'government of the people, by the people and for the people shall perish from the earth' (de regering van het volk, door het volk en voor het volk van de aardbodem zal verdwijnen). Zo eenzaam was het Amerikaanse experiment.

Begrijpelijkerwijs is de oudste democratie ter wereld kopschuw om zich nu met huid en haar te binden aan een internationale rechtsorde, waarvan het democratische en rechtsstatelijke karakter kennelijk zo fragiel en recent is. Een staatsgreepje in Rusland, een communistisch- of nationalistisch-totalitaire ideologische renaissance in China, wat militaire coups in Zuid-Amerika - en de Verenigde Staten zijn terug bij af, midden in een wereld vol dictaturen. En in zo'n wereld worden de bordjes snel verhangen: wat gisteren een 'misdaad tegen de menselijkheid' was, wordt opnieuw een weldaad en vice versa. In dit licht gezien heeft Amerika ten minste een eeuw lang het recht om zich afzijdig te houden van zaken als een internationaal strafhof (wat geen antwoord op de vraag is of deze afzijdigheid op dit moment ook wenselijk is).

Ten derde is er het wel heel curieuze gegeven dat we in Amerika de eerste supermacht in de wereldgeschiedenis aantreffen die na de aanvankelijke totstandkoming geen veroveringsoorlogen gevoerd heeft en nooit een koloniale macht is geweest. Toen men in 1898 verwikkeld raakte in de Spaans-Amerikaanse oorlog (waarbij de steun voor de Cubaanse onafhankelijkheidsbeweging een belangrijke aanjager was), verkreeg men bij de vredesonderhandelingen van Spanje de Filippijnen als kolonie. Maar direct barstte intern de discussie los of dit wel kon voor een land als de VS, dat vrijheid en zelfbeschikkingsrecht als fundamentaal beschouwde. Al vroeg werd daarom bewust het spoor naar onafhankelijkheid van deze kolonie ingeslagen. Nergens zijn de Verenigde Staten als bezettingsmacht gebleven. Zelfs het enige land dat ooit direct een aanval op hen had gelanceerd, Japan, hebben ze de mogelijkheid gegeven uit te groeien tot hun grootste economische concurrent.

Ten vierde hebben de Verenigde Staten zich in de 20ste eeuw al voluit de hoeder betoond van een internationale rechtsorde, en dat niet in formele zin maar inhoudelijk en feitelijk, met inzet van grote aantallen mensenlevens. De verwijten dat dit land de neiging heeft om de internationale rechtsorde te schofferen, klinken dan ook in historisch opzicht hol. Hoewel er intern voortdurend de verleiding was en is van de splendid isolation, is dit land steeds op de cruciale momenten zich bewust geweest van de imperiale rol die het in de wereld toebedeeld heeft gekregen.

Het zijn de Verenigde Staten geweest die, naast de Russen, het totalitaire gevaar van het nazisme in het Westen bedwongen hebben en almost singlehandedly de Japanse As-broeder in het Oosten. Het zijn de Verenigde Staten geweest die vervolgens de geestkracht opgebracht hebben om ook het andere totalitaire systeem, het communisme, gedurende veertig jaar ideologisch en politiek te weerstaan. Dat dit 'weerstaan' vaak buitengewoon smerige vormen heeft aangenomen, staat buiten kijf, maar dat de misdaden van het communisme onvergelijkelijk veel groter zijn eveneens. Hoe de wereld eruitgezien zou hebben zonder dat de Verenigde Staten in de 20ste eeuw hun imperiale verantwoordelijkheid genomen zouden hebben, laat zich slechts in zwarte tinten verbeelden.

Uiteindelijk heeft ook in de feitelijke formulering van de inhoud van die internationale rechtsorde het Amerikaanse initiatief een grote rol gespeeld. De Volkenbond was een exclusief Amerikaans initiatief (Woodrow Wilson) en de eerste concepten van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stammen uit Washington (met in een hoofdrol Eleanor Roosevelt)!

Last but not least is er het cultuurpsychologisch uiterst belangwekkende gegeven dat de strijd die de Verenigde Staten in de 20ste eeuw buiten eigen grondgebied gestreden hebben, zij in de jaren rond 1860 eerst in eigen boezem hebben gestreden. Waar elders is een burgeroorlog gevoerd om een typisch politiek-morele kwestie als de slavernij? Zo gezien vond de eerste Irak-achtige strijd al 140 jaar terug plaats bij Gettysburg. De imperiale missie van dit land is niet goedkoop tot stand gekomen.

Wie zo het totale spoor van de Verenigde Staten door de wereldgeschiedenis van de afgelopen honderd jaar beziet kan niet anders dan tot de conclusie komen dat de wereld het met een imperiale leider waarachtig slechter had kunnen treffen.

De achilleshiel

In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring heet het dat alle mensen gelijk geschapen zijn en het onvervreemdbare recht hebben op 'leven, vrijheid en het op eigen wijze nastreven van geluk'. De vooronderstelling - en achilleshiel - van de Amerikaanse imperiale politiek is dat men met de ontdekking van deze prioriteit van de politieke vrijheid op iets gestoten is dat universeel is. Het verlangen naar politieke vrijheid is, zo nemen de Amerikanen aan, het diepste politieke verlangen van alle volken op deze aardbodem.

Een van de meest creatieve en toonaangevende Amerikaanse politiek filosofen in de 20ste eeuw, de vorig jaar overleden John Rawls, heeft in een ingenieuze theorie deze universele betekenis van politieke vrijheid onderbouwd. Hoe men verder over deze onderbouwing precies denken moge (er is mijns inziens nogal wat op af te dingen), interessant is vooral dat Rawls hier iets nogal on-Amerikaans aan toevoegde. Even universeel is, aldus Rawls, na het veiligstellen van politieke vrijheid, een verlangen naar een zekere mate van sociale rechtvaardigheid. Als Rawls gelijk heeft, legt hij daarmee in feite de achilleshiel van de Amerikaanse politiek bloot.

Het is de achilleshiel van elke politiek, zoals die sinds het einde van de 18de eeuw is doorgevoerd die terecht het primaat van de politieke vrijheid stelt, maar het daar dan ook opzichtig bij laat. Wie met name naar de Europese 19de-eeuwse geschiedenis kijkt, ziet dat de typisch liberale gerichtheid op economische vrijheid een vruchtbare voedingsbodem creëert voor het verlangen naar gelijkheid, naar rechtvaardigheid. De wereldhistorische tegenmacht van het communisme in de 19de en vooral 20ste eeuw heeft uiteindelijk hierin haar brandstof gevonden. Het is niet ondenkbaar dat opnieuw een tegenmacht zich op deze morele grond kan verheffen en zich tegen de suprematie van de Verenigde Staten zal keren. Zal de islam zich wereldwijd als hoeder van rechtvaardigheid en solidariteit gaan opwerpen? Wat is op termijn in dit opzicht van China nog te verwachten? En dan heb ik nog niet eens gesproken over de nieuwe, niet-geografisch aanwijsbare bedreigingen van internationaal opererende terroristische netwerken, die niet hun interne motivatie, maar wel hun publieke steun mede uit morele verontwaardiging over economisch onrecht kunnen putten.

Speculaties zijn interessant maar ze mogen niet het zicht op de huidige realiteit benemen. En dat is dat de Verenigde Staten inderdaad gelijk hebben met hun aanname dat het verlangen naar politieke vrijheid universeel is en in feite de basis vormt voor economische rechtvaardigheid - en niet andersom. En dat dit niet alleen maar een puur Amerikaanse gedachte is, moge hieruit blijken dat ook de Indiase econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen deze visie ondersteunt. Niettegenstaande de zogenaamde Asian values die door diverse dictatoriale regimes als zelfrechtvaardiging in de strijd zijn geworpen, juichen mensen overal ter wereld als wrede dictaturen van hun sokkel vallen. Dat die vrijheid vervolgens nogal anders ingevuld kan worden en dat er wellicht ook aan veel diepere, cultureel-historische voorwaarden voldaan moet zijn om die vrijheid ook gestand te doen, is een boeiende en gecompliceerde kwestie waarover momenteel volop debat gaande is (bijvoorbeeld naar aanleiding van Huntingtons The Clash of Civilizations).

Maar dit laat onverlet het inzicht van Rawls en van Amartya Sen dat vrijheid zonder rechtvaardigheid is als een cheque die nooit verzilverd kan worden. Het imperiale beoordelingsdebat zal zich daarom nu juist op de vraagstukken van mondiale rechtvaardigheid moeten gaan richten.

Een zielloos Europa

Als we afzien van alle gebruikelijke, weerzinwekkende handelingen en beleidslijnen van imperiale machten, blijven we in het geval van de Verenigde Staten met een onverklaarde rest achter. Dat is de verbazingwekkende moreel-politieke gedrevenheid van deze wereldmacht.

In de Pax Americana hebben we van doen met een moreel-politieke kern die deze geopolitieke constellatie anders maakt dan alle andere, anders ook dan de Pax Romana.

Het is levensgevaarlijk allerlei culturele bezwaren die men koestert tegenover Amerika en de Amerikanen - oppervlakkig, materialistisch, economistisch, populistisch en ga maar door - door te laten spelen in de politieke beoordeling van dit Imperium. Interessante parallel: ook de oude Grieken bleven altijd neerkijken op de 'oppervlakkige' Romeinen, maar waren intussen zelf niet in staat hun eeuwige onderlinge gevechten te boven te komen behalve in een van buitenaf opgelegd imperiaal kader. Ik wijs bij herhaling nog maar op de foezelige verhouding van die voor ons besef toch schitterende democratie Athene met de kolonie Melos.

Het huidige Europa mist de moreel-politieke kern van het Amerikaanse Imperium - en het is er jaloers om. Het is te veel gebouwd op de illusie dat men door economische samenwerking uiteindelijk wel zal toegroeien naar een vergelijkbare politiek-morele substantie. Maar nog in de jaren negentig moet een van Europa's meest visionaire politici, de Fransman Jacques Delors, zich beklagen over het gebrek van Europa aan een 'ziel'. Hij deed in dat verband zelfs in arren moede een beroep op die al sinds lang in Europa aanwezige instelling, de kerk c.q. kerken. Maar zolang die zich de augustiniaanse meetkunde, tussen Tertullianus en Eusebius in, niet opnieuw eigen maken, zijn ze niet op deze taak berekend.

Ook is duidelijk dat de Verenigde Naties (laat staan diens voorganger de Volkenbond) in de 20ste eeuw nooit tot een dergelijke moreel-politieke imperiale politiek in staat zouden zijn geweest of in de nabije toekomst zullen zijn. Het is verbazingwekkend en wellicht tekenend voor het hedendaagse rechtsbesef hoezeer in de discussies rond Irak de procedurele kant van het internationale recht alle aandacht kreeg (de Van Mierlo's tierden weer welig), terwijl aan de inhoudelijke kant van deze rechtsorde, de handhaving van de mensenrechten, vrijwel stilzwijgend werd voorbijgegaan (de Max van der Stoels waren in de Europese discussies roependen in de woestijn). Op procedurele gronden verdedigden velen afzijdigheid van het Iraakse regime dat zich inmiddels ontwikkelde tot een wrede dynastie, met zonen wier pinken dikker waren dan huns vaders lendenen, en dat tot zeker 2050 de politieke situatie in het Midden-Oosten voor een belangrijk deel zou hebben bepaald.

In de Verenigde Staten is inmiddels, vooral na nine-eleven, ook het geopolitieke inzicht gegroeid dat geografische 'soevereiniteit' inmiddels ook technologisch een achterhaald begrip geworden is. In een hoog-technologische wereldsamenleving kunnen zich allerlei netwerken organiseren die met welgekozen aanslagen overal ter wereld angst kunnen zaaien. Toch kunnen deze zwevende netwerken zelf niet zonder tenminste hier en daar een geografische pied-à-terre. Trainingskampen bijvoorbeeld blijven toch een behoorlijke lap grond vereisen.

Al vele jaren is dit een zeer internationale markt waar men uiterst curieuze dwarsverbanden tegenkomt. Recentelijk kwamen de banden aan het licht die de ultra-katholieke Ira onderhoudt met Colombiaanse drugskartels - hoewel men de paus toch bepaald geen fervent verdediger van drugsgebruik kan noemen. En al in de jaren zeventig waren er gezamenlijke trainingskampen van de PLO en de Duitse Rote Armee Fraktion. Kortom: men heeft maar een of twee landen nodig die zich onttrekken aan de internationale rechtsorde om een hele waaier van terroristische organisaties van allerlei ideologische snit te faciliteren. In de internationale rechtsorde kan men zich daarom niet langer 'lekken' permitteren: landen, al zijn ze maar klein, die zich opzichtig 'soeverein' verklaren en zich nergens iets van aantrekken.

Volgens een oud inzicht, verwoord in het bijbelboek Daniël, zijn imperia op lange termijn altijd fragiel. Het gebezigde symbool is hier niet dat van een achilleshiel maar van een imposant beeld met voeten die bestaan uit een moeilijk mengsel van ijzer en leem. Een dergelijk beeld, symbool van een imperium, kan daarom zomaar van zijn sokkel vallen, door een geestelijke tegenkracht die ontstaat 'zonder dat het daar zelf de hand in gehad heeft' (denk aan de plotselinge ineenstorting van het sovjet-imperium).

En de Imperium-metende Augustinus vult dit beeld aan met het inzicht dat een imperium slechts tijd kan 'kopen' met rechtvaardigheid als enig betaalmiddel. Dat het hele vraagstuk van de internationale rechtvaardigheid in het beleidsdocument van de 'New American Century' niet wordt genoemd, is een veeg teken. Of het Imperium Americanum, deze meester van de commercie, ook dit 'commerciële' inzicht zal hebben, zal wel eens de meest dringende vraag van de komende decennia kunnen worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden