Paulus VI herstelde band met moderne kunst

Wie in de rij gaat staan voor de Vaticaanse musea, komt voor de Sixtijnse kapel, de Stanze van Rafaël of de Apollo Belvedère. Onsterfelijke hoogtepunten uit de klassieke oudheid en de Renaissance, gemaakt voor of verzameld door de pausen. Maar midden in dit immense labyrinth vol fresco's en marmer is er plotseling een verzameling moderne kunst. Een pausportret van Francis Bacon, een stilleven van Morandi, een landschap van Kirchner: wat doet dit hier?

MARTINE STROO

Op 7 mei 1964 sprak Giovanni Battista Montini, een jaar eerder geïnstalleerd als paus Paulus VI, in de Sixtijnse kapel een gezelschap kunstenaars toe. Hij constateerde met spijt een breuk tussen kerk en kunst in de moderne tijd: enerzijds zochten levende kunstenaars hun inspiratie niet meer in de kerk en anderzijds had de kerk zelf zich van het modernisme afgekeerd.

Paulus VI wilde de band, die in het verleden wederzijds zo vruchtbaar was geweest (een blik op het plafond was genoeg) graag hersteld zien. En dat met een dringende reden: “Wij hebben u nodig! ... Zoals u weet, is het onze opdracht ... de wereld van de geest, van het onzichtbare, het onuitspreekbare, de wereld van God toegankelijk en begrijpelijk, ja zelfs aanlokkelijk te maken. En in die vaardigheid, die de onzichtbare wereld in toegankelijke, begrijpelijke formules overbrengt, bent u de meesters.” De paus drong aan: “Wilt u vrede sluiten? Vandaag? Hier? Zullen wij weer vrienden worden?”

De verwijdering tussen kerk en levende kunst die Paulus VI memoreerde, was begonnen in de achttiende eeuw, onder invloed van Verlichting en positivisme. Het universum waarin kerk en leven één waren, was doorbroken. In de 20ste eeuw was de kunst autonoom, individueel en subjectief geworden. De kerk op haar beurt had zich in de loop van de 19de eeuw afgekeerd van het eigentijdse en was vervallen tot zich eindeloos herhalende thema's en retro-stijlen.

In 1964 was de tijd rijp voor verandering. Dialoog en modernisering stonden centraal tijdens het Tweede Vaticaans Concilie, dat in 1961 onder Johannes XXIII begonnen was en in 1965 door Paulus VI zou worden afgesloten. Bovendien was de nieuwe paus geïnteresseerd in eigentijdse kunst. Al in 1931 had hij in het tijdschrift Arte Sacra een artikel over de toekomst van de religieuze kunst gepubliceerd. In de jaren '50 had hij een studiegroep opgericht die zich met de geschiedenis van het onderwerp bezighield. Toen hij het pauselijk paleis betrok, liet hij zijn vertrekken moderniseren en voorzien van werken van levende Italiaanse kunstenaars. Vele van hen kende hij persoonlijk. Kunst vormde voor deze paus een onmisbare schakel tussen het mysterie en de mens.

De paus maakte zijn verlangen naar verzoening voor iedereen zichtbaar in het Museo d'Arte Religiosa Moderna. Tussen 1964 en 1973 werd het leeuwendeel van de verzameling gevormd. Waar de kerk vroeger opdrachten aan kunstenaars zou hebben gegeven, koos men nu een andere methode.

Voor dit goede doel werden schenkingen gevraagd. Overal ter wereld werden op initiatief van het Vaticaan comité's gevormd, die schenkers aanzochten en donaties selecteerden. De persoonlijk secretaris van de paus had de leiding. Reacties kwam in de eerste plaats uit Italië, maar ook uit Spanje, Frankrijk, Joegoslavië, Engeland, Duitsland, de Verenigde Staten, Mexico, Zuid-Amerika en Japan. Onder de schenkers waren bedrijven, banken, kloosters, speciaal gevormde groepen en veel individuen - geestelijken en galeriehouders, politici en verzamelaars. Vooraan stonden echter de kunstenaars - soms vertegenwoordigd door hun erfgenamen.

Natuurlijk sneed het mes aan twee kanten: het moet voor velen zeer aantrekkelijk zijn geweest op deze manier een plaatsje in het Vaticaan te veroveren.

Terwijl de schenkingen binnenkwamen, werd in het Vaticaan het appartement van de beruchte Renaissance-paus Alexander IV (Borgia), met prachtige laat-15de-eeuwse frescoplafonds van Pinturicchio en zijn school, gerestaureerd en met andere zalen verbonden. In totaal kwamen er, vlakbij de Sixtijnse kapel, maar liefst 55 zalen vrij, waarin zo'n 700 werken werden geïnstalleerd. Het statement was niet mis te verstaan.

Vijfentwintig jaar geleden, op 23 juni 1973, vond de inauguratie plaats. Opnieuw was er een mis in de Sixtijnse kapel, nu voor alle schenkers. De paus was niet zonder kritiek op de 'gevaren' van de geïndividualiseerde en gepsychologiseerde moderne kunst. Maar hij sprak zijn grote vreugde uit over de nieuwe collectie, die bewees dat het ook in onze 'nuchtere, geseculariseerde ... wereld' nog mogelijk was 'boven het echt menselijke uit ook het religieuze, het goddelijke, het christelijke tot uitdrukking te brengen'.

Nauwelijks een maand na de opening kreeg de kunsthistoricus Mario Ferrazza de leiding over de collectie. Hij had zijn entree gemaakt als redacteur van de catalogus. Vijfentwintig jaar later is Ferrazza bescheiden over 'zijn' verzameling: “We zijn nog heel jong, 25 jaar is niets... En we zijn helemaal afhankelijk van schenkingen. We zijn een collectie, geen museum.” Op de vraag aan welke eisen een kunstwerk moet voldoen om geaccepteerd te worden, antwoordt Ferrazza: “Het moet het vermogen hebben om een zekere religiositeit uit te drukken, het gaat ons alleen om werken met een werkelijke betekenis. Er bestaan ook kunstwerken die religieus lijken, maar het niet zijn. Natuurlijk gaat het daarnaast ook om de kwaliteit.”

Hoe breed beide criteria - kwaliteit en religiositeit - zijn opgevat, blijkt bij een nadere blik op de collectie. Het merendeel van de verzameling is van een kwaliteit die in andere musea voor moderne kunst tot de depots veroordeeld zou worden, als zij al zou zijn opgenomen. Er zijn vele brave imitaties van de 'klassiek modernen' en er is regelrechte kitsch. Aan de andere kant zijn er niet te verwaarlozen werken van bijvoorbeeld Gabriele Münter, Francis Bacon, Marino Marini, Emil Nolde, Giorgio Morandi, James Ensor, Giorgio de Chirico en Ben Shahn. Veel andere grote namen uit de 20ste-eeuwse kunstgeschiedenis zijn weliswaar vertegenwoordigd, maar met marginale werken. Van Wassily Kandinsky is er een houtsnede, van Henry Moore een tekening, van Pablo Picasso twee keramieken borden.

Fascinerender in deze collectie is echter de opvatting van het begrip 'religiositeit'. Om te beginnen blijkt dat méér te kunnen zijn dan rooms-katholicisme. Er zijn veel werken van joodse kunstenaars, het meest prominent die van de Amerikaanse schilder Ben Shahn met beelden en teksten uit het Oude Testament. Ferrazza: “Het gaat in deze collectie om religie, niet om katholicisme, dat is het mooie ervan. Dat is een uitvloeisel van het Tweede Vaticaans Concilie. Behalve een religieuze oecumene, bestaat er ook een artistieke.” En niet alleen het katholieke geloof, maar ook de clerus kan in dit deel van het Vaticaan tegen een stootje. Francis Bacons 'Study for Velazquez Pope' handhaaft de alles ziende ogen van zijn voorbeeld, Velazquez' 'Innocentius X', maar het gezicht van deze paus is door Bacon bruut uit elkaar getrokken. De Colombiaan Fernando Botero laat in zijn 'Trip to the Ecumenical Council' een bisschop zien die even bolrond opgeblazen is en even naïef kijkt als alle andere personages in zijn oeuvre.

Bij het merendeel van de werken is de link met het rooms-katholicisme onmiskenbaar, maar die kan vele vormen aannemen. Aan de ene kant van het spectrum bevindt zich de sacrale kunst, gemaakt voor de kerk. De collectie was met nadruk niet bedoeld voor deze categorie, maar er zijn enkele uitzonderingen gemaakt, volgens Ferrazza omdat in deze werken 'de reflectie van de religiositeit van de kunstenaar' doorbreekt. Henri Matisse's volledige uitrusting van de Chapelle de la Rosaire in Vence, kort voor zijn dood voltooid, is vertegenwoordigd met onder meer kazuivels, litho's en een crucifix. En er is de Cappella della Pace, een kleine kapel met complete inventaris, die de Italiaanse beeldhouwer Giacomo Manzù in 1961 had opgedragen aan Johannes XXIII. Niet direct bedoeld voor de kerk, maar wel passend in de traditie zijn de vele crucifixen, kruiswegen, pietà's en andere verbeeldingen van klassieke thema's.

Andere kunstenaars zijn 'moderner', in de zin dat zij de traditionele christelijke beelden gebruiken als metafoor voor menselijke gevoelens - meestal voor het menselijk lijden. De Italiaan Ottone Rosai schilderde tijdens de oorlog zijn 'Uomo crocefisso': een man in pak die aan het kruis genageld is, op de achtergrond een brandende stad. James Ensor gebruikte in zijn 'Procession des pénitents de Furnes' de intocht van Christus in Jeruzalem als metafoor voor de spot waarvan hij zelf het slachtoffer was. En van de Pool Antoni Rzasa is er een hangende Christus in het streeppak van een gevangenis of concentratiekamp.

Een aantal schilderijen en beelden lijkt op het eerste gezicht niet in deze collectie thuis te horen. De aanwezigheid van de volledig abstracte werken wordt meestal wel door hun titel verklaard: een blokkencompositie van de Spaanse beeldhouwer Chillida heet 'Proyecto para altar', een blauw gevlekt doek van de Frans/Hongaarse schilder Simon Hantaï draagt de titel 'Le manteau de la Vierge'. Veel groter is echter het aantal werken waar voor de argeloze beschouwer met geen mogelijkheid iets religieus aan te ontdekken valt. Het kleine rijtje werken van Nederlandse herkomst bevat een goed voorbeeld. Behalve een 'Pietà' van Van Gogh, een sacraal 'Fischfenster' van Thorn-Prikker, een aantal katholieke thema's van Joep Nicolas en een 'Pietà' van Charles Eyck, is er ineens een 'Bomen langs het Gein', een vroeg landschap van Piet Mondriaan (momenteel in het depot). Er zo zijn er veel meer landschappen, stadsgezichten - al dan niet met kerk -, stillevens, ruiterbeelden en andere op het eerste gezicht 'profane' werken. Maar Ferrazza ziet hier geen enkel struikelblok. Over Giorgio Morandi's beroemde stillevens van flessen en bloemen, waarvan het museum enkele prachtige voorbeelden bezit: “Wat kan er religieuzer zijn dan iemand die in alle bescheidenheid de meest eenvoudige dingen benadert, de alledaagse dingen: dat is... een kwestie van nederigheid, van spiritualiteit.”

Behalve 'religiosa' heet het museum ook 'moderna'. Maar wat heet modern? Het vroegste werk is een aquarel van Goya uit 1819, het meest recente stamt uit 1985, de abstracte streepjescompositie 'Omaggio a Jacopone da Todi' van de Italiaan Piero Dorazio (voorlopig nog in het depot). De jaren vijftig en zestig zijn nog steeds onevenredig sterk vertegenwoordigd; nieuwe genres van de laatste decennia ontbreken volledig.

De collectie als geheel, hoe modern ook temidden van alles wat haar omgeeft, maakt de indruk niet van nu te zijn. Maar Ferrazza vindt dat geen bezwaar: “Het opnemen van kunst die gisteren gemaakt is, is meer iets voor een ander soort collectie. Wij willen wat afstand, wat bezinking.” En het blijkt wel degelijk denkbaar dat in het Vaticaan ooit conceptuele kunstwerken, installaties of video's te zien zullen zijn: “Misschien komen die wel, onder mij of onder mijn opvolger. Men zal zich steeds verder openstellen. Ik zeg niet nee, ik sluit niets bij voorbaat uit...”

Het ziet ernaar uit dat het Museo d'Arte Religiosa Moderna voorlopig een 'mixed blessing' zal blijven. Voor de doorsnee bezoeker is het een struikelblok op weg naar de Sixtijnse kapel: hij loopt zo snel mogelijk door. De liefhebber van moderne kunst moet té veel moeite doen om in deze collectie werken te vinden die er toe doen. Maar het museum is, onbedoeld, een monument geworden voor de man die de Vaticaanse musea geopend heeft voor onze tijd, paus Paulus VI.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden