Paul Weemering 1917-2008

In de oorlog was Rotterdammer Paul Weemering een van de partizanen van Baarlo. Na de oorlog verkocht hij huishoudelijke artikelen.

Hij was hoffelijk – het type man dat een vrouw het compliment maakt van een handkus, en weet hoe dat hoort: zonder met de lippen haar hand te raken. Zelf was hij altijd tot in de puntjes verzorgd: smetteloze pakken, perfect getrimde snor. ’Een echte gentleman’, zeiden ze in Heeze.

Maar achter die David Niven-achtige figuur ging een verzetsman schuil.

Achteraf is oordelen zo makkelijk, zei Paul Weemering, als het ging over de vraag hoe nuttig het werk van zijn verzetsgroep was geweest.

Dat was ruim vijftig jaar na dato, in 1995. Hoe het in 1944 was gegaan was inmiddels tot een televisieserie geboetseerd, ’De Partizanen’ – regie Theu Boermans, scenario Jan Blokker. Daarin leek het of het verzet rond het Noord-Limburgse Baarlo de bevrijding geen stap dichterbij had gebracht.

Soms was Paul Weemering er zelf ook relativerend over („een achteraf vrij nutteloos huzarenstukje”, zei hij ooit), maar anderzijds liet hij zich ook weer niet door een ander aanwrijven dat het vergeefs was geweest. Had zijn groep op 20 september 1944 bijvoorbeeld niet die elf Duitse parachutisten gevangen genomen, die samen 16 pantservuisten bij zich hadden –het Duitse antitankwapen tijdens de Tweede Wereldoorlog– dan hadden die aan het front bij Meijel toch simpelweg veel kwaad gekund. Dus hoezo, geen stap dichterbij?

Eigenlijk had Paul Weemering, enig kind in een Rotterdams gezin waarvan de vader scheepstimmerman was en het binnenwerk van grote passagiersschepen maakte, sportleraar willen worden. Als jongen wilde hij niets liever. Hij wielrende, deed aan atletiek en bokste. Hij was een tijdje sparring partner van Bep van Klaveren, de Rotterdamse boksheld.

Maar de oorlog kwam ertussen. Hij was gemobiliseerd toen de oorlog uitbrak en vocht als scherpschutter aan het front aan de Grebbelinie, waar hij tot de laatste kogel doorvocht. Vanaf dat front kon je in de meidagen van 1940 Rotterdam zien branden. Toen hij na de capitulatie in de stad terug was, was het decor van zijn jeugd verdwenen. Weggebombardeerd.

Hij was een tijdje hulpagent in Rotterdam, maar dat was meer voor de vorm, om te ontkomen aan gedwongen arbeid in Duitsland. Ondertussen hielp hij joden. Eigenlijk wilde hij naar Engeland. Hij probeerde daar in mei 1943 te komen via Zweden, maar dat lukte niet. In Duitsland werd hij opgepakt en hij kwam in een strafkamp terecht.

Daar verwondde hij zijn linkerhand opzettelijk, zodat hij in het ziekenboeg terecht zou komen – dan kon je makkelijker vluchten. Weer terug in Nederland was Rotterdam te gevaarlijk. Paul Weemering dook onder op het Brabantse platteland en leidde er vanuit Schijndel de knokploeg ’Maas en Waal’.

Eind van de zomer van 1944, de Geallieerden waren inmiddels hard op weg naar Nederland –Brussel en Antwerpen werden al bevrijd– kreeg zijn knokploeg het bevel om naar Limburg te gaan, om er liefst een brug over de Maas te veroveren.

Maar al beweerde radio Oranje ’Het uur der bevrijding heeft geslagen!’ en veroorzaakte dat op 5 september ’Dolle Dinsdag’, het einde van de oorlog liet op zich wachten. Nog die week herpakten de Duitsers zich langs de Maas. De verzetsgroepen zaten op een wapendropping te wachten, maar die bleef uit. In Baarlo, een dorp op de linker Maasoever net onder Venlo, hielden Weemering en zijn groep zich schuil op een boerderij. De enige manier om aan wapens te komen, bedachten ze, was om ze af te pakken van Duitsers.

Ze maakten eerst vier, toen zes, toen nog eens elf man gevangen. Nu hadden ze wel wapens, maar ook hadden ze nu twintig gevangenen te onderhouden. Die waren een blok aan het been. Niet alleen mocht doodschieten niet van de Conventie van Genève en niet alleen peperde generaal Eisenhower dat via de radio nog wat extra in.

Ook voelden ze aan dat ze van zo’n massa-executie levenslang beroerd zouden zijn. Begin oktober, toen ze ontdekten dat twee van hun gevangenen infiltranten van de SS waren, waren ze er al niet goed van toen ze die twee fusilleerden – Weemering zelf gaf het commando ’Vuur!’

Dus zeulde de knokploeg wekenlang in regen en kou door de bossen rond Baarlo met ruim twintig Duitsers, van schuilplaats naar schuilplaats. Van de boerderij waar ze aanvankelijk zaten naar een ondergronds hol in het bos. Van het ondergrondse hol naar een schaapskooi kilometers verderop. Van de schaapskooi weer terug naar de ondergrondse schuilplaats. Nu en dan maakten ze een paar nieuwe gevangenen.

Toen de groep op 19 november zo’n dertig Duitsers overdroeg aan de Engelsen, hadden ze er 66 dagen met hen op zitten. Zuid-Nederland was bevrijd, maar voor Weemering hield de oorlog nog niet op. Hij werd lid van de Stoottroepen –het stukje leger dat bestond uit voormalige knokploegleden– en leverde de lijfwacht voor prins Bernhard omdat zijn mannen er zo onberispelijk uitzagen. Weemering was erbij toen de vrede in 1945 in hotel De Wereld in Wageningen werd getekend.

Maar in 1947 wilde hij niets meer met leger en oorlog te maken hebben. Hij sloeg Bernhards aanbod („Jij wordt kapitein en gaat met de Stoottroepen naar Indië”) af, antwoordde „Hoogheid, ik heb andere plannen” en trouwde met het meisje dat hij in de laatste dagen van de oorlog had ontmoet: Rietje Vogels uit Schijndel.

Met haar dreef hij jarenlang een winkel in huishoudelijke artikelen in Heeze. Tot halverwege de jaren vijftig de eerste historische artikelen over de partizanen van Baarlo werden geschreven –later, in de jaren tachtig, volgden nog twee boeken– wilde hij met die tijd liefst niets te maken hebben. Sinds de oorlog had hij om de zoveel tijd last van zijn maag: de spanningen van toen kwamen er uit.

Rietje en hij kregen geen kinderen – tot hun verdriet. Maar hun huis, een oud pand aan het grote plein van Heeze dat ze zelf opknapten, werd zo’n plek waar neven en nichten graag kwamen.

Ze kwamen geen van beiden uit Heeze, maar kwamen met glans door het onuitgesproken Brabantse inburgeringsexamen voor mensen ’van buiten’. Paul Weemering had een opmerkelijke gave om zich geliefd te maken. Dat bleek al toen hij eind jaren zestig de plaatselijke politiek in ging, als nummer vijf op de lijst stond van de ’Lijst Trouwen’ en meer stemmen trok dan de lijsttrekker.

Ruim twintig jaar lang diende hij de gemeentepolitiek, zat (later voor zijn eigen partij, de Groep Weemering) in de gemeenteraad, was wethouder en locoburgemeester.

Hij had het land aan overdrijving en verdraaiing van feiten – zoals wanneer een gemeenteraadslid sprak van „schrijnende woningnood in Heeze” terwijl niemand er langer dan tien maanden op een woning hoefde te wachten. Drie keer vond vlak bij Heeze een flink treinongeluk plaats – telkens vanwege een haperende wissel. Op zulke momenten was Weemering op z’n best, zoals hij op recepties ook altijd een speciaal oor had voor problemen, noden, behoeftes.

Werd hem gevraagd hoe hij erin slaagde er zo goed uit te blijven zien, dan zei hij dat hij uierzalf gebruikte – of dat ernst was of een grap liet hij in het midden. Maar naarmate zijn einde naderde, kwam de ernst van de oorlog terug. Een paar dagen voor zijn dood zat hij ermee of hij destijds op de Grebbeberg niet ook onschuldigen had geraakt. Toen hij was overleden, net voor de herdenkingsdagen, droegen de Stoottroepers zijn kist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden