interview

Paul Rosenmöller wil een landelijk onderwijspact: ‘De hoofdprijs is voor de leerling’

Paul Rosenmöller is voorzitter van de VO-Raad Beeld Werry Crone

Krimp, segregatie, lerarentekorten: het Nederlandse onderwijs kampt met grote uitdagingen. Daarom pleit Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-Raad, voor een landelijk onderwijspact. ‘De rek is uit het systeem.’

Een systeemcrisis in het onderwijs? Zo ver wil Paul Rosenmöller niet gaan. Liever spreekt hij van ‘een aantal objectieve factoren die bepaald uitdagend zijn’. In het kantoor van de VO-Raad in Utrecht, de vereniging van schoolbesturen in het voortgezet onderwijs, neemt de voorzitter een gulzige slok karnemelk. “Ik heb vanochtend een uur hardgelopen en alleen een krentenboterham gegeten”, verontschuldigt de tengere oud-politicus zich. “Zo krijg ik toch iets van calorische waarde binnen.”

Rosenmöller is fervent hardloper, hij liep meerdere marathons. Dat komt goed van pas, nu hij zich voor een professioneel vraagstuk geplaatst ziet dat het nodige uithoudingsvermogen vergt: de stroeve transitie die het Nederlandse onderwijs moet doormaken. De maatschappij verandert razendsnel – zo snel dat scholen het lastig bij kunnen benen. Zeker in combinatie met een oplopend lerarentekort en hoge werkdruk, een bittere cocktail die tot veel onvrede en uitval leidt.

Fundamenteel

Het onderwijs staat de komende tijd voor een aantal ‘fundamentele uitdagingen’, zegt Rosenmöller. Maatschappelijke ontwikkelingen als digitalisering, internationalisering en segregatie stellen scholen voor nieuwe vragen. “Daarnaast hebben we te maken met krimp, met een lerarentekort en met een bestel dat uit allemaal afzonderlijke partjes bestaat. De rek is uit het systeem.”

Om te zorgen dat de kwaliteit in de toekomst behouden blijft, is volgens hem veel meer samenwerking en een breed gedragen langetermijnvisie nodig. “We zitten nu aan verschillende tafels allerlei deeloplossingen te zoeken. De samenhang tussen thema’s kan en moet beter. De vraag is: kunnen we sterker zijn met elkaar in plaats van alles op deelterreinen te bespreken?”

In zijn jaarrede voor middelbareschoolleiders pleit de voorzitter van de VO-Raad vandaag voor een landelijk ‘onderwijspact’ voor de komende tien tot vijftien jaar. Een soort deltaplan voor het onderwijs waarover iedereen mag meepraten: leerlingen, ouders, leraren en medewerkers van basisschool tot universiteit.

Maar ook de politiek moet een duit in het zakje doen. Van Den Haag vraagt Rosenmöller betrokkenheid in de vorm van een investeringsprogramma dat zich uitstrekt over meer dan één kabinetsperiode. “Het is voor scholen lastig dat de politiek denkt met een horizon van vier jaar, terwijl het onderwijs denkt met een horizon van vijftien jaar. Wij hebben behoefte aan continuïteit en aan duidelijkheid over de financiering.”

Voor zo’n pact bestaat ook in het basis- en hoger onderwijs animo, weet Rosenmöller. “Dit verhaal is geïnspireerd door allerlei gesprekken die we het afgelopen jaar hebben gevoerd met collega’s van basisonderwijs tot universiteit, met de Onderwijsraad en met de vakbonden.” Hij geeft een voorzet op drie thema’s.

Thema 1: Lerarentekort

Volgens de laatste ramingen van het ministerie van onderwijs is er in 2022 een tekort van ruim 4100 leraren, oplopend naar 11.000 in 2027. “Dat tekort gaat alleen maar toenemen”, zegt Rosenmöller. “De uitdaging is om jonge leraren in dienst te houden. Je wilt de achterdeur dichthouden.”

Het grootste probleem is de werkdruk, zegt hij. Om die te verlagen moet de lestijd omlaag en de tijd die leraren hebben om zichzelf en hun onderwijs te ontwikkelen omhoog. “Als we die beweging écht willen maken, vraagt dat een overheidsinvestering van een paar honderd miljoen. We vinden het jammer dat dat er niet komt. Er is eerder substantieel meer geld naar het basisonderwijs gegaan, maar daarmee zijn we er niet. Ook het voortgezet onderwijs kampt met een gebrek aan investeringen.”

Maar scholen moeten ook de hand in eigen boezem steken, vindt Rosenmöller. “Het begint ermee dat wij het zelf beter moeten doen. Het is belangrijk dat leraren goede vertegenwoordigers hebben. Bij een transitie naar beter onderwijs is het cruciaal dat je de leraren meehebt.”

Toch komt een sterke, brede beroepsvereniging voor leraren maar moeizaam van de grond. Er werd eerder een poging gedaan met De Onderwijscoöperatie, bedoeld als organisatie ‘van, voor en door leraren’ die zich moest inzetten voor een sterke en professionele beroepsgroep. Maar de leiding was in handen van beroepsbestuurders in plaats van mensen die zelf voor de klas staan.

Hoe het wel moet, dat weet Rosenmöller zelf ook niet meteen. “Mij maakt het niet zoveel uit hoe het georganiseerd is. Maar het is van het grootste belang dat we een representatieve groep leraren hebben. In het voorgezet onderwijs werken 100.000 leraren, in het basisonderwijs nog veel meer. Bij elkaar zijn het er een kwart miljoen. Natuurlijk staan die neuzen niet allemaal dezelfde kant op. Dat is ook het punt niet. Maar in alle sectoren moet dee werkdruk omlaag. Die transitie moeten we met z’n allen versnellen en een boost geven.”

Thema 2: Krimp

Door dalende geboortecijfers heeft zo’n 40 procent van de middelbare scholen in Nederland te maken met een dalend aantal leerlingen. Volgens de huidige prognoses daalt het leerlingenaantal in het voortgezet onderwijs met 12 procent tot 2028. Dat kan leiden tot (te) hoge vaste lasten voor scholen, waardoor fusies en nieuwe samenwerkingen onvermijdelijk zijn.

“Het is cruciaal dat scholen elkaar beter weten te vinden, meer samenwerken en minder concurreren. Ook de overheid moet investeren in het verbinden van scholen. Maar het moet óók zo zijn dat waar je ook woont, er dichtbij huis onderwijs is van een hoog niveau. Dat kan betekenen dat de laatste school in een regio extra geld moet krijgen, omdat die anders niet kan voortbestaan.”

Volgens Rosenmöller kijken raden van toezicht nog te veel naar het ‘instellingsbelang’, ofwel het overeind houden van hun eigen school. “Maar de school is een instrument, geen doel op zich. Om samenwerking te bevorderen zou je bijvoorbeeld naar de inspectie kunnen vragen een school mede te beoordelen aan de hand van de vraag op welke wijze die invulling geeft aan samenwerking.”

Ook visitaties, waarbij schoolbesturen bij elkaar op bezoek gaan en elkaar beoordelen, juicht hij toe. “Dat gebeurt steeds meer. We moeten samen kijken hoe we de talenten van leerlingen het best vorm kunnen geven. Scholen moeten nadenken over een goede balans tussen de bekende drieslag van het onderwijs: kennis, vaardigheden en persoonsvorming. Daarin kunnen ze veel van elkaar leren en elkaar helpen.”

Thema 3: Maatwerk

“Veel scholen hebben het zich al eigen gemaakt na te denken over maatwerk”, zegt Rosenmöller. “Maar het is ingewikkeld. Het vraagt om het anders organiseren van het onderwijs.”

Hij pakt er een tabel van een vmbo-klas bij. De kaderleerlingen zijn groen, die van de theoretische leerweg (het hoogste niveau binen het vmbo) rood. Hun toetsresultaten in de vakken die ze volgen, laten sterk uiteenlopende niveaus zien. Zo is er een leerling die uitblinkt in Engels op vwo-niveau, maar bij wiskunde op het laagste niveau blijft steken.

Wat Rosenmöller maar zeggen wil is: het wordt tijd voor meer maatwerk. “Je moet durven praten over een algemeen voortgezetonderwijsdiploma met verschillende examenniveaus per vak. Daarvoor is onder meer veel meer samenwerking nodig met het hoger onderwijs. Leerlingen moeten weten wat de vervolgopleidingen aan eisen stellen voor de studies die ze aanbieden, zodat ze daar naartoe kunt werken.”

Het voortgezet onderwijs moet zich ook verantwoordelijker gaan voelen voor de lerarenopleidingen. “Voor de curriculumherziening zijn we nu in gesprek met het hoger onderwijs. Dat is belangrijk. Wat verwachten zij van leerlingen, welke tekorten hebben ze? En wat moeten wij beter doen? Op onze beurt willen wij als voortgezet onderwijs aan de lerarenopleidingen duidelijk maken wat de leraren moeten kennen en kunnen. Laten we dat met elkaar doen.”

Maatwerk vraagt bovendien om een andere blik op het starre onderscheid tussen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs, zegt Rosenmöller. “Waarom kunnen havisten en vwo’ers geen beroepsgerichte vakken volgen? En wat kunnen ze allemaal buiten de school leren? Kijk naar de klimaatmars: hoeveel leer je niet van zo’n dag? Dat is burgerschap! Die balans tussen leren in en buiten de school moeten we samen vernieuwen.”

Meer thema’s

Natuurlijk zijn er veel meer thema’s die onderdeel moeten uitmaken van het onderwijspact, benadrukt Rosenmöller. Maar het belangrijkste is dat er een alomvattende discussie over de wensen van het onderwijs voor de lange termijn wordt gevoerd.

Daarbij gaat het er niet om dat leerlingen altijd maar hogere niveaus moeten halen. Wél dat ze met meer plezier naar school gaan. “In Nederland hebben we echt een motivatieprobleem bij leerlingen, ook vergeleken met de landen om ons heen. Ons onderwijs boeit niet genoeg. Leerlingen gaan graag naar school voor de sociale context, maar niet graag genoeg voor het onderwijs. Dat heeft ook weer te maken met de overladenheid van leraren. Als zij meer tijd krijgen zich te ontwikkelen, gaat het onderwijs meer boeien. Daarin zit winst voor iedereen. En de hoofdprijs is voor de leerling.”

Brede steun voor onderwijspact

Hoewel er nog geen uitgewerkte plannen liggen voor het door Paul Rosenmöller voorgestelde onderwijspact, is de PO-Raad enthousiast over het idee. “Dit is buitengewoon goed”, zegt voorzitter Rinda den Besten van de koepelorganisatie van basisscholen. Naast het lerarentekort en de werkdruk zijn andere geschikte thema’s voor zo’n pact volgens haar het anders organiseren van lessen en het creëren van meer flexibiliteit. “We moeten kritisch kijken naar het hele traject van kinderopvang tot universiteit.” 
Veel thema’s zijn gepolitiseerd, zegt Den Besten. “Kansengelijkheid is een beetje van links, identiteit is van de confessionelen, de VVD zit op excellent onderwijs. Ik mis een gezamenlijke langetermijnvisie.”
Ook de Vereniging van Universiteiten en de MBO Raad lopen warm voor een pact. “Wij omarmen het en zijn er vol bij betrokken”, zegt voorzitter Ton Heerts van de MBO Raad. “Het huidige stelsel is opgeknipt en gaat uit van een klassiek pad. Dat stelsel werkt niet meer. We dwingen kinderen te vroeg om keuzes te maken. In het nieuwe stelsel moeten zaken als switchen en een leven lang ontwikkelen normaal worden. De huidige structuren zijn daarbij niet heilig.” 

Lees ook: 

Help, waar zijn de leerlingen?

Videolessen, fusies of zelfs opheffing: nu het aantal leerlingen in Nederland terugloopt, staat het onderwijs voor een forse uitdaging. In de Achterhoek slaan scholen de handen ineen om de krimp het hoofd te bieden. ‘We experimenteren hier met de toekomst.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden