Patty Harpenau / Uiteindelijk ben ik toch te veel de rebel

Patty Harpenau (Amsterdam, 1959) was jarenlang societyschilderes, maar is sinds 1996 vooral bekend als trainer en levenscoach bij het Chopra Centrum Nederland. Harpenau schreef diverse zelfhulpboeken. Haar boek ’Het geheim van the secret’ –over een filosofie die uitgaat van de maakbaarheid van alle verlangens– werd een bestseller.

I

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Of God bestaat is voor mij nooit een vraag, maar altijd een diep vertrouwen geweest. God is licht. God is in liefde, in vriendschap, in de wind, in de zon: God is in alles. Dat innerlijke beeld werd verstoord toen ik, op mijn negentiende, joods orthodox trouwde. Ineens was er een verschil: in de synagoge mochten vrouwen niet naast de mannen staan, de naam van God mocht niet worden uitgesproken en toen ik later, in Israël, de kabbala wilde studeren, moest dat stiekem, in een achterkamertje, gebeuren –alsof het porno was. In de Zohar, een mystiek commentaar op de Thora –maar ook in de Bijbel en in allerlei andere oorspronkelijke christelijke en joodse literatuur– vond ik de betekenis uit mijn jeugd gelukkig weer terug: wij zijn allen één, één zijn wij allen. De mens is niet klein. De mens is gelijkwaardig aan God.”

II

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Schilderen was mijn houvast toen mijn huwelijk op de klippen liep en ik in 1986, berooid, in Nederland terugkwam. Ik heb alle ellende eruit geknald; mezelf gezond geschilderd. Toch heb ik in 1996 mijn penselen uitgespoeld en opgeborgen omdat ik erachter was gekomen dat de kunstwereld niet mijn wereld was. Ooit, als ik oud en grijs ben, zal ik er een boek over schrijven. Het is pure maffia. Alles draait om de waarde van het werk van een stuk of tien kunstenaars. Het gaat niet om jou, of om wat je met je werk wilt zeggen, het gaat om geld. Mijn beschermengel heeft op tijd ingegrepen: ik voelde hoe ik in een fuik terecht dreigde te komen. Vlak voordat het net zich achter mij zou sluiten, ben ik eruit gezwommen om er nóóit meer in terug te keren. Ik klei tegenwoordig met mensen. En ik schrijf. Mijn leven bestaat uit meerdere hoofdstukken, ik groei door, ik reis verder.”

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Mijn laatste tentoonstelling heette ’Joods Document’ en op een van de schilderijen had ik een vrouw aan het kruis afgebeeld. Het was een provocatie. Maria, de intelligentste discipel van Jezus, is door de kerk en machthebbers voor hoer uitgemaakt; ze is als het ware haar leven lang gekruisigd. Terwijl ze –dat schijnt iedereen voor het gemak te vergeten– een joodse was. Ik heb het doek met trillende vingers geschilderd en met een knoop in mijn maag opgehangen in de galerie. Er werd schande van gesproken, schande! Terwijl ik er maar één ding mee wilde zeggen: alle geloven komen uit dezelfde bron.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Wij vieren op vrijdagavond het gevoel, niet de voorschriften. Ik steek kaarsen aan, spreek zegeningen uit, maar niet omdat ik in de Luach, de joodse kalender, heb gelezen dat zoiets precies om tien minuten voor zeven zou moeten gebeuren. Ik dank, met mijn gezin, God voor het leven. Natuurlijk zie ik wat de meerwaarde van al die tradities is en ik heb, wat dat betreft, een geweldige opvoeding van mijn ex-schoonmoeder gehad. Er is nergens zoveel warmte, zoveel bezieling als in een gemeenschap van joodse vrouwen. Als je ziek wordt, staan er onmiddellijk tien pannetjes kippensoep voor je deur. En je denkt toch niet dat er één kind onverzorgd over straat loopt? Ze waken over hun kinderen, ze waken over elkaar. Daar heb je nog de oudevrouwenwijsheid, het verhaal als medicijn. Mijn ex-schoonmoeder, geprezen zij haar naam, heeft me iets bijzonders geleerd: de kracht van vrouw zijn. Houden van je vrouwelijkheid, met alles, borsten en billen, wat daarbij hoort. In Nederland genieten we zo weinig van vrouw zijn: alles moet recht en plankerig zijn, maar joodse vrouwen, ja, het zit ook in de genen –de gefilte fish plakt overal aan vast– die houden van overvloedig. Ik heb me, in die jaren in Israël, geborgen gevoeld in die liefdevolle dierbare vrouwengemeenschap, maar ik ben uiteindelijk toch te veel de rebel om mezelf onder een pruik te verstoppen en domweg te accepteren dat mijn vent vreemdgaat in Eilat, terwijl ik in het ziekenhuis van Jeruzalem lig bij te komen van een bevalling. Dus nee, ik herken het thuisgevoel –mijn huidige man is ook joods en hij zegt altijd dat we zoveel plezier hebben samen, omdat we dezelfde joodse ziel hebben– maar het jodendom van de rabbijnen, van de regeltjes en de voorschriften, daar heb ik van gegruwd.”

V

Eer uw vader en uw moeder

„Mijn moeder werd geboren in de Jordaan. Ze komt uit een groot, arm gezin. Zo’n gezin waarbij op zaterdag alle kinderen in de tobbe gingen: de kleinste eerst, de oudste – dat was zij – het laatst. Op haar twaalfde moest ze gaan werken. Ze werd dus groot in een wereld van gemis, van tekort, van strijd, heel veel strijd. Later, toen ze als fabrieksmeisje voor mijn vader ging werken –ik herinner me nog goed, hoe hij altijd zei: ’Toen ik haar ogen zag, was ik verkocht’– kwam de luxe in haar leven en was ze vastbesloten om haar kinderen een betere jeugd te geven. Ze heeft mijn zusje en mij alles gegeven wat ze zelf had willen hebben als kind. Niets was mooi, groot of duur genoeg. Maar ik verzette me ertegen, ik wilde niet in haar verhaal wonen. Ik wilde niks. Niks van haar. Ik was een snotvervelend, verwend kind. Ik deed steeds het tegenovergestelde van wat zij aan mij vroeg. Ik rookte shag, dronk bier, stond avonden in de kroeg. Mijn moeder zei: ’Kom nooit met een buitenlander thuis!’ Dus met wie trouwde ik? Met een man uit Israël. Ze dacht dat alles was verloren, ze kon het hele scenario voor me uitschrijven.”

„En het vervelende is: het ging precies zoals zij dacht. Tien jaar had ik het volgehouden en toen stond ik, met twee jongetjes en een paar luiers, weer op Schiphol. Mijn moeder kwam me ophalen. Ik keek haar aan en zei: ’Waag het niet. Wáág het niet te zeggen dat je wel wist dat je gelijk zou krijgen’. ’Goed’, zei ze, ’ik zeg niks’. En daarmee had ze de wedstrijd gewonnen. Ja, het was een strijd, een klassieke moeder-dochterstrijd.”

„Het ging pas beter tussen ons toen zij ziek werd en de rollen werden omgekeerd. In de nachten die ik bij haar bed heb doorgebracht zijn de wonden geheeld. In de vijf jaar die we nog samen kregen, heb ik gemerkt hoe ze uiteindelijk toch vriendschap heeft gesloten met het leven. Ik begrijp wel waarom het zo moeilijk voor haar was; ze was een overlever. Haar leven was een gevecht. Ze kon zich er niet aan overgeven. Ik kan me niet herinneren dat ik mijn moeder ooit slap van het lachen heb gezien. Ze bleef ook wantrouwend, tot het eind. Toen ik zei dat ik van haar hield, zei ze niets terug. Ik wist wel dat ze van me hield, maar ze kon het gewoon niet zeggen. Ze was een hoofdmens. Niet een hartmens, zoals ik.”

„ Ik lijk op mijn vader. Hij was een idealist, een dromer, een levenskunstenaar. Hij begreep het leven, hij kende de mensen. Het is goed dat hij mijn moeder had, zij regelde alles in de fabriek. Zonder haar was het een bende geworden. Hij kon uren zitten, beetje filosoferen, denken over interessante dingen die verder niemand in zijn omgeving leek te begrijpen. Een soort Willie Wortel. Mijn moeder wist hoe ze de dingen vorm moest geven, hoe je geld moest verdienen. Hij was ook een overlever, maar op een andere manier. Zijn verhaal, het verhaal over Auschwitz, bleef voor ons verborgen. Ik weet dat hij veel verdriet heeft gehad, maar hij wilde er niet over praten waardoor die gebeurtenissen in mijn hoofd alleen nog groter en gruwelijker werden. Maar hij kon het niet. Hij kon het niet aan. Het enige wat hij erover kwijt wilde was: ’Als God bestond, was dit niet gebeurd’.”

„Het levensverhaal van mijn vader is nogal bizar. Hij is drie keer getrouwd geweest. Uit het eerste huwelijk zijn geen kinderen voortgekomen. Bij zijn tweede vrouw kreeg hij drie jongens en een meisje en bij zijn derde vrouw, mijn moeder, kreeg hij twee meisjes en twee jongens. Van al die kinderen ben ik, de jongste, door hem opgevoed. De anderen zijn door de moeders of in weeshuizen grootgebracht. Mijn vader had daar geen gedachten over, hij leefde niet in het leven zelf. Begrijp je wat ik bedoel? Ik heb geen oordeel over de manier waarop hij met mijn broers en zusjes is omgegaan, ik heb vooral geleerd te zien hoe breed het leven kan zijn en hoe door bepaalde omstandigheden mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen* Ik denk dat ik het meeste weet van mijn vader als mens. Voor mij was hij een en al liefde. Een maand voordat hij stierf, riep hij mij bij zich. Hij zei: ’Ik zie het zwarte gat. Ga eens zitten, ik moet je een verhaal vertellen’. Hij zei toen dat hij zijn allergrootste liefde, de liefde van zijn leven, in de oorlog had moeten verlaten en dat hij nooit over dat verdriet was heen gekomen. Voor mij was dat een enorme klap. Ik was het laatste kind, verwekt bij zijn allerlaatste vrouw die –hoopte ik op mijn achttiende– zijn grote liefde was geweest. Ik heb het niet tegen hem gezegd. Ik heb geluisterd en het opgeborgen in mijn hart. Later heb ik al die stukjes, al die momenten uit het leven van mijn vader en moeder, in elkaar gepast en hen begrepen.”

„Ze zijn overleden, maar ik heb nog veel contact met hen. Vooral met mijn vader. Ik zal je een sterk verhaal vertellen: twee jaar geleden reed ik van de A2 naar de A12 toen een vrachtwagen voor mij plotseling zijn dekzeil verloor. Ik zag het zeil door de lucht vliegen en hoorde op hetzelfde moment een vreselijk lawaai: ook de lading was gaan schuiven. Ik hoorde een stem: ’Rustig. Niets aan de hand. Blijven ademen’. Het zeil kwam over de ruit te liggen –het werd pikkedonker– en daarna volgde een enorme knal waardoor de auto even leek te worden opgetild en daarna tot stilstand kwam. Toen ik uit wilde stappen, ging het portier aan de rechterkant open –wat helemaal niet kan, want ik houd mijn wagen altijd op slot en hij gaat pas open als ik de centrale vergrendeling ophef– en ik zie een man met een blauw petje op die zegt: ’Niet aan die kant uitstappen, je staat midden op de snelweg. Kom er maar aan deze kant uit. Pak je spullen. Goed gedaan. Chapeau’. Ik kroop uit mijn auto. Een vrachtwagen die achter me had gereden stond dwars over de weg, alsof hij daar was geparkeerd om mij te beschermen. Ik zocht de man met het blauwe petje, maar hij was weg. Hij had wel een 06-nummer op het schadeformulier achtergelaten. Mijn man heeft er later alles aan gedaan om hem op te sporen. Hij was onvindbaar. En het telefoonnummer bestond niet. Je mag er van denken wat je wilt, maar ik weet zeker dat het mijn vader is geweest.”

VI

Gij zult niet doodslaan

„Twee jaar geleden is de vriendin van mijn zoon op 21-jarige leeftijd overleden. Ze is thuis gestorven, bij haar ouders. Haar moeder heeft echt een waanzinnige taak volbracht. Ik heb de laatste maanden van haar leven vrij genomen om hen te helpen. We hebben smekend naast haar bed gestaan: laat het afgelopen zijn, dit is mensonterend. De tumoren groeiden letterlijk uit haar keel. Ze had voor de Olympische Spelen getraind, was loeisterk. Een ander was al veel eerder bezweken* Ik hoop dat ik nooit voor die keuze kom te staan. Ik weet niet of ik tot euthanasie kan besluiten, ik zal in ieder geval nooit voor abortus kunnen kiezen. Ik ben het, in de discussie over de embryoselectie, wel met de ChristenUnie eens: waar gaat dit naartoe? Wie houden we straks nog over? Maar ook: mogen we straks eigenlijk nog wel gewoon sterven? Straks lopen we allemaal met een batterij in ons kont en pas als die leeg is, gaan we dood. Ik vind het van spirituele arrogantie getuigen om te denken dat wij het leven kunnen maken en breken.”

VII

Gij zult niet echtbreken

„De eerste keer trouwde ik uit verliefdheid, de tweede keer omdat ik een man zocht die bij mijn bekendheid, mijn status, paste. Stomme reden, gedoemd te mislukken. En nu heb ik dan eindelijk de ware gevonden. Hij is boeiend, hij is slim, hij is humoristisch, hij is – ja, joods, maar dat wist ik niet. Drie weken nadat ik hem had leren kennen zei ik: ’Ik moet je iets opbiechten, ik ben joods’. Hij zei: ’Ik hoop niet dat je het erg vindt, maar ik ben het ook’. Maar hij is gelukkig op een andere manier joods dan mijn eerste man. Zal ik je eens vertellen hoe ik uit dat huwelijk ben gestapt? We moesten bij de rabbijn komen om de echtscheiding uit te laten spreken. De advocaat eiste dat ik, traditiegetrouw, door mijn echtgenoot zou worden bespuugd. Ik keek die rabbijn aan: just try me! Hij begreep wel dat het beter was om niet aan te dringen en kwam toen met de volgende oplossing: ik mocht mijn schoen uitdoen en dáár heeft mijn echtgenoot vervolgens op gespuugd. Zie je het voor je?”

VIII

Gij zult niet stelen

„Ik had in goed vertrouwen zestig schilderijen aan een galeriehouder meegegeven. Toen ik mijn doeken terug wilde hebben, zei hij: ’Sorry, ik heb nooit iets gekregen’. Tot mijn grote mazzel, begon hij een paar jaar later een verhouding met een ander en heeft zijn echtgenote –niks leuker dan een vrouw met wraakgevoelens– mij opgebeld en alsnog de consignatielijsten getekend. In zijn strijd om maar niet te hoeven betalen, heeft hij toen verzonnen dat ik had geplagieerd. Het is niet waar, het is pijnlijk omdat je je niet kunt verdedigen, maar na een tijdje bedacht ik dat het iedere kunstenaar gewoon een keer moet overkomen. Bovendien: wolken zijn wolken, bomen zijn bomen. Zodra je die schildert, pleeg je plagiaat. De interessantste les die ik hieruit heb geleerd, is dat iets wat van je wordt ontvreemd altijd weer bij je terugkomt. Zo weet ik dat het schilderij van de vrouw aan het kruis –een van de doeken die hij van me heeft gestolen – ergens in Nederland is. Ik weet niet waar het is, ik weet niet wanneer het terugkomt, maar dát het terugkomt weet ik zeker. Ik geloof in gerechtigheid. Uiteindelijk komt het goed. Uiteindelijk komt het altijd goed.”

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Wil je de wereld van het ego leren kennen? Dan moet je vijf jaar beroemd proberen te zijn in Nederland. Concurrentie, manipulatie, roddel, achterklap: je leert alle lage frequenties kennen. Ik speelde het spel niet goed. Ik was te transparant. Daardoor was ik altijd het haasje. Het is een lelijke wereld en ik ben blij dat ik er niets meer mee te maken heb.”

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Mijn vader heeft me ooit verteld dat ik op mijn derde zei dat ik later heel beroemd ging worden. Ik wist alleen nog niet waarmee. Soms gaat dat ten koste van anderen. Natuurlijk gun ik een ander de eerste plaats, maar ik moet je eerlijk bekennen dat ik ook wel eens heb gedacht: hey, move your butt! Tuurlijk! Ik ben nog lang geen heilige. Ik weet niet of ik het ooit zal worden, ik weet überhaupt niet wat mijn ziel voor mij in petto heeft. Het is niet van belang, ik leef nu. Het is wel mijn bedoeling om verlicht van deze wereld af te gaan. Verlicht ben je als er geen verschil meer is, als je vanuit eenheid leeft. Je moet leren om God in alles en iedereen te zien, dus ook in de man die je heeft bedonderd en bestolen. Als je dat kunt, ben je verlicht. Eerst moet alle ruis van de lijn, dan pas kun je verder.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden