’Pastor in de leer bij psycholoog’

Geestelijk verzorgers en psychologische hulpverleners zouden nauwer moeten samenwerken. Dat komt volgens de Groningse hoogleraar Hetty Zock het welzijn van patiënten en bewoners in de zorg ten goede.

Het is sinds 1996 in de wet geregeld: patiënten of bewoners van zorginstellingen hebben recht op geestelijke zorg die zoveel mogelijk aansluit bij hun godsdienst of levensovertuiging.

Van oudsher is de geestelijk verzorger een christelijke pastor die werkt in de zorg, in gevangenissen en bij defensie. Inmiddels heeft de pastor gezelschap gekregen van de humanistisch raadsman, de imam, de rabbijn en de pandit.

Zij houden zich, ieder met hun eigen ’levensbeschouwelijke binding’, bezig met (het brede en variabele begrip) zingeving: ’vragen rond leven en dood, om wat van werkelijk belang is en het leven de moeite waard maakt, om morele dilemma’s en richtinggevende waarden en idealen’.

Maar die godsdienst en levensovertuiging zijn aan het veranderen. Nederland ontkerkelijkt, religie wordt steeds pluriformer en individueler. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) sprak vorig jaar van ’een religieuze transformatie, waarin een eerdere kerkgebonden zingeving verdwijnt’. Nog slechts een op de drie Nederlanders is lid van een kerk of levensbeschouwelijke groepering, en dat percentage zal vermoedelijk nog verder dalen.

Dat heeft volgens prof. dr. Hetty Zock, bijzonder hoogleraar levensbeschouwing en geestelijke volksgezondheid aan de Rijksuniversiteit Groningen, ’grote gevolgen’ voor de manier waarop geestelijke verzorging in zorginstellingen wordt georganiseerd.

In haar oratie, die zij vanmiddag uitspreekt, vraagt Zock zich af: „Wat is in deze situatie nog de betekenis van de ambtelijke of levensbeschouwelijke binding van de geestelijk verzorger? En is het niet merkwaardig om als minder dan eenderde van de Nederlandse bevolking zich rekent tot een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, geestelijk verzorgers uitsluitend uit deze groep te recruteren?”

Zocks onderzoek richt zich in het bijzonder op geestelijke verzorging, en wordt mede gefinancierd door de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten in Nederland.

Volgens Zock vraagt „goede zorg voor zingeving in de hedendaagse, complexe maatschappelijke en culturele context om een andere organisatie van de geestelijke verzorging dan dan tot nu toe gebruikelijk was via de levensbeschouwelijke instituties.”

Dat betekent volgens Zock meer aandacht voor psychologie, waarbij geleerd kan worden van psychologische hulpverleners als psychotherapeuten en creatieve therapeuten.

Want doordat zingeving steeds individueler wordt, komt niet alleen de ’ambtelijke binding’ van geestelijk verzorgers ter discussie te staan, het betekent ook dat de vragen waar bewoners en patiënten mee kampen steeds meer algemeen-menselijk zijn en minder religieus. Waarmee de geestelijk verzorger, tegen wil en dank misschien, zich steeds meer op het terrein van de psycholoog dient te begeven.

Volgens Zock worden geestelijke en psychische zorg traditioneel als twee aparte grootheden gezien, maar is een dergelijke ’strikte boedelscheiding’ tegenwoordig ’noch mogelijk noch wenselijk’. „Dat zou slecht zijn voor de zorg.”

Maar de geestelijk verzorgers weten daar volgens Zock wel de nodige bezwaren tegen in te brengen. Zij vragen zich bijvoorbeeld af: „Past de geestelijke verzorging wel in de systeemwereld van de psychologie? In de psychologie wordt doelrationeel en ’evidence-based’ gewerkt, volgens het medische model. Past dat wel bij de geesteswetenschappelijke benadering van de geestelijk verzorger?”

Dat is een lastige discussie, volgens Zock, omdat je moeilijk kunt spreken van ’de’ psychologie. Maar sommigen pleiten niettemin voor een strikte scheiding tussen psychologische hulp en geestelijke verzorging. De eerste zou zich alleen bezig moeten houden met wat mensen zélf kunnen, de tweede met wat buiten het menselijk vermogen ligt, met dat wat niet maakbaar is.

„Volgens mij is een dergelijk strikte scheiding niet te maken”, stelt Zock. Waarna ze het voorbeeld geeft van een jonge vrouw met een borderlinestoornis. Zij is opgenomen geweest in een psychiatrische instelling, en krijgt van die instelling zorg en begeleiding, omdat haar relatie stuk dreigt te lopen. Met behulp van een psycholoog leert de vrouw autonomer te worden en minder afhankelijk te zijn van haar vriend. Met de geestelijk verzorger spreekt de vrouw over hoe zij zich God voorstelt. Dat blijkt nu eens te zijn als een strenge rechter die oordeelt over alles wat zij fout doet, en dan weer als een liefhebbende moeder, die alle problemen oplost.

Op het eerste gezicht lijkt de taakafbakening tussen psycholoog en geestelijk verzorger duidelijk, stelt Zock. Maar de problemen van de vrouw liggen zowel op geestelijk als op psychisch gebied, en die twee beïnvloeden elkaar onderling: de vrouw heeft moeite intieme relaties aan te gaan – met haar ouders, met haar vriend en ook met God.

Hoe de vrouw denkt over God is van belang voor de psychologische therapie die zij volgt, en omgekeerd heeft die therapie gevolgen voor hoe zij denkt over God.

Er is volgens Zock dan ook „een groot grensgebied, waar geestelijk verzorgers en psychologen elkaar treffen en vergelijkbare dingen doen”.

Geestelijk verzorgers, bepleit Zock, zouden daarom ook psychologisch geschoold moeten worden. Zo kunnen zij patiënten en cliënten helpen inzicht te krijgen in de gevolgen die hun levensvisie heeft voor hoe zij zich voelen en hoe zij met anderen omgaan. En, stelt Zock, naarmate levensbeschouwing individueler en steeds diverser wordt, is psychologische kennis alleen maar méér gewenst.

Zock: „Psychisch en geestelijk welbevinden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar wederzijds. Daarom dienen geestelijk verzorgers en psychologische hulpverleners samen te werken, in het belang van het welzijn van cliënten, patiënten en bewoners in de zorg.”

De vrees dat geestelijk verzorgers door samenwerking met psychologische hulpverleners zelf ook op een ’medische’ manier zouden moeten gaan werken, is volgens Zock ongegrond. „Het contact met de wereld van de psychologie brengt voor geestelijk verzorgers niet noodzakelijkerwijs een reductionistische, door nuttigheid, maakbaarheid en beheersbaarheid gekleurde benadering met zich mee. Psychologen en geestelijk verzorgers hebben als het om de zorg voor zingeving gaat, meer gemeenschappelijk dan ze vaak denken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden