Passie voor monumenten

Als de kleinkinderen een dagje naar Amsterdam gaan, krijgen ze te horen waarom hun eigenwijze opa de kroon van de Westertoren blauw liet schilderen.

Walter Kramer was net gestopt met werken, op zijn 70ste, toen de Elleboogkerk in Amersfoort afbrandde, waarin het Armandomuseum was gevestigd. Dat was een paar panden verderop op de gracht, waaraan Kramer en zijn echtgenote Petra wonen. Hun eeuwenoude huis bleef gespaard, doordat de wind de andere kant op stond.

Prompt werd Kramer gevraagd door een architectenbureau of hij wilde meedenken over het herbouwplan voor de historische kerk. Officieel was hij met pensioen en hij zou geen opdrachten meer aannemen, had hij afgesproken met Petra. Maar deze klus was hem op het lijf geschreven. Uiteindelijk ging de opdracht naar een ander architectenbureau, waarmee ook het werk voor Kramer er weer op zat. Zolang het duurde, want hij was er de man niet naar om te zitten niksen.

Als jongen was Walter Kramer al een bezig ventje. Omdat hij graag prutste met stroomdraden dachten zijn ouders dat de UTS elektrotechniek een goede opleiding voor hem was. Maar op de eerste schooldag kwam hij door een administratieve vergissing in de verkeerde klas terecht, waar onderwezen werd in de bouwkunde. Dat vond Walter zo interessant dat hij daar gewoon is blijven zitten.

Helemaal toevallig was het ook weer niet dat hij meteen werd gegrepen door de architectuur. Met zijn vader wandelde hij vaak uren door Amsterdam, waar het gezin Kramer woonde in Oud-Zuid. Zijn vader werkte bij de Sociale Verzekeringsbank en had een grote liefde voor het oude Amsterdam. Prachtig vond Walter, die enig kind was, het om te kijken naar historische gebouwen en te luisteren naar de verhalen van zijn vader. Bovendien had hij een haast fotografisch oog en geheugen voor de details van gebouwen.

De allereerste kaart die Petra hem als jong en verliefd meisje stuurde, toen hij een vervolgstudie aan de Academie voor Bouwkunst deed in Kopenhagen, was van de Westertoren in Amsterdam. Kort voor zijn overlijden stuurde zijn neef hem een oude ansichtkaart van diezelfde toren. Walter bekeek de kaart en zei: Die ken ik, die heb ik al, om vervolgens Petra’s kaart van 45 jaar geleden op te vissen uit zijn archief.

Na zijn architectuurstudie werkte hij bij het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg in Amsterdam en daarna bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, eerst voor de provincie Brabant, later voor Groningen, Friesland, Noord-Holland. Hij was mede-oprichter van, en stuwende kracht achter de Monumentenwacht, het tijdschrift Monumenten en het Nationaal Restauratiecentrum.

In 1976 besloot hij voor zichzelf te beginnen. Hij hield niet van grote bureaucratische organisaties en de rol van manager wilde hij al helemaal niet spelen. Hij wilde dicht op het werk zitten en liep het liefst op de bouwplaats om met de bouwvakkers te overleggen. Hij vestigde zich als zelfstandig restauratiearchitect in Amersfoort. Daar woonde hij sinds zijn huwelijk met Petra in 1968. Liever waren ze in Amsterdam gebleven, maar daar was betaalbare woonruimte een schaars goed. In Amersfoort kochten ze een woning in een nieuwbouwwijk. In 1969 werd hun zoon geboren, vier jaar later kregen ze een dochter.

Over gebrek aan werk had hij niet te klagen. Maar hij wilde zijn bureau bewust klein houden en dat heeft hij altijd volgehouden.

Naamsbekendheid kreeg hij met de restauratie van de vervallen Sint Elisabethskerk in Grave. De kerk moest ook uitgebreid worden met nieuwbouw en dat was voor Walter de grootste uitdaging. Een kitscherig retro-aanhangsel mocht het niet worden, maar de moderne strakke aanbouw moest wel in harmonie zijn met de oude kerk.

De eerste grote opdracht in Amsterdam was het herstel van De Waag op de Nieuwmarkt. Daarna werkte hij aan onder andere de Munttoren, de Noorderkerk, de Oudekerkstoren en de Beurs van Berlage. Elders in het land was hij betrokken bij de restauraties van het Tolhuis in Gorinchem, de Hampoort in Grave, het kasteel Nederhemert in de Bommelerwaard en kerken, heel veel kerken.

Een project dat hem na aan het hart lag, was het kleine kapelletje dat hij ontwierp voor de Maatschappij van Welstand op het landgoed Ten Vorsel bij Bladel. Het is het enige protestantse kapelletje dat in Nederland bestaat, bestemd voor de schoolkinderen, vaak uit achterstandswijken, die op Ten Vorsel kennismaken met de natuur.

Kramer bouwde het op verzoek van de toenmalige beheerder, Arie van der Eijk, die bij zijn pensionering geen gouden horloge wilde maar een kapel, een toevluchtsoord voor de kinderen. Kramer vond dat zo’n fantastisch idee dat hij niet betaald wilde worden.

Het kapelletje, dat werd gebouwd door vrijwilligers, staat middenin de natuur, alsof het er altijd al heeft gestaan. Kramer wilde er niet één boom voor kappen. De kapel is genoemd naar Franciscus van Assisi, vanwege de band die hij had met kinderen en de natuur.

De laatste grote opdracht voor zijn pensioen was de restauratie van zijn geliefde Westertoren in Amsterdam. Het zou ook zijn meest besproken project worden.

Toen in 2006 de steigers rondom de toren werden afgebroken, zagen de Amsterdammers tot hun verbazing dat de kroon en de vier vazen op de hoeken van de toren blauw waren geschilderd. De Welstandscommissie schoot dat in het verkeerde keelgat. Maar volgens Kramer was blauw de oorspronkelijke kleur. De kroon was in 1906 bij een eerdere restauratie ten onrechte geel geschilderd. Kramer was overtuigd van zijn gelijk: hij had zich grondig verdiept in de historie. Weliswaar had hij geen geschriften van Hendrik de Keyser zelf kunnen ontdekken over de oorspronkelijke kleur van de kroon, maar de kleur blauw is veelvuldig te zien op oude schilderijen van de Wester.

Inmiddels is de discussie over de blauwe kroon allang geluwd. Maar Petra heeft haar man beloofd dat ze, als ze met de vier kleinkinderen een dagje naar Amsterdam gaat, zal vertellen waarom opa de kroon blauw heeft laten schilderen.

Kramer schreef een boek over de restauratie van de Westertoren. Over bijna al zijn opdrachten verscheen een publicatie, waarvan hij het eerste exemplaar steevast overhandigde aan een metselaar of timmerman.

Hij schreef graag, niet alleen over zijn werk, ook over gedachten die in hem opborrelden. Over zijn alledaagse herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog verscheen het boekje ’Op de stoeprand’. In ’Tijd’ waagde hij zich aan kernachtige bespiegelingen over het fenomeen tijd. ’De tijd heel alle wonden. Alle?’

Afgelopen augustus kreeg hij gezondheidsklachten. Het bleek kanker te zijn. Blijmoedig begon hij aan de kuren, maar die sloegen niet aan. Eind december stopte hij ermee en besloot het beste te maken van de tijd die hem nog restte. Vrienden kwamen hem opzoeken en reden hem in zijn rolstoel over de gracht. Hij knutselde met de kleinkinderen in de speelkamer, die ze in de kelder van het huis hadden ingericht.

Samen met Petra bezocht hij op 18 maart nog de voorstelling van Theater Zeelandia over Mathilde Willink, die hij persoonlijk had gekend. Walter Kramer was sinds zijn studietijd een liefhebber van het werk van schilder Carel Willink. Vooral diens schilderijen van oude monumentale panden in Amsterdam fascineerden hem. Als student verzamelde hij foto’s van alle gebouwen die Willink had geschilderd, wat later resulteerde in het boek ’Willink’, uitgegeven als Boek van de Maand, gelijktijdig met de overzichtstentoonstelling in Rotterdam in 1973.

Tot op het laatst bleef hij actief in de Bergkerk, waarvan hij sinds de verhuizing naar Amersfoort een actief en meelevend lid was. Hij vervulde er allerlei functies, van ouderling tot begeleider van jeugdgroepen.

De laatste maanden bekommerde hij zich vooral om de nieuwe stoelen en inrichting van het kerkgebouw. In zijn rolstoel inspecteerde hij nog de opstelling van de nieuwe stoelen.

Hij had een passie voor kerkinterieurs, waarin het naar zijn smaak nogal eens aan warmte ontbrak. Een goed samengaan van de liturgie met de ruimte vond hij essentieel. Hij constateerde dat er vaak meer aandacht was voor de koffiehoek, de garderobe en de toiletten dan voor de kerkzaal.

In de woonkamer is de dagkalender afgescheurd tot 27 maart. Elke dag scheurde Walter Kramer trouw een blaadje af. Petra laat het maar zo. Walter zou dat wel begrijpen.

In zijn boekje ’Tijd’ noteerde hij: „Toen mijn oma was overleden, zette mijn vader de klok stil.”

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden