Passie voor iets groots dat nooit kan worden voltooid

Ella Reitsma schreef een biografie over de dertien miljoen voorwerpen uit het Zoölogisch Museum Amsterdam. Maar pas toen ze de correspondentie van aartsvader Max Weber ontdekte, begreep ze de collectie.

Bericht vanaf de poolschoener 'Willem Barents', locatie Nova Zembla, 1881. 'Van hooger gedierte velde mijn geweer een Polaarvos. Haar kroost, 2 aardige jonge vosjes ontdekte ik ook spoedig in hun nest. Met hulp van 2 matrozen en de noodige koevoeten slaagde ik er in een exemplaar te vangen: een alleraardigst rijscompagnon, die zich tot nog toe in den besten welstand verheugd en er na verlangd in Artis huisvesting te krijgen.'

Het zijn zulke brieffragmenten die een licht werpen op het leven van Max Weber: zijn belevenissen tijdens verre expedities, zijn houding ten opzichte van zijn onderzoeksobjecten, zijn kijk op wetenschap, maar voorál zijn passie om in Amsterdam een groot toon-museum in te richten. Naast de dierentuin en de wetenschappelijke instituten in die stad, zou er onderdak moeten komen voor een enorme zoölogische collectie waaraan het publiek zich zou kunnen vergapen. Net als in de hoofdsteden Berlijn en Londen.

Die collectie van Weber (1852- 1937) kwam er, en groeide uit tot een verzameling van dertien miljoen objecten, verpakt in duizenden glazen potten en kartonnen dozen, en opgestapeld op ontelbare schappen. Maar het museum zou vanwege geldgebrek nooit gebouwd worden. Het Zoölogisch Museum Amsterdam werd in de praktijk steeds meer een voor het publiek onbekend instituut. Kleine tentoonstellingen in het Aquariumgebouw van Artis daargelaten, verstoften de cilinders met sponzen en kwallen, de kistjes met schelpen en hele ritsen van opgespelde insecten op de zolders van verschillende gebouwen op het terrein van Artis, of net daarbuiten. Afgelopen jaar werd alles overgebracht naar Leiden, waar de collectie wordt samengevoegd met die van Naturalis.

Vanwege de verhuizing uit Amsterdam, die een definitief einde betekende voor de zelfstandige collectie, kreeg journaliste en kunsthistorica Ella Reitsma de opdracht een 'ode' te schrijven aan de vertrekkende verzameling: een biografie van de dertien miljoen. Maar hoe concipieer je die? Waar begint en eindigt het verhaal? In welke context moet de historische collectie worden geplaatst? En: heeft zij ook toekomst?

In haar boek 'Duizend en meer verhalen op sterk water' dat over twee weken uitkomt, begint Reitsma met de door haar ontdekte correspondentie van Max Weber, alsof het om het losse draadje gaat waarmee de ongelofelijk kluwen van onderwerpen kan worden ontrafeld. Eerst Weber doorgronden, dan de collectie, lijkt haar motto. Maar in feite werkte Reitsma van achteren naar voren.

"Onder een enorme tijdsdruk moest ik grip krijgen op de topstukken van de collectie", vertelt ze. "De verhuizing naar Leiden stond immers voor de deur. Twee jaar lang kreeg ik te horen dat het over een half jaar voorbij zou zijn. Ik zag de vrachtwagens komen, en de schappen werden leger." In die sfeer dwaalde Reitsma met de conservatoren door de gangen, kozen hun fotogenieke objecten uit en stelden die nog één keer in Amsterdam ten toon: in een provisorische studio waarin Reitsma wachtte op 'gods licht'. "Ik wist dat de lichtval tussen twaalf en drie uur het mooist zou zijn, dus daar stonden we dan."

Ze zegt dat ze nadrukkelijk geen 'biologenfoto's' heeft gemaakt, waarop elk pootje zichtbaar is. Ze koos ook niet voor honderden beervlinders in een laatje: veel te saai. Reitsma maakte met haar theaterblik 'dode materie levend', zoals ze zelf zegt, door de opgezette dieren te laten poseren. Sommige lijken na honderd jaar op sterk water zelfs uit hun potje te kruipen.

Pas toen de laatste verhuiswagen richting Leiden reed, en Reitsma achterbleef met honderden portretten, ontstond de ruimte voor de duiding. Waarom waren de geschoten ijsbeer van de Nederlandse Noordpool Expeditie in 1884, de olifantskop (1938) uit Kenia, en een reuzenalk uit 1840 naar Amsterdam gebracht? En die 12.999.997 andere objecten?

Reitsma zocht verder in de papieren archieven, van de Artis biobliotheek, maar snuffelde ook in de dozen van universiteiten en instituten. "Ik wist dat er brieven van Weber bestonden, maar dat ik er uiteindelijk tweehonderd heb ontdekt! Sommigen waren gebundeld, letterlijk met een strik er omheen. Andere collecties waren geplunderd ten behoeve van ander onderzoek, en die uitgenomen brieven kwam ik op onderwerp weer tegen in dossiers van anderen. Ik ben in zoveel doosjes en mappen geweest."

Max Weber, van 1898 tot 1922 hoogleraar en directeur van het Zoölogisch Museum Amsterdam, wordt ook de founding father genoemd van zowel het museum als het zoölogisch onderwijs in Amsterdam. Hij was kind van Nederlands-Duitse ouders en getrouwd met Anna van Bosse; zij was in die tijd de grote algenspecialist. Samen stonden zij aan de wieg van de moderne plant- en dierkunde. Anna omschreef hun huwelijk ooit als 'een perfecte symbiose' en vergeleek die met het verbond tussen een bepaalde zoetwaterspons en een algensoort die zonder elkaar niet kunnen bestaan. Niet iedereen zal op die vergelijking komen. Weber werd in zijn werk ook onvoorwaardelijk gesteund door zijn vriend Coenraad Kerbert, de latere directeur van het Genootschap Natura Artis Magistra, afgekort tot Artis. De door Reitsma ontdekte correspondentie vond voornamelijk tussen deze twee hoofdpersonen plaats.

Weber trof bij zijn komst naar Amsterdam een allegaartje van bij elkaar verzamelde objecten aan, en was degene die met Kerbert systematiek in de collectie bracht en deze fors uitbreidde door nieuwe expedities uit te voeren. Niet toevallig aangetroffen naturalia moesten het uitgangspunt zijn, Weber werkte naar volledigheid. Een streven dat overigens voortdurend is, want iedere nieuwe techniek brengt ook nog in 2012 de ontdekking van nieuwe soorten met zich mee.

Weber was dus geen studeerkamergeleerde, maar trok erop uit, op zoek naar nieuw materiaal. Hij had vooral belangstelling voor mariene biologie, met name in evertebraten - ongewervelde dieren als sponzen en kwallen. Beroemd zijn z'n Willem Barentsz-expeditie via de Noordelijke IJszee naar onder andere Nova Zembla, en de Siboga-expeditie naar Flores en Celebes en de Soenda-eilanden. Vaak was ook zijn vrouw aan boord, die actief deelnam aan het onderzoek ter plekke.

"De brieven die ik heb gevonden, zijn duidelijk onderweg geschreven", zegt Reitsma. "Op een wiebelend schip dat net overstag gaat. In het oerwoud terwijl de druppels van z'n voorhoofd op de inkt vallen. De omstandigheden vind je terug in het handschrift. In hanenpoten: 'Ik heb haast, we moeten inpakken'." En dan ging het niet over zijn koffer, maar over tientallen kratten waarin dichtgeteerde potten zeer fragiele zeeorganismen moesten beschermen.

Reitsma kenschetst de brieven van Weber als geestig, levendig en persoonlijk. Vol zelfspot ook. "Ik heb werkelijk ademloos zitten lezen", zegt ze. "Wat vooral opvalt is de enorme passie die Weber voor zijn collectie had. Passie is de enige manier om iets groots te bereiken. Hij was enthousiast over wat hij aantrof, wilde dat hele verhaal vertellen, en moest en zou dus een toonmuseum creëren waar die geschiedenis in paste. En met die droom was hij dag en nacht bezig."

De brieven van Weber heeft Reitsma in haar boek door het verhaal over de collectie gevlochten, omdat ze de geschiedenis zo 'levend' maken. Weber heeft bijvoorbeeld ooit gekozen zich in de concurrentie met de universiteit van Leiden te specialiseren in mariene biologie. Laten zij de zoogdieren doen, dan kiezen wij voor vissen en andere zeedieren, maar dan wel zo compleet mogelijk, was ooit zijn conclusie. Reitsma: "Ik ben de brief tegengekomen waarin hij dat besluit uiteindelijk neemt. Letterlijk tussen de kisten, terwijl hij nummer 29 aan het inpakken was, dacht hij: ik red het niet. Dit wordt zoveel! Laat ik me concentreren op de Indo-Australische wateren. Maar dan moet het ook een tópcollectie worden."

Weber is in 1937 overleden, van zijn toon-museum is het nooit gekomen. De concurrentie met Leiden heeft daarin een rol gespeeld, en het voortdurende gebrek aan geld. De objecten gingen van kelder naar zolder, en van achterkamer naar voorraadkast. "Ik schrok me dood toen ik drie jaar geleden de gebouwen in Amsterdam betrad waar de naturalia waren ondergebracht. Het was er stoffig, vuil. Er was veel te weinig personeel. En dat wat over was, stortte zich op de wetenschap."

Er is sprake geweest van een structurele onderwaardering van de collectie, waardoor deze slechts mondjesmaat tentoongesteld werd. Wat dit betreft vertelt de biografie van Reitsma een triest verhaal. Maar toch: "De collectie die Weber heeft samengesteld uit zijn Siboga-expeditie, bevat zo veel holotypen, het unieke bronvoorbeeld van organismen. Die hebben een enorme blijvende waarde. In determinaties leiden alle sporen naar die bronnen."

Maar Webers verzameling heeft ook actuele waarde. Taxonomische kennis is bijvoorbeeld cruciaal bij de bestrijding van bladluis die een virusinfectie op consumptiegewas overbrengt. Een verkeerde determinatie kan miljoenen kosten. Nieuw DNA-onderzoek op materiaal uit de collectie kan ook uitsluitsel geven over problemen die optreden bij de bevruchting van gewassen.

Met de overbrenging van de stoffige collectie uit Amsterdam naar het splinternieuwe Naturalis Biodiversity Center worden de inmiddels gedigitaliseerde verzamelingen beter toegankelijk. Leiden staat met 37 miljoen objecten vijfde op de wereldranglijst, zowel qua omvang als qua samenstelling. Weber kan tevreden zijn, want ook de algencollectie van zijn Anna heeft hier een plek.

'Duizend en meer verhalen op sterk water', door Ella Reitsma, Uitgeverij Noord-Holland, prijs 34,50. ISBN 978978381556.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden