Passie voor de oude Thucy

Al het moois in de westerse beschaving hebben we te danken aan de oude Grieken, vond ze. Aan het Griekse mirakel wijdde ze haar leven.

Kleis Jager

Ergerlijk vond Jacqueline de Romilly (1913-2010) het als de studie van de Griekse erfenis werd teruggebracht tot slavernij en andere onaangename zaken. „Al het goede in onze cultuur hebben wij aan de Grieken te danken.”

Ze was in Frankrijk de verpersoonlijking van de oudheidkunde en een toonbeeld van eruditie. In ruim zestig jaar publiceerde Jacqueline de Romilly vele tientallen werken. En geen enkele halte in het parcours vol prestigieuze instellingen dat Frankrijk zijn intellectuele elite biedt, sloeg zij over.

De laatste jaren was ze vrijwel blind. Lezen deed een secretaresse voor haar. De duizenden boeken in haar appartement herkende ze op de tast. Over de vijfde eeuw voor Christus, de gouden eeuw van Pericles, verscheen dit jaar nog een nieuwe studie die zij als haar testament beschouwde.

Contact met de oude Grieken was voor haar een dagelijkse realiteit. Thucydides, de historicus van de Peloponnesische Oorlog, de strijd tussen Athene en Sparta, noemde ze een van de mannen van mijn leven. In een interview concludeerde ze twee jaar geleden dat ze ’geen biografie’ had, dat ze nooit volledig in het heden had geleefd. „Ik heb meer tijd doorgebracht met Thucydides en Aischylos dan met tijdgenoten.”

Een huwelijk van ruim dertig jaar bleef kinderloos. De eenzaamheid viel haar zwaar, maar spijt had ze er niet van. Haar geliefde oude teksten openden voor haar deuren die voor Françaises lang gesloten waren. Toen in 1930 het concours général, een landelijke wedstrijd voor scholieren na hun eindexamen voor het eerst voor meisjes toegankelijk was, werd zij eerste in Grieks en Latijn.

Als een van de eerste vrouwen studeerde ze aan de École Normale Supérieure en in de jaren zeventig doceerde ze als eerste vrouw aan het Collège de France, het instituut waar gratis en voor iedereen toegankelijk hoger onderwijs wordt gegeven. In 1988 trad ze toe tot de rangen van de ’onsterfelijken’ zoals de geüniformeerde leden van de Académie Française heten. Een hogere eer dan de Académie, een gezelschap dat waakt over de Franse taal, is er niet.

Haar vader Maxime David, leraar filosofie, stierf aan het front in 1914 toen zij een jaar oud was. Haar moeder Jeanne Malvoisin verdiende een karig inkomen met het schrijven van hoorspelen en toneelstukken. Toch sprak zij van een gelukkige jeugd. „Ik heb nooit een vader gemist omdat ik hem niet heb gekend en mijn moeder, aan wie ik alles te danken heb, heeft me niet grootgebracht in de cultus van de grote afwezige.”

Zij ging zelf lesgeven en trouwde in 1940 met Michel Worms de Romilly. Na ruim dertig jaar later scheidde ze, een breuk waar ze nooit iets over heeft gezegd. Ze hield wel zijn naam, die de familie van haar ex-man na de Franse Revolutie in 1789 verwierf met de aankoop van het kasteel van Romilly, ten oosten van Parijs.

Omdat haar man en haar vader Joods waren werd zij door het collaborerende Vichy-bewind getroffen door een beroepsverbod. „Wij hebben ons de hele oorlog als konijnen verstopt”, zei zij over die donkere tijd.

In 1947 promoveerde de Romilly op haar grote passie Thucydides. Tussen 1953 en 1972 werkte zij aan een vertaling van het hele oeuvre van ’Thucy’ zoals ze hem noemde en doceerde zij in Lille en later in Parijs aan de Sorbonne.

Thucydides was volgens haar het mooiste voorbeeld van een intellectuele, literaire en politieke onderneming zonder weerga, de kwintessens van het Griekse mirakel. Wat was de oorzaak daarvan, die plotselinge bloei van de stadsstaat Athene in de vijfde eeuw voor Christus? In de wereld van Homerus, drie eeuwen daarvoor, was er nog niets, geen geschiedschrijving, spraakkunst, filosofie, rationele geneeskunde, de tragedie, de komedie. Ze kwam er nooit helemaal uit.

Tevergeefs streed ze tegen de teloorgang van het Grieks en Latijn in het Franse onderwijs. Gymnasia kent Frankrijk niet, de oude talen worden op een klein aantal lycea als keuzevakken onderwezen.

Het grote publiek leerde haar kennen toen zij in het vermaarde literaire tv-programma ’Apostrophes’ in de jaren tachtig pleitte voor de redding van het Grieks. Onze cultuur zou zichzelf verzwakken als je de jeugd afsnijdt van de oorsprong ervan, waarschuwde ze. „Als we de woorden vergeten, vergeten we de zaken, en als we Homerus vergeten, vergeten we Voltaire, Rousseau en Montesquieu.”

’Vreselijk’ vond ze het als sociologen of antropologen haar Grieken niet op waarde wisten te schatten door vooral de nadruk op de slavernij en de onbeduidende rol van vrouwen te leggen.

„Aan die benadering hebben we niets. Al het goede in onze cultuur hebben we aan de Grieken te danken”, zei ze. „Hoe we bijvoorbeeld denken over rechtvaardigheid, geweld, vrijheid, of de zin van het bestaan, alles is al krachtig aanwezig in de mythen, in de filosofie. Hier zie je het rationele, kritische denken ontstaan. Je ziet de geboorte van het licht en het universele, de sleutels om het heden beter te leven worden je hier aangereikt. Door de ouden leren we ons uitdrukken, intellectueel gereedschap te gebruiken, de verwarring te beheersen, de duisternis te overwinnen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden