Passie tussen haakjes

Muzikale duizendpootBoudewijn Tarenskeen viel ooit van zijn geloof, maar schreef desondanks een nieuwe Matthüus-Passion.

Als een hedendaagse componist een ’Matthüus-Passion’ schrijft, kun je er meestal van uitgaan dat de kunstenaar gelovig is en dat hij zichzelf in een traditie wil plaatsen. Zo niet de in Nieuw-Guinea geboren Nederlandse componist Boudewijn Tarenskeen (1952). Tarenskeen viel ooit van zijn geloof en onderzoekt sinds tien jaar wat hem ooit zo aantrok in het katholicisme uit zijn jeugd. En wat er van die spiritualiteit over is.

Vijf jaar geleden maakte Tarenskeen een reis langs koranscholen in Egypte, Iran en Indonesië – bij wijze van onderzoek en voorstudie voor de ’Mattheus Passie’, die Cappella Amsterdam vanavond in het Amsterdamse Muziekgebouw in première brengt. Van die reis deed Tarenskeen destijds uitgebreid verslag in Trouw. Hij verwonderde zich er over de rol van de gebedsmuziek, over de manier van onderwijzen en over het niet-bestaan van het creatieve individu.

Toen hij klein was, vertelt Tarenskeen na afloop van een repetitie met Cappella Amsterdam en regisseur Paul Koek, was hij zelf ook gelovig: „Wij waren Indo’s, maar we leefden in een Nederlandse gemeenschap in Nieuw-Guinea. Daar woonden maar een paar blanke mensen. Er stond een heel erg mooie katholieke kathedraal, verder niks. Om ons heen heerste het animisme van de Papoea’s.”

In 1962 emigreerde de familie Tarenskeen naar Nederland. Boudewijn paste zich snel aan: „Ik wilde me heel graag Hollander voelen. Ze vonden het hier heel gek dat een bruin jongetje zo prachtig Nederlands sprak. Maar dat had ik daar zo geleerd. Ik vond godsdienst heel mooi, maar dat was vooral de muziek en het theater van de rooms-katholieke kerk. Ik werd misdienaar. Ik leerde al die vreemde Latijnse gebeden uit mijn hoofd, waarvan ik nog steeds niet weet wat ze betekenen.”

In de jaren zeventig keerde de politiek bewust geworden Tarenskeen zich af van zijn ’religieuze roots’, zoals hij het zelf noemt. Tot hij tien jaar geleden koralen componeerde voor een koor. Dat ging hem naar eigen zeggen verbazingwekkend snel af: „In die religieuze muziek had ik dus iets gevonden. Sindsdien ben ik dat aan het onderzoeken in mijn muziek – wat er nog in me zit aan spirituele energie. En dat is heel veel.”

Dat betekent niet dat hij naar het geloof is teruggekeerd: „Ik geloof niet meer en ik ben tegen instituties zoals de kerk, die alleen maar narigheid hebben voortgebracht. Ik zoek naar een vervangend verhaal. Dat heb ik nog niet gevonden.”

Tarenskeens theatraal angehauchte stukken gaan bijna zonder uitzondering over dat zoeken, over herinnering, over archetypen en over andere kunstwerken – ’De vier jaargetijden’, ’The Sound of Music’ en ’Parsifal’ waren bijvoorbeeld al eens onderwerp van zijn eigen muziek. Vergelijk het met het commentaar van de regisseur dat je tegenwoordig op veel dvd’s met de film kunt laten meelopen. Tarenskeens muziek is zoals dat commentaar, waar je je zelf de film bij kunt herinneren.

Waarom maakt een ongelovige componist een ’Mattheus Passie’? „Ik wilde kijken wat ik met zo’n monumentaal werk kon doen. Ik vind bovendien het oratorium een boeiend genre, omdat het zo dood is. Een oratorium is formeel, alles speelt zich in het verleden af en komt uit de Bijbel. Je wordt aan alle kanten beperkt en dat vind ik boeiend.”

In ’Mattheus Passie’ (’Een lezing’, is de ondertitel) zitten de zangers achter tafels en ’lezen voor’ uit hun partituren: in de eerste akte zitten ze in twee rijen opgesteld, met vooraan elf solisten en daarachter het ’koor’.

„Er is geen dirigent, want ik wilde dat de zangers zich direct naar het publiek zouden richten. Alle zangers zijn bovendien personages: zo is er bijvoorbeeld de rol van de hufter die veel te hard zingt en die denkt dat hij God zelf is. Paul Koek geeft al die denkbeeldige personages karakter en houding. In de tweede akte gaan de solisten de zaal in en mengen zich tussen het publiek. Het koor staat dan alleen op het podium. Dat laatste deel is heel kort.”

De personages in Tarenskeens werk herinneren zich Bachs ’Matthüus Passion’, zonder dat die ooit letterlijk klinkt. „Het lijdensverhaal wordt wel helemaal verteld, maar het wordt ook als bekend verondersteld”, aldus de componist. Bladerend door de partituur legt hij al zingend uit wat er gebeurt. „Zie je”, zegt hij bij de tweede scène, „hier zingt de bariton heel hoog, in de vioolsleutel. Dat is een verwarrend moment: nemen we het serieus of niet? Die bariton veroorzaakt enorme weerzin. Dat is niet cynisch bedoeld. Ik wil dat mensen zich afvragen wat ze hiermee moeten.”

Midden in de partituur staan ineens geen noten meer, maar heeft Tarenskeen tekeningetjes gemaakt, als improvisatiemomenten voor de zangers. En ineens valt het stuk stil en probeert de alt (personage: autist) in haar eentje het openingskoor van Bachs passie te zingen.

Waarom doet hij dat? „Moet jij eens opletten wat dat oplevert. De tranen springen je in je ogen. Heel mooi, zoals zij dat doet. Dat autistische meisje dat in haar eentje dat dubbelkoor probeert te zingen, dat is schoonheid. Maar ik stort het niet over het publiek uit. Wat zij in haar eentje doet, daar hebben veel componisten enorme orkesten en koren voor nodig. Ik geef heel weinig in dit stuk, dat is belangrijk.”

In de tweede akte vat het koor zonder de solisten de hele eerste akte samen. Alsof Tarenskeen nog een extra paar haakjes om zijn ’Mattheus Passie’ tussen haakjes zet.

„Ik wilde een epiloog schijven: alle markante momenten uit de eerste akte op een hoop. Die komen letterlijk terug, in een razend tempo. Het is eigenlijk een preview achteraf. Kun je twijfelen in muziek? Kun je een ’Mattheus Passie’ schrijven als je zelf niet gelooft? Dat soort vragen komen in de tweede akte expliciet aan bod.”

Tot slot vraag ik de componist in welke vorm zijn islamreis van vijf jaar geleden in ’Mattheus Passie’ terecht is gekomen. „Met die reis wilde ik terug naar het mysterieuze mislatijn. De conclusie voor mij was dat zij niet uitgaan van het lezen van muziek, wij wel. Wij zijn slaven, zij beginnen gewoon tegen jou te zingen. Daar had ik eigenlijk niks aan. Je kunt hun cultuur niet incorporeren in waar ik mee bezig ben. Of ze moeten alles uit hun hoofd zingen. Zoiets is praktisch niet mogelijk. Ik kon de ervaringen van die reis dus niet vertalen naar de westerse muziekpraktijk. Je zou dus kunnen zegen dat ik niets aan die reis heb gehad.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden