Pasen is een vreesfilm

'De film waar ik niet heen durf is de film waar ik dankbaar voor zal zijn.' Zo stapte Willem Jan Otten de bioscoop binnen voor '12 Years a Slave'. Relaas van een Paaservaring.

Willem Jan Otten (1951) schrijft poëzie en proza en publiceert geregeld essays in Letter&Geest. Voor zijn beschouwend werk ontvangt Otten op 22 mei de P.C. Hooft-prijs.

Eindelijk heb ik '12 Years a Slave' gezien', in Brussel, op een woensdagmiddag - nadat ik er lang in was geslaagd om deze gang naar de bioscoop voor me uit te schuiven.

Ik ben niet de zestig gepasseerd zonder mij zelf op één punt te hebben leren kennen: de film waar ik niet heen durf is heel vaak de film waar ik dankbaar voor zal zijn. Daarom ben ik altijd gegaan, uiteindelijk, naar de film waar ik niet heen durf, of het nu in 1978 'Nightporter' was, of in 1979 'L'Armée des Ombres', in 1988 'Shoah', in 1991 'The Last Temptation of Christ', in 1993 'Bad Lieutenant', in 1995 'L.A. Crash', in 1997 'Breaking the Waves', of in 2003 'The Passion of The Christ' en 'Dogville'.

Of in 2011 'Shame', van de man die ook '12 Years a Slave' heeft gemaakt: Steve McQueen.

Tegen een film opzien kan alleen als je ongeveer weet wat je te wachten staat. Merk op dat van mijn (niet uitputtende) lijstje vreesfilms een derde Tweede Wereldoorlogfilm is. Wat me, toen ik ze nog moest zien, in het vooruitzicht werd gesteld was: een inleving in concentratiekampervaringen of in Gestapogevangenschap. Dat is het woord, inleving. Ik zou aangesloten worden op de binnenwereld van een personage dat de zone van het lijden in wordt gemanoeuvreerd.

Dat ik van tevoren weet dat het om geweld zou kunnen gaan, is niet voldoende om de film te vrezen. Het is mij nooit gelukt om het werk van Paul Verhoeven of Quentin Tarantino te vrezen. Ik weet dat je bij hun geweld alleen maar je ogen dicht hoeft te doen, en dat dit geen afbreuk zou doen aan het verslavende genot als pavloviaanse was in de handen van deze verwachtingmanipulators te zijn.

Van '12 Years a Slave' wist ik evenwel van tevoren - op basis van die andere Steve McQueen die ik had gezien - dat je ogen sluiten niet zou helpen. Vreemder nog: 'Shame' bevat niet eens de expliciete scènes die het onderwerp van de film - seksverslaving - je in het vooruitzicht zou kunnen stellen. Ook dat wist ik van tevoren, dat had ik in een recensie gelezen. Nee, dat 'Shame', een film zonder fysiek geweld of in je gezicht exploderende seks, een vreesfilm was, had te maken met de te verwachten inleving. Op een of andere manier was me beloofd dat ik aangesloten zou raken op het innerlijk van de verslaafde man die door Michael Fassbender gespeeld zou worden. Kennelijk valt er voor mij dan iets te vrezen.

En dat Steve McQueen mij met 'Shame' van binnenuit het verhaal van zijn gevoelsdove, almaar de wond van zijn begeerte openkrabbende personage heeft kunnen laten meemaken - tot zijn uiterste consequentie: zijn schuldige aandeel in de zelfmoord van zijn zusje, en zijn lijden daaraan - dat deed me zijn '12 Years a Slave' dubbel vrezen.

Ik begreep dat de film me niet alleen zou aansluiten op het innerlijk van een zwarte plantageslaaf, maar ook op dat van slavenhouders. Ik vermoedde: ongeveer zoals hij me in 'Shame' had doen meebewegen met de harde onverschilligheid van de seksverslaafde jegens zijn zusje. Een van de slavenhouders zou gespeeld worden door de al genoemde, beslist vreeswekkende Michael Fassbender. De slaaf, Solomon, door Chiwetel Ejiofor.

Het weerkerende woord is: lijden. Als ik mijn rijtje vreesfilms overzie dan zou ik zeggen: niet alleen de twee Jezusfilms zijn lijdensverhalen - ze zijn het allemaal. Ze gaan dan ook op enigerlei wijze de verbinding aan met de vergeten, in de kitsch van de Borsato-Passion opgegane mythe van onze samenleving: het Paasverhaal.

Ze schikken de elementen van het verhaal zó dat je 'het' van binnenuit meemaakt. Het is alsof je door de ogen van de man die uit zijn vrije leven wordt gerukt en wederrechterlijk als slaaf verkocht, naar de wereld kijkt - en toch kijk je ook naar hem, als naar een reeks kruiswegstaties.

En het is geen eenduidige aansluiting - niet simpelweg op schuldeloos slachtofferschap alleen: je maakte ook de beweging een bedrog in, een geheimhouding. Want Solomon, de slaaf, moet liegen dat hij niet kan lezen en schrijven. Je vraagt je af waarom dit zo is - waarom hij groter gevaar loopt als zijn meester weet dat hij een geletterd man is. En plotseling besef je dat de meesters en de opzichters alles op alles zetten om in de mannen die ze moeten disciplineren (om ze economisch rendabel te laten zijn) geen mensen te zien. Ze verzetten zich tegen iedere neiging tot empathie.

Hierin verschillen ze niet fundamenteel van om het even welke moderne pornogenieter die de gedachte moet verdringen dat het meisje waar hij in gedachten op klaarkomt zijn dochter zou kunnen zijn. En telkens wanneer de slaaf even een mens dreigt te worden - herkenbaar, inleefbaar - dreigt ook de angst door te breken, en loert er geweld.

De film is uitzonderlijk helder in het expliciteren van de angst van de slavenhouders en vooral de opzichters. De terreur die ze verspreiden onder de slaven, om die in toom te houden, is recht evenredig aan de monsterlijke vrees die ze voelen. Oneindig veel groter dan voor het vee, dat ze ook moeten disciplineren. Van het personage dat Fassbender speelt wordt gezegd dat hij een echte 'slavenbreker' is. Dat wil zeggen: hij kan sterke, zeer sterk hatende, en niets te verliezen hebbende mannen breken - maar doet dat zó, dat ze net niet dood willen.

Het culmineert allemaal in een scène waarin Fassbender een jonge slavin zal geselen. Zij is zijn minnares - wat natuurlijk een absurd woord is. Pantsey moet, om te overleven, zich door Fassbender laten gebruiken. Al in het begin heeft de hoofdpersoon gezegd: "Ik wil niet overleven, ik wil leven." En je ontdekt al snel dat hij dat wil behouden wat we sinds de boeken van Primo Levi en Abel Herzberg over het overleven van vernietigingskampen de menselijke waardigheid zijn gaan noemen. Is met je meester naar bed gaan nog iets anders dan overleven te noemen?

Pantsey wil, vóór we de scène ingaan die ik speciaal wil memoreren, zelfmoord plegen - en vraagt Solomon om haar te helpen. Ze zegt het niet met zoveel woorden, maar bedoelt het wel: als ik niet kan leven - als een mens, onverkracht, zonder me te moeten geven aan de man die mij gekocht heeft - dan wil ik dood. Ze wil dat een ander haar helpt bij deze dood - iemand in wie ze dezelfde drang om in waardigheid te leven, laten we zeggen: minimale waardigheid, heeft herkend.

Het is nog niet zo eenvoudig om te beschrijven wat je, in de Brusselse bioscoopstoel om 17.00 uur 's middags, samen met zeven, acht anderen, veelal oudere Franstalige dames met boodschappentassen, meemaakt als je Solomon ziet spartelen als hij begrijpt wat Pantsey hem vraagt: help me sterven.

Solomon weigert, en Steve McQueen velt geen oordeel, hij toont alleen maar, en schakelt door naar de volgende statie in de beproeving van Solomon. Want dat blijkt de film in de kern te zijn: een beproevingsdrama. Beproefd wordt Solomons voornemen om te leven, niet alleen te overleven; om zijn menselijkheid te bewaren. Niet te worden wat de slavenhouders in hem, en in Pantsey, en in alle andere zwarten zien: niet-mensen. Vee.

Het kost slavenhouders, als gezegd, een in de eerste plaats geestelijke inspanning om de aanvechting te onderdrukken om in hun slaven mensen te zien, met waardigheid. En de beste, effectiefste manier om in een mens iets niet-menselijks te zien - zeg: een lastdier, of een trekhond - is: hem slaan. Bij voorkeur met een voorwerp dat je voor vee gebruikt. Een zweep.

Het sluitstuk van Solomons beproeving is de scène waarin Fassbender besluit om Pantsey vijftig, of honderd, zweepslagen te geven - iets waartoe hij zich gedrongen weet omdat zijn vrouw het idee dat hij seks met Pantsey heeft, niet meer verdraagt. Wel met een beestachtige slaaf en niet met haar. En dan, op het moment dat dit zal beginnen, ziet hij Solomon. En diens onbeschrijflijke woede. Solomon, die we nog maar kort geleden hebben zien weigeren om Pantsey te helpen met doodgaan. En Fassbender geeft de zweep aan Solomon, en dwingt hem de geseling te volbrengen.

Er is maar één ding dat je nu, al kijkend, hoopt - en dat is dat het waar is wat Solomon gezegd heeft: leven is belangrijker dan overleven.

Ik heb niet de illusie de morele knoop te ontwarren die nu om het toeschouwershart wordt aangetrokken, ik weet alleen maar: Steve McQueen speelt geen enkel mooi weer, suggereert geen seconde dat wij buiten of boven Fassbender of Solomon staan. Niet in een Brusselse bioscoop, niet in Harlem.

Eigenlijk wil je dat McQueen nu gaat vertellen dat Solomon dit niet kan, dat hij nu, hier, op dit moment, zijn menselijke waardigheid belangrijker vindt dan overleven. Dat hij weigert (zoals hij de hulp bij zelfdoding heeft geweigerd), en zich, laten we zeggen, laat doden door Fassbender.

Dat dit niet gebeurt; dat je begrijpt dat dit niet gebeurt; dat je Solomon voor je ogen in tweeën ziet splijten; dat je, om zo te zeggen, met Solomon mee tot overleven overgaat - dat wil zeggen: tot het geselen van Pantsey: dat is onbeschrijflijk. Temeer daar het allemaal zo uitgesproken mooi gefilmd is. Niet zomaar mooi, maar prachtig, heerlijk, alles baadt in een wit-gouden Virginia-licht, gefilterd door het wemelend gebladerte van hoge, plataanachtige bomen. En de grote scènes zijn in lange, lussende single-trackers gevangen - grote, majestueuze, nauwelijks gemonteerde camerabewegingen. Wat betekent schoonheid in het licht van zoveel naakte waarheid?

Is Solomon nu bezweken? Heeft hij de nederlaag geleden - en heeft hij zijn menselijkheid verspeeld?

Geheimzinnig: schoonheid maakt waarheid naakter, schandaliger.

Zoals gezegd: '12 Years a Slave' behoort tot een verzameling kunstwerken die op enigerlei wijze te verbinden zijn met Pasen. Dat is het verhaal waarin een mens niet bezwijkt, en, door leven in waardigheid te verkiezen boven louter overleven, in een reeks beproevingsstaties terechtkomt die hem uiteindelijk de gewelddadigst denkbare dood bereiden. Hij laat het leven - en vergeeft, in agonie, degenen die zijn leven nemen.

Het is een onwaarschijnlijk verhaal. Niet alleen de Verrijzenis, waar het in uitmondt, wordt door moderne mensen moeilijk geaccepteerd, maar ook de vergeving, waartoe de Gekruisigde in staat is. Overigens verwijst McQueen geen moment met zoveel woorden naar Golgotha. Wel laat hij een groepje slaven aan het graf van een van hen de gospel 'Roll Jordan Roll' zingen - het is alsof we de geboorte van het bidden bijwonen. Maar verder - als er al iets christelijks wordt gezegd, dan door slavenhouders, die de Bijbel citeren om slavernij en geselen te rechtvaardigen.

En toch: tijdens '12 Years a Slave' word je je bewust van de even menselijke (lees: inleefbare, voorstelbare), als bovenmenselijke (lees: onze krachten te boven gaande, onbestaanbare) mogelijkheid die mensen geboden wordt om leven boven overleven te stellen. Op het moment dat je tot je door probeert te laten dringen wat de hoofdpersoon doet, word je bijna volautomatisch gedwongen te beseffen dat je, waar het om 'leven' gaat - het vitaal ándere dan overleven - nederlaag op nederlaag lijdt.

Daarom is de bevrijding van Solomon uit zijn slavernij - want dat lukt hem (de afloop is al in de titel besloten) - zo'n droevige gebeurtenis.

Niet alleen omdat hij, op slag, zijn lotgenoten, ook Pantsey, wier beurse rug hij na de bezwijkscène liefdevol verpleegd heeft, moet achterlaten - maar vooral omdat hij de slavernij, de plantage, het overleven ten koste van leven, de scènes van het bezwijken, mééneemt. De vrijheid in.

Ik ben een kind van een moeder die tussen haar vijftiende en haar achttiende in een Japans interneringskamp heeft gezeten. Eigenlijk zijn alle verhalen die mij over kamp Tjideng en het regime van commandant Sone verteld zijn, verhalen over honger en horigheid, en dus over leven en overleven. En eigenlijk is hun onuitgesproken ondertekst altijd geweest: dat jij en je broertje leven is omdat wij het overleefd hebben. Dat woord heeft altijd, op een onnaspeurbare manier, een droevige klank gehad.

'Overleven' betekende méér dan 'in leven blijven', het hield ook in: die, en die, en die, hebben het niet overleefd, er is een donker verband tussen wij wel en zij niet. Onuitgesproken suggesties, nooit expliciet zelfbeschuldigend - maar als de dood van tante X verteld moest worden, moeder van nichtje IJ die van alle kinderen de grootste schade van te weinig voedsel heeft opgelopen, dan speelde toch ook altijd, heel verborgen, mee dat moeder Z haar rantsoen niet met de tante heeft gedeeld omdat haar eigen dochter dysenterie aan het krijgen was, of leek te krijgen. En dat die dochter het overleefde, was dat niet te danken aan de taugékiemen die verborgen in een vensterbank gekweekt waren - uit in het nog groter geniep bewaarde boontjes, die nog weer eerder waren gescoord in ruil voor sigaretten, bij een rookverslaafde derde?

Zelfs het vluchtig noteren van dit soort husseltjes is al beschamend, alsof ik het recht heb om wie dan ook voor het rechtersoog van de vrijgestelde verzorgingsstaat te dagen. Maar alles bij elkaar doen zulke verhalen je in de loop van je leven stap voor stap beseffen dat je je leven te danken hebt aan overleven - en wat dat betekent laat Steve McQueen zien, of beter: hij maakt het voelbaar, als hij Solomon terug de vrijheid in laat gaan - bezwaard met de levenslange wetenschap bezweken te zijn.

En op deze manier ten dode bedroefd gaan we de slotscène in, de hereniging van Solomon, na twaalf jaar, met zijn gezin, zijn vrouw, zijn drie kinderen. Iedereen is sprakeloos.

Weer de lange, lange trage ene camerabeweging die, ongemonteerd, alles moet vangen wat het geval is. De kunstmatige, stijve mise-en-scène, als op een Dickens-gravure. En Solomon die eindelijk spreekt, en maar twee woorden zegt - een keer of drie, dat wel: vergeef me.

Ik weet niet of dit ook Solomons laatste woorden zijn in het boek waar de film op gebaseerd is. Ze zijn hoe dan ook Steve McQueens laatste woorden in deze lijdensgeschiedenis, die hier, zonder dat McQueen ook maar één keer de naam van Christus heeft laten vallen, een Solomon-Passion wordt. Ze zetten schijnbaar alles op z'n kop.

We waren maar met z'n negenen, in de Brusselse middagbioscoop, en toch herinner ik me niet ooit zo massaal eendrachtig zwijgend naar buiten gelopen te zijn als na dit slot. En, vreemd genoeg, zo vol, vervuld.

Helemaal niet terneergeslagen of bedremmeld of beurs.

"Er wordt iets op een verschrikkelijke manier op zijn kop gezet, en toch staat het nu precies goed", heeft G.K. Chesterton van het Paasverhaal gezegd.

Dat de mensen die schijnbaar buiten de hel zijn gebleven, de 'thuisblijvers', om vergeving werd gevraagd door een overlever - voor het feit dat hij had overleefd, en niet altijd geleefd - dat was ongelooflijk. Dat is het woord - niet te geloven.

Het was inderdaad bij benadering - en op een verwante wijze - zo ongelooflijk als het Paasverhaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden