Pas op voor ziekmakend knaagdier

Over ziekten die door knaagdieren kunnen worden overdragen, wordt vaak te luchtig gedaan. Daarvoor waarschuwt hoogleraar Eric van Gorp vandaag op een congres in Amsterdam. 'Als het virus in het ziekenhuis opduikt, is het eigenlijk al te laat.'

Professor Eric van Gorp had vijf jaar geleden een ernstig zieke man onder behandeling. Hij was er beroerd aan toe: zijn nieren deden het niet goed, hij had hoge koorts. Symptomen die bij een tropische ziekte hoorden.

Maar hij was niet in het buitenland geweest, alleen op de Veluwe. De man had daar tijdens het Pinksterweekend de zolder schoongemaakt, vertelde hij. Het was stoffig geweest, vol muizenpoep.

Van Gorp testte de man voor de zekerheid ook op het hantavirus, een heftige, maar niet dodelijke koorts. Voor de man waren de test en diagnose die volgde het begin van genezing. Voor Van Gorp, hoogleraar klinische virologie aan het Erasmus Medisch Centrum, was het de aftrap voor een serie onderzoeken naar de risico's van infectieziekten die verspreid worden via knaagdieren.

"Wil je begrijpen hoe een ziekte als het hantavirus zich verspreidt, dan moet je de omgeving begrijpen", zegt Van Gorp. "Als het virus in het ziekenhuis opduikt, is het eigenlijk al te laat."

Van de opkomende infectieziekten die zich in potentie kunnen verspreiden over een grote populatie, wordt 70 procent overgebracht van dier op mens. Een niet te onderschatten percentage waar men volgens Van Gorp vaak te luchtig over doet.

"We denken dat we tegen iedere uitbraak kunnen vaccineren, maar als je kijkt naar de hele groep infecties, is het aantal vaccinatiemogelijkheden een druppel op een gloeiende plaat. Preventie is dus heel belangrijk, zeker bij infecties waar niet veel aan te doen is. Helaas zijn dat er veel."

Dat betekent ook dat er meer kennis nodig is van de dieren die de ziekten verspreiden. Door een veranderend klimaat, het eten van rauw vlees en rauwe vis en veranderende reisgewoonten, zijn ziekten die voorheen alleen in het buitenland voorkwamen nu ook relevant voor Nederland.

Professor Van Gorp noemt als voorbeeld een uitbraak van een zeer dodelijke variant van het hantavirus in Yosemite Park in de Amerikaanse staat Californië in 2010. Deze variant op het hantavirus is in 90 procent van de gevallen dodelijk. Ter vergelijking: bij ebola ligt dat rond de 50 procent.

Van Gorp: "Dat haalde toen opeens het achtuurjournaal, omdat er ook achtenzestig Nederlanders onderzocht moesten worden op het virus. Je kunt je de paniek voorstellen als het echt in Nederland opduikt."

Hantavirus blijkt minder zeldzaam dan gedacht

Het hantavirus, dat nierfalen en hoge koorts kan veroorzaken, komt in Nederland meer voor dan tot nu toe gedacht. Dat blijkt uit onderzoek van het Erasmus MC. Bovendien werd het virus onlangs in een variant met heftiger ziektesymptomen aangetroffen bij bruine ratten in de omgeving van Doetinchem. Deze variant van het hantavirus, het Seoulvirus, kan hoge koorts, nier- en leverfalen veroorzaken.

Het virus wordt op mensen overgedragen door het inademen van stofdeeltjes van uitwerpselen van ratten en muizen. Of door een beet.

Tot nu toe werd aangenomen dat het hantavirus vooral mensen in de grensstreek met België en Duitsland ziek maakte, maar niet of nauwelijks in de rest van Nederland voorkwam. In de landen om ons heen is het een regelmatig geziene ziekte, maar tot nu toe stond de virusinfectie hier te boek als zeer zeldzaam. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Het virus komt vaker voor, maar wordt door artsen vaak niet herkend.

In bloedmonsters van mensen die in 2010 en 2011 zonder diagnose naar huis waren gestuurd, vonden onderzoekers in totaal 17 gemiste gevallen van het virus door heel Nederland. Het Erasmus MC wil naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek ook de jaren 2012, 2013 en 2014 onderzoeken om meer te weten te komen over de verspreiding van het hantavirus in Nederland.

De knaagdierenmonitor van de overheid

Sinds 2007 onderzoekt het RIVM de ziekten die aanwezig zijn in de Nederlandse dierpopulatie. Het gezondheidsinstituut werkt samen met ecologen, rattenvangers en de Zoogdierenvereniging om aan het onderzoeksmateriaal - levende ratten en muizen - te komen. Het doel is te kunnen voorspellen hoe groot het risico op een infectieziekte bij mensen is, als de dragers binnen de knaagdierenpopulatie in kaart zijn gebracht.

Zo deed de GGD Amsterdam vorig jaar uitgebreid onderzoek naar ziekteverwekkers in bruine en zwarte ratten. Jan Buijs, ecoloog van de GGD in de hoofdstad, ving daarvoor ruim een jaar lang levende ratten. De gezondheidsdienst wilde weten wat het risico op ziekteverspreiding van de dieren was in het kader van het landelijke onderzoek van het RIVM en omdat er steeds meer natuur binnen de stadsgrenzen komt.

Bruine ratten kunnen een hele serie ziekten meedragen, zoals de ziekte van Weil en Q-koorts. De zeldzamere zwarte rat, die in Amsterdam tot nu toe alleen in de haven voorkomt en de oversteek naar de stad nog niet lijkt te hebben gemaakt, kan onder andere drager van de pest zijn.

Na analyse bij het RIVM bleken enkele dieren de drager van de veroorzaker van de ziekte van Weil.

Een andere belangrijke vraag voor het RIVM is of een jaar van voedselovervloed bij knaagdieren uiteindelijk leidt tot meer zieke mensen. Zo onderzoekt het RIVM op dit moment de veldmuizenplaag in Friesland. De knaagdieren doen het dankzij een lange, warme zomer van vorig jaar en de kwakkelwinter ervoor goed in het Friese veld. Veldmuizen kunnen drager zijn van onder andere het hantavirus en de ziekte van Weil. Hoeveel mensen daardoor uiteindelijk ziek zullen worden, is de vraag. Het onderzoek is nog niet ver genoeg gevorderd om precieze voorspellingen te kunnen doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden