Column

Pas op als D66 de democratie preekt

D66-leider Alexander Pechtold tijdens een D66-congres in het Utrechtse Beatrixtheater in 2011 Beeld ANP

Als iets de politieke cultuur sinds het begin van deze eeuw kenmerkt is het een ongekende verbetenheid. Of het nu gaat om de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat of de positie van de koningin in het staatkundig leven, steeds voeren radicale opvattingen de boventoon en delft de relativering het onderspit. De ironie is dat deze tendens zich niet keert tegen het democratisch ideaal, maar zich daar juist op beroept.

Niet voor niets waren de Democraten 66 de drijvende kracht achter het uitschakelen van de rol van het staatshoofd in de kabinetsformatie. De informateurs Kamp en Bos mochten tijdens de jongste formatie ternauwernood een kopje thee drinken op het paleis. De koningin inhoudelijk bijpraten over de stand van de onderhandelingen was strikt verboden.

Hetzelfde D66 gaat nu voor in een al even absolute, zo niet rigide uitleg van het principe van de scheiding tussen kerk en staat. Dit principe houdt in dat de overheid zich neutraal opstelt tegenover religies en levensovertuigingen. D66 voert het zo ver door dat elke verwijzing naar God uit het publieke leven moet worden geschrapt, zoals de woorden 'bij de gratie Gods' in de koninklijke afkondiging van wetten. Voor enige relativering zou de partij te rade kunnen bij Busken Huet. Deze negentiende-eeuwse dominee en schrijver wilde graag erkennen dat de koning regeerde bij de gratie Gods, maar in geen andere zin dan waarin ook de kleermaker van de koning aan goddelijke genade zijn bestaan dankte.

Voor D66 lijkt neutraliteit van de overheid een waarde op zich geworden, ontdaan van elke context. In het publieke leven mag zich in niets nog iets weerspiegelen van de huidige of vroegere cultuur. De vertegenwoordigers van de partij, onder leiding van de kunsthistoricus Pechtold, dragen de 'consequente scheiding tussen kerk en staat' uit met een vroomheid zo uitgestreken dat een farizeeër er jaloers op zou worden. Alles omwille van de democratie.

In mijn laatste column van vorig jaar heb ik de historicus Johan Huizinga aangehaald, die zeventig jaar geleden vaststelde dat de naam 'democratie' eigenlijk geen gelukkige vondst is geweest voor een staatsvorm die vrijheid en gelijkheid voor de wet centraal stelt. Een staatsvorm die in de naam al de onvervulbaarheid van het ideaal van volksheerschappij meedraagt, kon volgens hem alleen maar frustraties en misverstanden oproepen.

Het probleem van D66 is vermoedelijk dat het nog altijd - ja, bijna heilig - gelooft in de vervulbaarheid van dat ideaal en geen stap onbenut wil laten dat binnen bereik te brengen. De welhaast zelotische ijver om de invloed van de koning en de kerk op het publieke leven volledig uit te bannen valt in dat perspectief goed te begrijpen. Tegelijk wordt in één klap duidelijk waarom Huizinga, toen hij dit schreef (in 1943), zich over het begrip democratie zorgen maakte.

Liever had hij gezien dat was gekozen voor de naam isonomie, omdat deze beter de essentie zou uitdrukken van een vrije samenleving waarin burgers voor de wet gelijk zijn. Ik denk dat hij gelijk had, ook in die zin dat woorden een denkrichting bepalen. Zo leidt het ideaal van volksheerschappij gemakkelijk tot meerderheidsdenken, omdat de helft plus één het ideaal al enigszins zou benaderen. In Huizinga's staatsvorm zou het accent eerder liggen op de vrijheid en ruimte voor iedereen, dus ook voor de helft min één.

D66 levert het beste bewijs van 'zuiver democratisch' denken met de pogingen zelfs de geringste sporen van het eens christelijke Nederland uit te wissen. De partijen die het predicaat 'christelijk' voeren zijn een minderheid geworden, zelfs niet groot genoeg meer om hervormingen in de grondwet tegen te houden. De partij ziet dus haar kans schoon en kiest liever de stoomwals dan het debat. De motie om de Zondagswet af te schaffen werd vlak voor het kerstreces ingediend, op een moment dat er geen debat meer over mogelijk was.

Met de zondagochtend voor kerkelijk Nederland en de zondagmiddag voor onkerkelijk Nederland is deze wet uit 1953 (niet 1815, zoals D66 beweert) trouwens een schoolvoorbeeld van isonomie. De indiener, de katholieke minister Beel, wilde zo recht doen aan de behoeften en verlangens van verschillende groepen. Let wel: dit gebeurde in een tijd dat de christelijke partijen nog een absolute meerderheid hadden. Het is dan ook een fabeltje dat zij hun opvattingen dwingend aan de samenleving wilden opleggen. Ik heb al vaker aan de hand van de staatkundige feiten (onder meer crematiewet, echtscheidingswet, abortuswet, euthanasieregeling) laten zien dat de verdraagzaamheid van de christelijke partijen jegens andersdenkenden groter is geweest dan de tolerantie die hun nu omgekeerd ten deel valt. In al die gevoelige kwesties zochten zij steeds het compromis.

Natuurlijk horen minderheden de codificatie van breed levende rechtsgevoelens te aanvaarden. Maar aanvaarden na zorgvuldig debat is wat anders dan zich schikken naar de dwingelandij van de meerderheid, zeker als die de verbeten trek laat zien van de partij die zich zo graag als redelijk presenteert.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden