Partizanen van de poëzie

Dichter René Huigen reist met een groepje uitverkoren collega's door Polen, om, vermoedt hij van tevoren, voor 'drie man een halve paardenkop' gedichten voor te gaan lezen. Met dank aan Europees gemeenschapsgeld. "Voor wat en voor wie, en met welk doel, zou de Euroscepticus zich af kunnen vragen?"

Wat zou een Kaaskop er te zoeken hebben, als hij niet was uitgenodigd om ernaartoe te gaan? Naar Wroclaw, het voormalige Breslau, de hoofdstad van Neder-Silezië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd deze toen Duitse stad en provincie door de Russen veroverd en volgens de overlevering zou het hele gebied uiteindelijk aan Polen ten deel gevallen zijn omdat Stalin, bij de verdeling van Europa, gebogen over de landkaart, precies daar met zijn duim steunde toen de nieuwe grenzen werden getrokken.

Samen met drie Duitse en drie Poolse dichters, en nog een Nederlandse dichter, bevind ik mij in de oude binnenstad, die, na bijna totaal verwoest te zijn geweest, in de daarop volgende decennia steen voor steen weer in oorspronkelijk staat is opgebouwd.

Vullingen, 'plomb', noemen de Polen hier de statige gerenoveerde, in mierzoete kleuren geschilderde stadspaleizen en patriciërswoningen - ooit het onderkomen van koningen, hertogen, bisschoppen, en schatrijke handelaren in zout en barnsteen, nu onderdak biedend aan voornamelijk horecagelegenheden.

Een grijs betonnen bankgebouw van zeven verdiepingen op de hoek van de zoutmarkt en de grote markt, vormt de enige kroon op het plan uit 1921 van de beroemde architect Max Berg om alle historische panden aan het plein met de grond gelijk te maken en, overeenkomstig de dan heersende tijdgeest, te laten vervangen door dergelijke modernistische kantoorgebouwen.

Tajne Komplety, de boekhandel waar we samenkomen, is gelegen aan één van de pittoreske straatjes die een huizenblok midden op het plein doorsnijden en de ene zijde met de andere verbinden. Voor de deur staat een Skoda bus uit 1968 van het type Jelcz - een collectors item weet dichter en boekhandelaar Jacek Bierut te vertellen. Hj heeft de Skoda er speciaal voor ons neergezet. Mocht iemand jullie willen interviewen, dan kan dat daar, laat hij ons enthousiast weten. Maar later bekent hij ons dat hij zich misschien wat al te veel door heimwee heeft laten leiden, om de herinnering te kunnen koesteren aan een tijd dat hij als kind met precies zo'n autobus op schoolreisje ging. Van de geïmproviseerde persruimte zal door geen van ons gebruik worden gemaakt.

De persconferentie, het officiële startsein van onze op handen zijnde Literaire reis langs de Oder, stroming van gedachten en rivier van boeken, telt behalve de aanwezige Duitse organisatoren, een lokale bestuurder en een aantal vertalers, tolken en filologen, niet al te veel bezoekers. Wel zijn er hapjes en is er wijn in overvloed en blijken kosten noch moeite gespaard om het hele project de nodige allure te geven - wat bij mij de vraag doet rijzen of ik mij als Nederlands dichter en notoire subsidieslurper geen extra zorgen moet maken om bij thuiskomst voor über-uitvreter te worden uitgemaakt, als blijkt dat mijn aanwezigheid hier en mijn goed betaalde honorarium met Europees gemeenschapsgeld is gefinancierd.

Voor wat en voor wie, en met welk doel, zou de Euroscepticus zich af kunnen vragen? Om een clubje uitverkoren dichters in samenwerking met wat taalkundigen elkaars gedichten te laten vertalen en daarna een paar keer in the middle of nowhere van Polen voor te laten lezen, voor drie man en een halve paardenkop?

Het aanvankelijke plan om na een drie dagen durend vertaalatelier in Wroclaw en een eerste lezing in Tajne Komplety per boot stroomafwaarts over de Oder naar Slubice, en van daaruit naar Szczecin te varen, wordt jammergenoeg belemmerd doordat de waterstand veel te laag is. De rivier stroomt wel, maar is als levensader nauwelijks in staat om levende have en goederen naar de steden te transporteren, die er aan het water verlaten en verpieterd bij liggen.

In plaats daarvan reizen we per bus. Overal langs de weg staan borden met meer dan levensgrote portretten van politici, zoals van het centrumrechtse Burgerplatform, dat de verkiezingen zou winnen, en van de katholieke partij Recht en Rechtvaardigheid van Jaroslaw Kaczynsky, als ook van de revolutionaire Palikot-beweging, die onder leiding van de oprichter Janusz Palikot, transseksueel Anna Grodzka en homorechtenactivist Robert Biedron, de kiezer oproept om de conservatieve, vaak nationalistische politiek, de Kerk en de Polen te veranderen.

Maar het is gericht aan dovemansoren, verklaart Dariusz Sosnicki, een van de Poolse dichters, die naast mij in de bus zit. In Polen viert de kiezer zijn vrijheid door vooral niet te stemmen, om reden dat het kiesrecht in de communistische tijd helemaal geen recht was, maar een bevel inhield. Wie niet stemde werd thuis opgehaald om dat alsnog te doen. En nu laat ook de jeugd het afweten en daarmee wordt als vanzelf ruimbaan aan reactionaire en populistische tendensen gegeven.

Waarom precies weet ik niet, maar opeens lijken politiek en poëzie gespreksonderwerpen te zijn die elkaar niet bijten. Of is het gewoon toeval dat op verkiezingsdag de grootste nog levende Poolse dichter Tadeusz Rózewicz jarig is? Ik weet dat pogingen om de poëzie van een land te doorgronden, kunnen leiden tot een beter begrip van het volk wiens taal men niet spreekt, maar tegelijkertijd is geen kunst een zo koppige vaderlandse aangelegenheid als juist de poëzie, herinner ik mij een uitspraak van T.S. Eliot uit zijn bijna profetisch te noemen essay uit 1943, dat 'The Social Function of Poetry' heet.

De dichter waarschuwt daarin dat culturele autarkie nooit zal werken en dat de hoop van elk land om de eigen cultuur te bestendingen vooral in samenwerking schuilt. Maar, relativeert hij, als voor de eenheid van Europa de culturele afzondering en isolatie van een land een dreiging vormen, dan is unificatie die tot uniformiteit leidt dat ook. Verscheidenheid is belangrijk. Als een gesimplificeerd soort Engels de lingua franca tussen alle naties zou blijken, hoe onvolkomen is die samenleving dan? Hoe ontoereikend, als al die communicatie er alleen is om een gebrek aan communicatie te verhelen?

De poëzie herinnert ons voortdurend aan datgene wat alleen in de eigen taal kan worden gezegd, en aan wat zo goed als onvertaalbaar is. Want poëzie is taal waarin gedroomd en gevoeld wordt. Dichters houden die taal vitaal en geven haar veerkracht door haar blazoen op te poetsen als ze haar schoonheid verliest, en door haar nog glansrijker te maken als ze al floreert. Op die manier draagt de poëzie bij aan de rijkdom van de spraak en dus aan de gevoeligheid waarmee elk individu zich tot de ander en de samenleving als geheel verhoudt. En dat geldt ook, en niet de laatste plaats, voor mensen die helemaal geen gedichten lezen.

Daarom zou geen steenkolenengels of een ander soort koeterwaals de lingua franca van de Verenigde Staten van Europa moeten zijn, maar de poëzie, gefundeerd in het verlangen om dat wat zo goed als onvertaalbaar is om te zetten in poëzie van het land waarvan men de taal wel spreekt, en zo waarlijk de ander, de vreemdeling, de buitenstaander te begrijpen.

In Slubice houden we een lezing in wat een soort clubhuis annex cafetaria is. Aan het plafond hangen lichtbakken waarin foto's van etenswaren te zien zijn. Met een beetje goede wil zou men er moderne plafondschilderingen in kunnen ontdekken. Achterin zit een groepje mensen tijdens hun avondje uit te kaarten en bier te drinken. Ze praten honderduit door de voordrachten heen, maar voorin de zaal zit een veel grotere groep onverstoorbaar te luisteren. We bezoeken het huis van Von Kleist aan de andere kant van de rivier, waar het veel grotere Frankfurt am Oder tegen het vervallen Slubice ligt aangeplakt. Op een oude landkaart uit 1794 die in de tentoonstellingsruimte hangt, en waarop in grote letters Germania geschreven staat, wijzen Dariusz Sosnicki, Jacek Bierut en ik onze geboorteplaatsen aan: Kalisz, Lubin en Alkmaar: een wonderlijke driehoek van historische steden.

Een tiental kilometers buiten Slubice, verder stroomafwaarts bezichtigen we het bolwerk Küstrin, thans Kostrzyn geheten, een vestingstadje dat tijdens de Tweede Wereldoorlog van de kaart is gevaagd en van waaruit de Hohenzollerns in de zestiende eeuw de Pruisische hegemonie begonnen. Richtingaanwijzers op het terrein geven aan waar het slot stond, de kerk zich bevond, de synagoge, het raadhuis, de markt, de stallen van de kavalarie, de arbeiderswoningen. Hier en daar staat nog een muurtje dat niet door gebladerte totaal overwoekerd is en op de kaalgeslagen plekken van het verdwenen stadje zijn grasvelden aangelegd, waardoor het geringste briesje de kans krijgt om aan windkracht toe te nemen. Het waait, de woorden van de gids, die dan weer klinken in het Pools, dan weer in het Duits of Engels, worden nauwelijks verstaan, maar de poëzie van deze desolate plaats wordt door iedereen moeiteloos begrepen. Ik hoor bladeren ruisen en vraag me af hoe oud de bomen zijn.

Dan vervolgen we onze reis naar Szczecin, onze eindbestemming, waar we in het hertogelijke paleis van de voormalige heren van Pommeren in bijzijn van de Poolse radio onze laatste poëzielezingen zullen gaan houden. Er pal tegenover staat het smalle witte huis waar Alfred Döblin, auteur van 'Berlin Alexanderplatz' en 'Babylonische Wandrung', heeft gewoond. Onze bus rijdt als een kamer door de nacht, de meeste dichters zijn apart gaan zitten, de gesprekken zijn verstomd, er klinken geen telefoontjes, zelfs de muziek staat niet aan, en toch ervaar ik vanwege het doel dat we de afgelopen week deelden een prettig saamhorigheidsgevoel: ondanks de geborgenheid van onze mobiele woning, een aangename verbondenheid met de wereld.

Het doet me denken aan een moment eerder die reis, waarop we terugkwamen van een uitstapje in de bergen en ik me voorstelde dat we, aangevuld met dichters uit alle andere lidstaten van Europa, als Partizanen van het woord de poëzie onder alle Europeanen kwamen brengen. Het was een geruststellende gedachte, die, toen ik deze met de anderen deelde, een glimlach op de gezichten toverde. Dream on, darling. Zolang we dromen, is er hoop.

Rene Huigen is dichter, essayist en vertaler.

Tadeusz Rózewicz
ik ben geboren als neushoorn

met dikke huid en een hoorn op mijn neus

ik wilde een vlinder worden

maar men zei me

dat ik een neushoorn moest zijn

toen wilde ik veranderen in

een zangvogel een ooievaar

maar men zei me dat dat niet mogelijk was

ik vroeg waarom - het antwoord was

omdat je een neushoorn bent

ik wilde een aap zijn

zelfs een papegaai!

maar men zei... NEE

ik droomde van

een zachte roze huid

een klein neusje, als Cleopatra

maar men wees me erop dat

ik heel heel dikke huid heb

en dat je aan mijn hoorn kunt zien wat ik ben

je was een neushoorn en je zult een neushoorn blijven

tot je laatste snik

Vertaald uit het Engels door Joost Baars

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden