'Paranoïde? Je weet niets van historie!'

De Joodse Bloeme Evers-Emden is de moeder van rabbijn Evers. Als enige van haar familie overleefde ze de oorlog. Ze strijdt tegen het anti-semitisme dat ze weer ziet groeien.

'Denk erom'', zegt Bloeme Evers-Emden, "dat je 'jood¿ en ¿joods¿ altijd met een hoofdletter schrijft''. Ze zit aan de eettafel in haar huiskamer, een frêle gestalte met heldere, blauwe ogen. De 84-jarige jodin - vooruit dan: Jodin - heeft graag dat de zaken gaan zoals zij dat wil. Een interview, dat vond ze best, maar alleen als zíj de foto mocht uitkiezen. "Anders gaat het hele verhaal niet door."

Ze bewoont een rijtjeshuis met één verdieping, pal naast de Sloterplas in Amsterdam-West - alleen, sinds haar man negentien jaar geleden overleed. Op de boekenkast staan foto's van haar kinderen, kleinkinderen, en achterkleinkinderen. Daar heeft ze er achttien van, vertelt ze trots.

De familie Evers is een begrip in Joods Nederland. Bloeme's zoon, rabbi Raphael Evers, geldt als boegbeeld van de orthodoxe gemeenschap. Hoewel ze een innige band met hem heeft, is ze zelf liberaler. Ze groeide op in een socialistisch gezin en maakt zich sterk voor het feminisme.

Aan energie ontbreekt het haar niet. Als moeder van zes kinderen begon ze een studie psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze docente werd en op haar 63ste promoveerde in de ontwikkelinsgpsychologie.

Ze publiceerde vijf boeken over kinderen die, net als zij, onder moesten duiken in de oorlog. Nog altijd geeft ze avondcursussen over het Jodendom en schrijft ze wekelijks columns voor het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Regelmatig zoekt ze de publiciteit op, vooral als het gaat over antisemitisme in Nederland.

Want volgens haar neemt dat op verontrustende wijze toe. "Dat is geen vraag, dat is een feit. De aanzwellende anti-Joodse toon in Nederland herinnert me aan de jaren dertig van de vorige eeuw, ten tijde van de NSB-propaganda. Ik heb het vertrouwen dat het niet weer uit zal lopen op dood en verderf, maar het doet psychisch wel iets met me. "

Toen Bloeme veertien was, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Ze dook onder, trok van adres naar adres, maar werd uiteindelijk opgepakt en op transport gezet naar Auschwitz, waar ze zeven weken doorbracht. Tot aan de bevrijding werkte ze in een fabriek in Silezië. Als enige van haar familie overleefde ze de oorlog. Berooid, in vodden, kwam ze terug in Amsterdam.

Haar onderduikervaringen staan, samen met die van dertien anderen, opgetekend in het pas verschenen boek 'Ondergedoken als Anne Frank', geschreven door Marcel Prins en Henk Steenhuis. Het is een voor middelbare scholieren bewerkte versie van het eerder verschenen 'Andere achterhuizen'. Gisteren werd het eerste exemplaar aangeboden aan de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher, in de Hollandsche Schouwburg.

"Na de oorlog", vertelt Evers-Emden, "werd antisemitisme een taboe. Maar nu is het langzaamaan weer salonfähig geworden. Met name onder invloed van de 'nieuwe Nederlanders'. Die krijgen via hun satelliet-schotels dag na dag het antisemitische gif ingegoten. Veel moslims ontkennen de Holocaust. Het is onbegrijpelijk. Ik heb nog altijd een nummer van de nazi's in mijn arm."

Job Cohen vergeleek de situatie van moslims nu met die van de Joden van net voor de oorlog.

"Die man is gek. Zonder twijfel een zelfhater. Het idee alleen al. Gaan de moslims naar de gaskamers? Wordt hen de hoofddoek van het hoofd gerukt, worden ze bespuugd, zoals Joden vandaag de dag nog overkomt in Amsterdam-West?"

Cohen doelde misschien eerder op het algemene maatschappelijke klimaat.

"Dat is in niets vergelijkbaar met toen. Tijdens een onderhoud met Cohen een paar jaar geleden merkte ik dat hij het scanderen van antisemitische leuzen door voetbalsupporters afdeed als te verwaarlozen incidenten. Ik zei tegen hem: het is structureel. U gaat wel theedrinken als er bij de moslims wat gebeurt, maar grijpt niet in als uw eigen volk mikpunt is."

Over de nieuwe burgemeester, Eberhard van der Laan, is ze beter te spreken. "Die straalt absoluut meer daadkracht uit. Hij gaf mij zelfs zijn telefoonnummer. 'Mevrouw Evers¿, zei hij, ¿u moet me beloven dat als er wat gebeurt, u me meteen op mijn privénummer belt'."

Heeft u zelf wel eens antisemitisme meegemaakt de afgelopen tijd?

"Nee, maar ik ben ook niet herkenbaar als Jodin. Mijn zoon wel, die draagt zo'n rabbijnenhoed. Hij wordt vaak beschimpt, vaker dan hij me durft te vertellen. Ik zeg tegen hem: zet die hoed toch af."

Zou dat geen knieval zijn?

"Ja. Hij doet het dan ook niet." Met een twinkeling: "Hij lijkt op mij, met die koppigheid. Maar ik ben bang dat hem iets ernstigs overkomt. Moeten we wachten tot er doden vallen?"

Denkt u echt dat het zover zal komen? Is dit niet een beetje paranoïde?

"Paranoïde? Ik ben lid van een groep die turft hoe vaak op tv antisemitische uitspraken worden gedaan, en die ook de kranten er op doorvlooit. Echt, je schrikt er van."

Maar is dat niet juist een teken van paranoia - dat je turvend tv gaat kijken?

"Integendeel, het bevestigt ons in ons vermoeden. Laatst nog, ik heb het niet gezien want dan krijg ik een bloedspuwing van woede, was Van Agt te gast bij Pauw en Witteman. Die man mocht daar gewoon een half uur zijn gif spuien, zonder enig weerwoord te krijgen. Terwijl hij hartstikke antisemitisch is."

Waarom? Hij levert kritiek op de staat Israël. Is dat dan meteen antisemitisch?

"Het zijn daar toch allemaal Joden, in Israël? Onder het doorkijkbloesje van het anti-Israëlisme gaat antisemitisme schuil. In Nederland is de kritiek op Israël de laatste jaren enorm toegenomen. Net als het antisemitisme.''

Van Agt bekritiseert Israël omdat dit land volgens hem VN-verdragen schendt.

Met stemverheffing: "De Palestijnen schenden die verdragen net zo goed! Luister. Er kan pas vrede zijn als de Arabieren de terreur afzweren en de staat Israël erkennen. De Arabieren zijn begonnen met al die oorlogen."

Maar Israël heeft toch zelf, eigenhandig, de Westelijke Jordaanoever bezet?

"Je hebt geen verstand van de geschiedenis!"

Israël ging in 1947 akkoord met het VN-verdelingsplan. Daarin was de Westelijke Jordaanoever niet aan de Joden toebedeeld.

Fel: "Dat verdelingsplan is ongeldig, want de Arabieren hebben het verworpen. Een man en vrouw komen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand om een huwelijk te voltrekken. De bruid zegt 'ja', de bruidegom 'nee'. Wordt er dan getrouwd?

Kijk, de Britten hebben het hele land in de jaren twintig al tot aan de Jordaan aan de Joden beloofd. Maar tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van 1948 is de Westbank door Jordanië onder de voet gelopen. Niemand die het over bezetting had. Toen Israël het terugveroverde, heette dat opeens wél bezetting. Waanzin.''

Maar...

"Ik ga even thee halen, wil je ook?" Glimlachend: "Kijven we daarna gezellig verder."

Weer in de huiskamer, een theepot in de hand, vertelt ze over haar eerste bezoek aan Israël, in 1953. "De reis ging toen nog met de boot vanuit Marseille. In Israël zelf was alles nog ontzettend primitief. De douche, dat was een houten emmer met een touw eraan. Maar ik vond het allemaal geweldig. Er was zo'n enorme... vrijheid. Niet dat ik me in Nederland onvrij voelde, behalve dan in de oorlogsjaren. Maar daar, daar voelde ik een ander soort vrijheid. Raar hè."

Waar zat hem dat in?

"Ik herinner me dat ik in Tel Aviv op een terrasje zat, en mijn man aanstootte: kijk een Jood! En dat ik toen pas doorhad dat iederéén daar Joods was." Ze denkt na. "Ik was geen uitzondering meer. Ik was thuis. In Nederland blijf je toch altijd een ander, loop je met een onzichtbare Jodenster rond."

Na die reis wilde ze 'ontzettend graag¿ naar Israël emigreren, vertelt ze. "Maar mijn man wilde niet. ¿We hebben geen geld¿, zei hij. Hij was schadetaxateur, kon dat beroep naar zijn idee moeilijk uitoefenen in Israël. Toen kwamen de kinderen, het ene na het andere, ik ging studeren, promoveerde, kreeg een baan, je raakt verweven met een plek."

Twee van haar kinderen wonen in Israël. "Ze willen dat ik naar ze toekom. Een van hen is bereid een aanleunwoning voor me te bouwen, maar dat zou ik niet willen. Ik wil hem niet tot last zijn. Ik wil niet afhankelijk zijn. En ik zou ook niet productief zijn voor het land."

Uw man wilde niet naar Israël, zegt u. Was dat uit praktische overwegingen, of wilde hij ook echt niet?

"Daar ben ik nooit echt achtergekomen. Het was ambivalent van hem. Hij is nog voorzitter geweest van de zionistische beweging in Nederland, deed altijd veel voor Israël. Maar ik denk dat hij het leven hier gewoon te fijn vond. Fijner dan ik."

Vond u dat niet moeilijk, om bij uw man te blijven, als naar Israël gaan zo belangrijk voor u was?

"Maar ik hield zoveel van hem..." Ze valt stil. "Ik heb heel lang het gevoel gehad dat ik iets essentieels in mijn leven heb gemist."

Heeft u dat nog steeds?

"Het is een beetje vervlakt. Met het ouder worden vervlakt er veel." Ze lacht. "Maar ik ben nog steeds dezelfde hoor."

'Lieve Vesuvius', noemde uw - toen nog toekomstige - man u in zijn eerste brief aan u, zo vertelde u in een eerder interview.

"Hij had mij, het was een paar jaar na de oorlog, een jurk gestuurd. Die had ik per ommegaande teruggestuurd, ik vond het zo bevoogdend. Terwijl het helemaal niet zo raar was, ik had in die tijd niets."

Die trots, die heeft u nog steeds. En die weerhoudt u er van naar Israël te gaan. U wilt uw kinderen en de samenleving niet tot last zijn.

"Ik denk dat ik hier nuttiger kan zijn dan daar. Hier ben ik een rolmodel voor velen. Misschien is het een uitvlucht. Maar ik haal geweldig veel voldoening uit mijn werk hier. Ik maak lange dagen, korte nachten. Het is goed Joods werk. Ik ben nog lang niet klaar. Het is nooit klaar."

De telefoon gaat. Ze loopt naar haar bureau, waarvan het blad tot boven haar buik reikt, en neemt op. Het is een ouderwets apparaat. De hoorn is even groot als haar hoofd. Op het bureau liggen stapels boeken, paperassen. Bij terugkomst vraagt ze: "Duurt het nog lang?"

U bent nu 84. Er komt een moment dat u niet alles meer op eigen kracht kan doen.

"Niemand weet hoe het zal gaan." Opeens breekbaar: "Ik weet het, ik schuif het voor me uit... Een bejaardenhuis, ik denk er nog niet over na. Hopelijk zal het niet nodig zijn. Een kennis van me viel van de trap, kwam ongelukkig neer, en stierf ter plekke. Het klinkt wrang, maar zoiets, dat zou ik wel fijn vinden."

Ze staat op en komt terug met een kaart. Het is het enige tastbare dat ze nog van haar ouders heeft. Ze wierpen het uit de trein, op weg naar Sobibor. De kaart is gericht aan de familie Van Moppes, bij wie ze tijdens de oorlog herhaaldelijk onderdook. "De Van Moppes hebben me na de oorlog heel goed opgevangen. Daar ben ik ze nog altijd dankbaar voor."

Ze houdt de kaart voor haar ogen. De letters zijn vervaagd, haast onleesbaar geworden. "Ik huil. Ik heb verdriet. Een laatste vaarwel. Groet N. - dat was ik, Nanny, mijn onderduiknaam - groet haar en zeg dat we elkaar weer zullen zien."

Ze legt de kaart weer neer, kijkt weg. "Ze zijn in Sobibor meteen vergast."

Mist u ze?

"Niet meer. Ze zouden nu sowieso dood zijn. Ik geloof niet dat ze in de hemel zijn, maar stel dat ze me nu konden zien, dan denk ik dat ze trots op me zouden zijn. Blij met het nakomelingenschap. Ik heb een nieuw leven opgebouwd. En ik vraag me zelfs af: zou ik zonder de oorlog de persoon geworden zijn die ik nu ben? Zou ik hebben gestudeerd, zou ik zijn gepromoveerd?" Zachtjes: "Ik denk eigenlijk van niet."

Bloeme Evers-Emden
Bloeme Evers-Emden werd geboren in 1926, als dochter van een Amsterdamse diamantslijper. Het was een arm, socialistisch gezin. Ze kon nog net de hbs afronden voordat ze, in 1943, onderdook. Een jaar later werd ze toch opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Al haar familieleden kwamen in de oorlog om.

Na de oorlog ging ze werken als secretaresse. Ze trouwde in 1950 met Hans Evers. Uit het huwelijk kwamen zes kinderen voort, onder wie de bekende rabbijn Raphael Evers. In 1964 ging ze psychologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werd er docent en promoveerde in 1989 in de ontwikkelingspsychologie.

Bloeme Evers-Emden zet zich in voor vrouwenrechten in het Jodendom. Ze schreef vier boeken, over kinderen en ouders van onderduikgezinnen. Enkele columns die ze voor het Nieuw Israëlitisch Weekblad schreef, zijn in 2008 gebundeld in het boek Joods Bloemlezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden