Parallelle kerklevens: Ulrum en Kloosterburen

Twee buurdorpen: het ene katholiek, het andere protestants. Is er nog steeds rivaliteit? Trouw onderzoekt het. Vandaag deel 3: Ulrum en Kloosterburen. Niet alleen de dorpsgezichten van beide plaatsen in het noorden van Groningen houden zich verscholen voor elkaar, ook de inwoners doen dat. Maar ze lijken meer op elkaar dan ze zelf vermoeden.

Wie over de N361 langs Ulrum richting het oosten rijdt, ziet af en toe de hoge torenspits van de St. Willibrorduskerk van Kloosterburen tussen de groene boomkruinen verschijnen. Van de rest van het katholieke dorp, iets meer dan vijf kilometer voorbij Ulrum, is helemaal niets te zien. Dat gaat verscholen achter struikgewas, akkerland en een lichte glooiing in het Groningse landschap.

Wie, omgekeerd, aan de zuidkant van Kloosterburen (800 inwoners) een stukje Ulrum (1600 inwoners) probeert waar te nemen, doet vergeefse moeite. Niet omdat er verderop geen kerktorens zijn, want die heeft Ulrum volop. De vier protestantse torenspitsen (drie gereformeerde, één hervormde) zijn er alleen aanmerkelijk lager dan die fiere katholieke in Kloosterburen.

Niet alleen de dorpsgezichten van beide plaatsen in het noorden van Groningen houden zich verscholen voor elkaar. Ook de inwoners doen dat. Er is geen doorgaande weg tussen het katholieke en gereformeerde dorp. Wil je van Kloosterburen naar Ulrum of omgekeerd, dan moet dat via zigzaggende landweggetjes.

„Ulrum? Daar heb je niets te zoeken.” Die woorden kreeg Koos Halsema (69) vroeger van zijn ouders te horen als hij op de fiets wilde springen om naar een feestje in Ulrum te gaan. Halsema is geboren en getogen in Kloosterburen. Uiteraard is hij katholiek, net als dorpsgenoot Jan Bos (74). „Wie Kloosterburen zegt, zegt katholiek”, zegt Bos, die penningmeester is van de parochie.

Beide mannen kennen elkaar uit het dorp en van de kerk. Ze vertellen dat het ’vooral vroeger’ ondenkbaar was dat er tussen beide plaatsen heen en weer gependeld werd. Laat staan dat een Ulrummer een meisje uit Kloosterburen aan de haak sloeg. Je bleef waar je was geboren.

Bewoners hoefden het dorp overigens ook niet uit als het niet nodig was, blijkt als Halsema de hoofdstraat laat zien. Een bakker, een slager en een kruidenier – het was er allemaal. Nu is dat anders. De laatste middenstander sloot zijn nering een paar jaar geleden.

Hebben Bos en Halsema het over ’vroeger’, dan bedoelen ze de tijd dat de maatschappij nog door en door verzuild was. „Als kind speelde je niet met protestanten,” zegt Bos. Kwam je in Kruisweg, een ander protestants buurdorp, dan werd je nagejouwd, voegt Halsema toe. „Ik zal maar niet herhalen wat ze riepen.” Bos: „Katholiek trouwde met katholiek.”

Het verhaal van de twee staat niet op zichzelf. Kloosterburen en Ulrum zijn twee totaal gescheiden werelden, zeggen ook andere dorpelingen uit beide plaatsen als je ze ernaar vraagt. Nog steeds. Er is geen vriendschap, maar ook geen animositeit.

Vraag je door, dan weten de bewoners van Kloosterburen toch een ding te melden waaraan je kunt merken dat Ulrum gereformeerd is: je kunt er op zondag namelijk wel een kanon afschieten, vertellen ze, zonder ook maar iemand te raken. En inderdaad, leert navraag in Ulrum, er worden op zondag nog steeds geen heggen van voortuinen geknipt, tuintjes geschoffeld of auto’s gewassen. Op de dag des Heren staat Ulrum op stand-by.

Vooral bij oudere gereformeerden is ’Ulrum’ nog steeds synoniem voor orthodoxe rechtzinnigheid. In 1834 vond hier onder dominee Hendrik de Cock namelijk de Afscheiding plaats (zie kader). Het dorp staat hierdoor bekend als de bakermat van de gereformeerde kerken.

Nog steeds is het overgrote deel van het bijna zestienhonderd zielen tellende plaatsje lid van een gereformeerd kerkgenootschap. Daarvan zijn er maar liefst drie te vinden in de straten van de dorp. Naast een 'gewone', synodaal gereformeerde kerk (het grootste genootschap met een kleine 600 leden) is er ook een vrijgemaakt gereformeerde kerk (ruim 300 leden) en een christelijk gereformeerde kerk (ruim 100 leden). Ook is er een kleine en sterk vergrijsde hervormde gemeenschap (120 leden), die samen met de gereformeerde kerk tot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) behoort.

De ene mag in de volksmond iets strenger worden genoemd dan de andere, maar alle kerkelijke stromingen in Ulrum zijn behoudend te noemen, weet Peter van den Burg (60). Hij is actief lid van de gereformeerde kerk in het dorp. „Kuitert komt er bij ons niet in”, zegt hij bijvoorbeeld als hij de kleur van zijn eigen kerk duidelijk wil maken. Harry Kuitert is een gereformeerd theoloog die stelt dat religie niet meer is dan een menselijke constructie. En: „Het homohuwelijk, nog zo’n hot item, kan hier ook niet.” Van den Burg: „Wat in Ulrum nog naar de kerk gaat, is rechtzinnig.”

Zo gereformeerd als Ulrum is, zo katholiek is Kloosterburen: het café heet er Willibrord, de muziekvereniging St. Caecilia en het hotel ’Het Klooster’. Dat heet zo omdat het zich bevindt in het voormalige St. Theresiaklooster, een vrouwenklooster waar de nonnen onder meer een bewaarschool runden. Bovendien kent de plaats een carnavalsvereniging, één van de twee die de provincie Groningen rijk is. Ongeveer de helft van de inwoners van het agrarische dorp staat nog ingeschreven als lid van de parochie.

Kloosterburen is, net als nog een paar andere plaatsen in de omgeving, een katholieke enclave in het protestantse Groningen. Tot en met de Reformatie stonden er verschillende kloosters in en om het dorp. Dankzij welgestelde katholieke boeren kon het katholicisme ook na de kerkhervorming in de geïsoleerde streek overleven, leert navraag bij historicus Egbert van der Werff. Hij schreef het boek ’Katholieken in de Marne’, een studie over katholieken in de streek. „Die boeren waren rijk genoeg om zelf te doen wat ze wilden.”

Van den Burg uit Ulrum is eveneens afgestudeerd als historicus. Hij is geïntrigeerd door de geschiedenis van het dorp en de streek waar hij in 1978 als leraar geschiedenis kwam te wonen. Hoewel je dat op het eerste gezicht zou verwachten, vertelt hij, is het juist níet vanwege het geloof dat de verhoudingen tussen Ulrum en Kloosterburen koeltjes zijn.

De geografische gesteldheid van de bodem in Noordwest-Groningen is de boosdoener. Van den Burg: „Het landschap is hier gevormd door kwelderwallen van zeeklei die van oost naar west lopen. Kloosterburen en Ulrum liggen op twee verschillende ruggen die boven elkaar lopen. Tot in de negentiende eeuw kon je alleen in de zomer goed tussen de dorpen reizen, in de winter waren de wegen meestal onbegaanbaar door water.”

Voor wie er oog voor heeft, is die zeekleistructuur ook vandaag de dag nog in het landschap te herkennen. Zo lopen de hoofdwegen er van oost naar west. Daarmee is ook het raadsel opgelost waarom er tussen Ulrum en Kloosterburen geen directe verbindingsweg is, de dorpen liggen immers schuin boven elkaar.

In Kloosterburen laten Bos en Halsema de trots van het dorp zien: het interieur van de St. Willibrorduskerk. Het kerkgebouw is in de tweede helft van de negentiende eeuw gebouwd door architect Pierre Cuypers, de befaamde katholieke bouwmeester die ook bekend is van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam. Dat er zo’n beroemde architect werd ingeschakeld is een teken dat Kloosterburen ook een belangrijke symboolfunctie had voor de katholieken in diaspora in het protestantse Groningen.

Tot en met de jaren zestig werd het dorpsleven beheerst door deze katholieke kerk. In elk verenigingsbestuur had de pastoor een vinger in de pap, of het nu de voetbalvereniging was of de katholieke boeren- en tuindersbond. De fraaie neogotische kerk zat tot en met die tijd zondag aan zondag goed vol. Bos gebaart over de kerkbanken om aan te geven dat de banken van voor tot achter gevuld waren. Maar die tijd is voorbij.

Ontkerkelijking heeft zijn beslag gekregen in de katholieke enclave. Het begon met de jongeren die wegbleven. Inmiddels loopt op een gemiddelde zondag alleen nog een honderdtal bejaarden door de kerkbanken. Halsema: „Zo onderhand ben ik zo’n beetje de jongste aan het worden.” Bos: „Alleen met de Kerstnachtmis zit de kerk nog vol.”

Vanaf de jaren zeventig is de invloed van de katholieke kerk net als elders in Nederland vliegensvlug achteruitgegaan. Opmerkelijk is het dat de carnavalsvereniging pas in 1970 is opgericht, toen de onttakeling van de katholieke kerk al volop in gang was gezet.

Volgens historicus Van der Werff is dit een voorbeeld van wat historici een ’uitgevonden traditie’ noemen. „De carnavalsvereniging zorgde zo toch voor een katholieke dorpsidentiteit in een tijd dat oude katholieke structuren aan gezag verloren.” Een kenmerk van dit fenomeen is dat de inhoud ondergeschikt is geworden aan de vorm. Bos kan daarover meepraten. „Wie doet er nog aan de vastenperiode na carnaval?”, zegt hij. „Zelfs de voorzitter van de vereniging is inmiddels niet meer katholiek.”

Kloosterburen en Ulrum lijken meer op elkaar dan de inwoners waarschijnlijk zelf vermoeden. Niet alleen zijn het beide krimpende dorpen, waar de middenstand langzaam maar zeker verdwijnt, ook het gereformeerde buurdorp kampt, zij het iets trager, met een gestaag dalend kerkbezoek. „Toen ik zo’n vijftien jaar geleden scriba was van de gereformeerde kerk bevolkten de jongeren zondags de galerijen van de kerk”, zegt Peter van den Burg. „Op een gegeven stelden we voor om er zelf maar tussen te gaan zitten om de orde te handhaven. Inmiddels heeft het probleem zich vanzelf opgelost: de oudere jeugd komt nauwelijks meer. Ook niet in een traditionele kerk hier in Ulrum.”

Twee jaar geleden heeft de gereformeerde kerk besloten de middagdienst te schrappen. Op het houten bord met de kerktijden voor de kerk is die viering sindsdien met grijs tape afgeplakt. „Heel tekenend,” is het commentaar van Van den Burg. „Persoonlijk vind ik de teruggang jammer. We hebben hier vier kerken. Is dat een teken van bloeiend kerkelijk leven? Hier niet meer. Maar het kan lang duren voordat het afgelopen is met de kerk. Denk aan de doopsgezinden, die zijn al een paar honderd jaar heel klein. Toch zijn ze er nog.”

Wat vinden Jan Bos en Koos Halsema ervan dat hun kerk in Kloosterburen langzaam uit zicht raakt? Halsema: „Het is een verarming. De kerk is immers ook een ontmoetingscentrum. Vroeger kende je alle gezichten bij naam in het dorp, jong en oud. Nu niet meer.” Bos: „Of ik het jammer vind? Je doet er toch niets aan. Het is niet tegen te houden.”

Inwoners van Ulrum en Kloosterburen leven in gescheiden biotopen. Toch zijn er uitzonderingen. Rudy Halsema (49) uit Kloosterburen en Corrie Halsema-Pruim (41) uit Ulrum kregen in 1984 verkering met elkaar. Ze duikelden elkaar op in het regionale uitgaanscircuit. Hij katholiek (’Halsema is in deze buurt een echte katholieke naam’), zij lid van de gereformeerde kerk – een combinatie die in Ulrum toentertijd nog voor gefronste wenkbrauwen zorgde, vertelt het stel dat nu in Ulrum woont.

Wat vonden de gereformeerden in Ulrum van de verkering?

Pruim: „Verkering met een katholieke, dat hoorde eigenlijk niet. Mijn ouders waarschuwenden me. ’Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen’, zeiden ze.”

Halsema: „Daar heb ik overigens nooit wat van gemerkt. Ik ben gewoon opgenomen in de familie.”

Pruim: „Familiebanden vonden ze uiteindelijk toch belangrijker dan het geloof. Tien jaar eerder zou er misschien wel een stokje voor gestoken zijn, maar in de jaren tachtig werd er al wat soepeler omgegaan met de kerkregels. Overigens ben ik wel door de ouderling op de vingers getikt. Ze waarschuwde net als mijn ouders dat katholieken en gereformeerden geen verkering konden hebben.”

En hoe waren de reacties in Kloosterburen?

Halsema: „Ik kwam niet meer zo trouw in de kerk”

Pruim, tegen haar man. „Je zette de auto op de parkeerplaats bij de kerk en ging dan naar het café. Hoewel ik gereformeerd ben gebleven, vond ik het zo leuk dat de pastoor altijd groette en in was voor een praatje als je door het dorp liep.”

Wat is het verschil tussen Kloosterburen en Ulrum?

Pruim: „Mijn man vond het in Ulrum veel stijver.”

Halsema: „In ons dorp zei je altijd tegen iedereen goedendag, katholiek of niet. In Ulrum word je door de week door iedereen gegroet, maar kijken ze op zondag de andere kant op. Het wordt gelukkig minder, maar het gebeurt nog steeds.”

Pruim: „Je kruist elkaars pad als je naar je eigen kerk loopt. Sommigen draaien hun hoofd om.”

Halsema: „Het lijkt wel hoe strenger, hoe minder men groet.”

Pruim: „De scherpe kantjes zijn er inmiddels wel af. ”

Halsema: „Maar de oudere generatie probeert ze wel scherp te houden.”

Ulrum is vooral bekend door de Groningse dorpsdominee Hendrik de Cock. Hij maakte in 1834 geschiedenis toen hij de eerste grote kerkscheuring in het Nederlandse protestantisme veroorzaakte. Hij vertrok met veel tumult uit de hervormde kerk. Daarmee werd de scheurmaker van Ulrum de geestelijk vader van de zelfstandige gereformeerde kerken. De Cock had grote bezwaren tegen de theologie die in zijn tijd van de kansels klonk in de Nederlandse Hervormde Kerk. Predikanten zagen het als hun belangrijkste taak de kerkgangers op te voeden tot deugdzame mensen. Die leer was volgens De Cock, die nogal zwaar op de hand was, te optimistisch en in strijd met de uitgangspunten van de Reformatie. Centraal moest staan dat de mens geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goeds.

Nog steeds raakt de kwestie een gevoelige snaar, laat de pr-medewerker van de ’Stichting Ulrum 1834’ weten. Die is vorig jaar opgericht om, zoals hij het zegt, ’Ulrum weer op de kaart te zetten’. In september is er een braderie met historische ambachten en 19de-eeuwse klederdrachten. „We rakelen de godsdienstige kwestie bewust niet op. Voor je het weet krijg je weer getouwtrek over de interpretatie van de gebeurtenis.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden