Paradijselijk leven in een bootje in de sloot

Museumbezoekers blijven negen seconden voor een schilderij staan. Veel te kort om er recht aan te doen. Maar als je langer wilt kijken, hoe moet je dat doen? In samenspraak met Peter Henk Steenhuis onderricht filosofe Mieke Boon over de filosofie van het kijken. Vandaag: een sloot met een bootje van Johannes H. Weissenbruch. Het paradijs?

In het paradijs klimmen kinderen moeiteloos op de rug van een vis. Ze praten met elkaar zonder taal. En nooit komen ze te laat, want de tijd is nog niet uitgevonden. Natuurlijk lijdt geen enkel dier pijn, en in geen velden of wegen zijn gemene mensen of verboden vruchten te ontdekken. Maar dan, later, als de kinderen de vis vaarwel hebben gezegd en opgroeien, leren ze onderscheid maken, het verschil kennen tussen goed en kwaad, ze beginnen te oordelen. Tegen die tijd verdwijnen harmonie en eenheid – ja, en dan blijken ze op een dag uit het paradijs verdreven.

Eenmaal volwassen is het paradijs voorgoed verloren, dat weten we allemaal, maar zijn daarmee ook de paradijselijke ervaringen verdwenen? En als een schilder een paradijselijke situatie verbeeldt, wat maakt hij dan?

Ik leg filosofe Mieke Boon een aquarel van Johannes H. Weissenbruch (1824-1903) voor: een bootje, een sloot, een molen, een weiland – zo ziet het paradijs er voor mij uit.

Aanvankelijk is Mieke Boon niet onder de indruk. „Bij deze aquarel bekruipt me het gevoel dat veel hobbyisten vergelijkbaar werk maken. Waterverfschilderijen hebben als voordeel dat je veel aan het papier zelf kunt overlaten; olieverf vereist meer vakmanschap. Maar juist omdat nogal wat amateurschilders iets dergelijks maken, is het misschien inderdaad wel een Nederlands beeld voor een romantische, paradijselijke situatie.”

Om meer vat te krijgen op die paradijselijke situatie bekijken we de aquarel nauwkeuriger. Boon: „Als ik begin te kijken, probeer ik allereerst te achterhalen welk jaargetijde de schilder verbeeldt, vervolgens wat voor weer het is en welk tijdstip van de dag hij heeft proberen weer te geven. Heb jij een idee?”

Het lijkt me guur weer, herfst?

„De lucht is dreigend, het zou kunnen gaan onweren. Je zou die wolken bijna als een apart, abstract onderdeel van het schilderij kunnen opvatten.

Nu ik er langer naar kijk, valt me op hoe knap de rechteronderhoek geschilderd is. Bij een aquarel is het moeilijk de spiegeling van het water goed weer te geven. Weissenbruch slaagt daar in: aan het water, rechtsonder, zie je dat het al bijna begint te regenen.

Het weer speelt ook een rol bij de compositie van het schilderij. Een van de diagonalen trekt van linksboven, onderlangs de wolk, verder langs de wieken van de molen. Een andere diagonaal begint rechtsonder, waar het al bijna regent, en loopt via de rietkraag omhoog. Iets voorbij het mannetje lijkt de sloot naar rechts af te buigen, naar de molen. Misschien komt hij daar net vandaan. Wat denk je, zou die man romantisch van de natuur aan het genieten zijn?”

Ik zou willen dat hij dit deed.

„Als jij dat mannetje was, zou je dat doen.”

Ja. Dat maakt het schilderij voor mij aantrekkelijk. Levend in de grote stad voel ik de behoefte geregeld de natuur in te trekken.

„Dit schilderij stilt jouw behoefte aan stilte, weidsheid, rust, alleenheid?”

Dat ken jij niet?

„Sommige mensen zeggen: ik houd erg van de natuur, maar dan wel met een goed glas wijn en een sigaar erbij. Daar kan ik inkomen. Ik heb helemaal geen zin om zo nat te worden, zoals die man nu dreigt te worden.

Ik heb me vaak afgevraagd wat het verschil is tussen het beleven van de natuur, en het kijken naar een schilderij van de natuur. Nu ik dit werk bekijk, wordt het verlangen naar de natuur wel in mij wakker geroepen, maar al kijkend hoef ik veel minder te doen dan wanneer ik daadwerkelijk in die natuur ben.”

In zo’n bootje moet je roeien, anders waai je een rietkraag in.

„Ja. Kijken naar zo’n paradijselijke scène geeft mij rust. Dat heeft er vooral mee te maken dat ik niets hoef te doen en fysiek niets hoef te voelen. Ik hoef niet te roeien en ik voel geen natte sokken of koude handen. Kijkend naar deze aquarel ben ik geestelijk misschien zelfs meer in dat weidelandschap aanwezig dan wanneer ik er lijfelijk ook echt zou zijn.”

Dat ben ik niet met je eens. In mijn dagelijkse kantoorleven speelt het lichaam slechts een belastende rol: het hoofd doet het werk en het lijf dient niet tegen te sputteren. Ik verlang er naar drijfnat te regenen, de blaren in mijn handpalmen te voelen. Mijn lijf hunkert ernaar zich nuttig te maken. En als het zich nuttig kan maken, schenkt dat de geest rust.

„Jij verlangt naar deze situatie, die je paradijselijk noemt, terwijl die het misschien helemaal niet is.”

Bij Weissenbruch ligt de nostalgie op de loer.

„Precies. Want de kans is groot dat die man het helemaal niet heerlijk vindt om drijfnat te worden. Misschien is hij gewoon hard aan het werk, komt hij net van de molen, waar hij de zeilen op de wieken gespannen heeft, en is hij nu op weg naar een andere molen, die deel uitmaakt van de molengang.”

Dat besef ik. Diep in mij huist kennelijk het verlangen nog eens met mijn handen te gaan werken, terug naar een simpel leven. Dat simpele leven zie ik bij Weissenbruch.

„Kun jij omschrijven waaruit het simpele leven, wat jij nu als paradijselijk omschrijft, dan bestaat?”

Misschien eerder uit de afwezigheid dan uit de aanwezigheid van allerlei zaken.

„Zoals?”

Haast. De man moet vast hard werken, hij heeft het geheid bitterkoud, maar hij heeft geen haast.

„Als één dijk doorbreekt, en deze man is als dijkgraaf verantwoordelijk voor de ondergelopen polders, verandert de hele situatie. Dan heeft hij onmiddellijk haast en blijft van jouw wens tot het simpele leven weinig over.”

Terug dus naar de ervaring die het kijken naar dit schilderij oproept.

„Ja. Want waarom is tijdloosheid prettig? En wat is er paradijselijk aan de afwezigheid van techniek, taal, macht? Achter al deze ervaringen ligt onze behoefte aan rust.

Veel onrust die wij ervaren, wordt veroorzaakt door onze voortdurende neiging onderscheid te willen aanbrengen, oordelen te vellen. Zelfs als ik door de weilanden zou wandelen, werkt deze neiging belemmerend. ’Dit moet ik vaker doen’, is een gedachte die snel bij je opkomt als je op de fiets de polders intrekt of naar het strand gaat voor een lange wandeling. ’Eigenlijk zou ik zo’n natuurgebied dichter bij huis moeten hebben’, ’Ik wil ook zo’n bootje’, ’Maar wel jammer dat het hier zo druk is’. Al die oordelen verstoren je rust.”

Dat soort gedachtes dringen zich al kijkend minder op?

„Als ik naar zo’n schilderij kijk, denk ik niet: zo’n bootje wil ik ook. Daarvoor is de situatie te weinig concreet. Je kunt hooguit denken: zo’n schilderij wil ik aan de muur.”

Je zegt: achter al deze ervaringen ligt onze behoefte aan rust.

„Ja. Je zou kunnen zeggen: een paradijselijke situatie wordt gekenmerkt door rust.”

Ik dacht door de afwezigheid van goed en kwaad.

„Dat is vergelijkbaar. Als Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad hebben gegeten, het onderscheid tussen goed en kwaad hebben leren kennen en het paradijs zijn uitgedreven, moeten ze werken in het zweet des aanschijns, moeten ze zich voortplanten, ontkomen ze niet meer aan het lijden.

Je kunt daar ook in lezen dat ze plotseling met allerlei weerstanden moeten leren omgaan. Die weerstanden herken je alleen als je op je hoede bent. Dat zijn wij dus ook, de hele dag door. Wanneer je dat even niet hoeft te zijn, schenkt dat rust. Die rust geeft een paradijselijke ervaring.”

Kan dit schilderij die ervaring ook oproepen wanneer de kijker helemaal niet in dat polderlandschap zou willen zijn?

„Je kunt er op twee manieren willen zijn, op een fysieke manier zoals jij beschrijft, waarbij je deelnemer bent, en op een manier waarbij je alleen maar toeschouwer bent zonder deel te nemen, wat mij vaak meer aantrekt.”

Wat is het verschil?

„De toeschouwersrol lijkt op de toerist die naar vreemde streken gaat. Het is zijn wens om er als een paar ogen rond te zweven. Wel om te zien, niet om gezien te worden. Niet betrokken raken in de behoeften van mensen daar, in hun ruzies en liefdes, hun zorgen, hun sociale regels en gewoonten. Alleen oog hebben voor het mooie, kleurrijke, bijzondere van dat vreemde. Je ziet dat verschil tussen een reis maken naar Anatolië in Turkije, en omgaan met uit Anatolië afkomstige Turken in je eigen wijk. In Turkije kun je als toeschouwer geweldig genieten van het vreemde, in Nederland erger je je vaak aan de afwijkende gebruiken van diezelfde Turken.

Bij de deelnemersrol komt meer kijken dan bij de toeschouwersrol; aan de deelnemer worden meer, en ook vaak tegenstrijdige eisen gesteld. Harmonie is er meestal maar mondjesmaat te vinden.

En toch is er ook dat verlangen om niet in de weg gezeten te worden door alles wat je moet, door je gevoelens, en door ongemakken van het lichaam. In de literatuur en de kunst komt dat verlangen tot uitdrukking als het verlangen naar het paradijs. Het verlangen naar een lichaamloos bestaan. Ons lichaam is ons vaak een broeder ezel, het zit in de weg met zijn viezigheid, beperkingen en zijn behoeftes.

In het paradijs waren Adam en Eva toeschouwers. Zij hadden geen last van hun lichamelijkheid, van andere wezens, van hun geweten. Later, en dat noemen we de zondeval, werden ze ook deelnemers, met alle moeite en verdriet die daarmee samengaat.

Deze aquarel van Weissenbruch brengt ons terug in die onbedorven staat. Voor even en zonder het verlangen echt te stillen. We zijn als een paar ogen, die rondzwerven in een onbedorven landschap. Voor Adam en Eva was dat het paradijs, voor ons zouden dat de weilanden in het Noorden kunnen zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden