Papyri belichten begintijd islam

De nieuwe hoogleraar Arabisch aan de Leidse Universiteit, Petra Sijpesteijn, wil via het onderzoek van papyri een beter beeld krijgen over de begintijd van de islam, zei zij in haar inaugurele rede.

De in de afgelopen jaren onder Westerse islamologen fel opgelaaide discussie over de begintijd van de islam noemde ze niet in haar inaugurele rede. Maar het kan moeilijk anders of de nieuwe Leidse hoogleraar Arabisch Petra Sijpesteijn zal met haar onderzoek naar Arabische papyri een belangrijke rol spelen in dat debat.

Want net als de revisionisten zal ook zij eigentijdse primaire bronnen bestuderen en minder de latere kroniekschrijvers. Maandag aanvaardde zij haar leerstoel Arabische taal en cultuur aan de Universiteit van Leiden. Ze beschreef het probleem waarvoor islamologen, die zich bezighouden met de begintijd van de islam, staan. Arabische kronieken verschenen pas in de negende eeuw, minstens twee eeuwen nadat de erin beschreven gebeurtenissen plaatshadden. Het is een van de raadsels van de eerste twee eeuwen van het Arabische rijk: de Arabische heersers hebben geen eigen kronieken nagelaten, terwijl het toch een ijzeren natuurwet is dat overwinnaars de geschiedenis schrijven en niet de verliezers.

Het valt niet mee om twee eeuwen na dato, zonder schriftelijke bronnen, een objectieve geschiedenis te schrijven. Sijpesteijn: „Tegen de tijd dat de historici en kroniekschrijvers het verhaal oppikken, is de verf, om zo te zeggen, al bijna droog. De steigers zijn neergehaald en het bouwwerk is voltooid. En deze volledige gevormdheid werd teruggeprojecteerd op het allereerste begin van de islam, elke bobbel of oneffenheid wegvagend, die het proces van vorming en ontwikkeling kenmerkt.”

Sijpesteijns specialisme zijn Arabische papyri tussen de zevende en de tiende eeuw, de beginperiode van de islam. Vierduizend jaar lang schreven mensen op papyrus. In de tiende eeuw moest het wijken voor papier. Papyrus blijft alleen in een kurkdroog klimaat bewaard, anders verrot het. Vandaar dat de meeste papyri zijn gevonden in Egypte.

Vanwege de geringe houdbaarheid van papyrus, benutten schrijvers van officiële documenten liever duurzamer materiaal, zoals perkament. Papyrus was voor alledaags gebruik: ontvangstbewijzen, een proclamatie of een brief van een jaloerse vrouw aan haar echtgenoot.

Papyri schilderen het alledaagse leven. Ze kunnen inzicht geven in de door de kroniekschrijvers weggevaagde ’bobbels en oneffenheden’. Sijpesteijn geeft een voorbeeld uit de shariawet: de religieuze zakaatbelasting. Begin achtste eeuw stelt een proclamatie die verplicht, niet alleen voor de onderworpen volkeren maar ook voor de Arabieren zelf. Latere boeken over islamitisch recht benadrukken het vrijwillige karakter van de zakaatbelasting: het is een compromis tussen ’het geweten en de eigen portemonnee’.

Ook voor de geschiedenis van de Arabische taal zijn de papyri interessant. Ze laten zien hoe snel het Arabisch terrein wint. Ook christelijke Egyptenaren (tot de veertiende eeuw de overgrote meerderheid) beginnen in de achtste eeuw met elkaar in het Arabisch te corresponderen en te praten, en niet langer in het Koptisch. Anderen ergeren zich daar mateloos aan.

Volgens Sijpesteijn is het onderzoek naar de begintijd van de islam gestagneerd, doordat geleerden zich op de latere, verhalende bronnen concentreerden en niet op de eigentijdse bronnen, zoals de papyri. Daarmee sluit ze methodisch aan bij de revisionistische richting binnen de islamologie, die via eigentijdse bronnen, zoals muntopschriften en inscripties, een nieuw scenario probeert te reconstrueren van de begintijd van de islam.

Sijpesteijns papyri passen prima in dat geheel. De revisionisten noemde ze niet, laat staan dat ze hun soms vergaande theorieën overnam, zoals twijfel aan de historiciteit van de profeet Mohammed en de stelling dat er eerst een godsdienstig neutraal Arabisch rijk was, waarin zich pas later, in de achtste eeuw, een eigen godsdienst ontwikkelde, de islam. Hoe fel het debat tussen voor- en tegenstanders van het revisionisme soms is, bleek bij het afscheid van de Leidse islamoloog P.S. van Koningsveld. Hij noemde zijn revisionistische, vaak Duitse collega’s ’fanatieke dilettanten, die niet luisteren, de weg kwijt zijn en aan hun lot moeten worden overgelaten.’

Sijpesteijn koos in haar rede geen partij. De papyri beschrijft ze als vensters, die een blik gunnen op de alledaagse gang van zaken in de zevende en achtste eeuw. Ze ademen vaak al een voor moslims vertrouwde sfeer, waarbij het de vraag is in hoeverre dat een cultureel Arabisch/Midden-Oosterse of een godsdienstig islamitische sfeer is. De komende jaren probeert Sijpesteijn daarop beter zicht te krijgen, door, gesteund door een Europese subsidie, zoveel mogelijk papyri in kaart te brengen.

Dit 9de-eeuwse fragment behoort tot de oudste Arabische koranhandschriften.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden