Papier en ganzeveer kreeg alleen wie lezen kon SCHOLING IN GOUDEN EEUW

De geschoolde stad in het Universiteitsmuseum, Oudezijds Voorburgwal Van 11 juni t/m 29 oktober, maandag t/m vrijdag 9-17 uur. De geschoolde stad. Onderwijs in de Gouden eeuw in Amsterdam door Marieke van Doorninck en Erika Kuijpers, Amsterdamse historische reeks; f 24,50.

NELY VAN DAM

Van prijzen waren de scholen evenmin vies. De meesters van de bijscholen organiseerden elk half jaar een soort examen, waarbij de beste leerlingen prijzen konden bemachtigen. Vooral de houders van de wat duurdere bijscholen besteedden daar veel aandacht aan. In hun wervingsadvertenties verwezen zij uitgebreid naar al het fraais dat zij uitloofden voor de winnaars.

Deze wetenswaardigheden zijn te vinden in het boekje 'De geschoolde stad' van Marieke van Doornik en Erika Kuijpers. Het verschijnt donderdag bij de opening van de gelijknamige tentoonstelling over het Amsterdamse onderwijs in de Gouden eeuw.

Drie eeuwen geleden kende Amsterdam een groot scala aan opleidingsmogelijkheden voor kinderen en volwassenen. Rijke kooplieden wilden hun kinderen scholen opdat die de zaken konden voortzetten. In de Gouden eeuw werden overal schooltjes gesticht waar boekhouden, Frans en vakken als navigatie geleerd werden.

Ondertrouw

Maar niet alleen rijken volgden lessen. De hervormde kerk vond het belangrijk dat haar leden de Bijbel konden lezen, zodat er ook vraag was naar elementair onderwijs. Uit reisverhalen van buitenlanders die in de zeventiende eeuw de hoofdstad bezochten blijkt dat zij onder de indruk waren van de geletterdheid van de bevolking. Onderzoek over analfabetisme, gedaan aan de hand van ondertrouwregisters leert dat in 1630 57 procent van de mannen in Amsterdam de eigen naam kon schrijven en 32 procent van de vrouwen. In 1670 waren deze percentages gestegen tot respectievelijk 70 en 44.

En wie kon schrijven, kon ook lezen in de Gouden eeuw. De bijscholen voor de gewone mensen lieten hun leerlingen namelijk pas met ganzeveer op papier werken als zij het lezen onder de knie hadden. Dan stond vast dat zij niet dom waren. Een redelijke garantie dat zij geen onnodige papierverspilling zouden vergen.

De tentoonstelling De geschoolde stad wordt gehouden in het Universiteitsmuseum, gevestigd in de Agnietenkapel, waar in 1632 het Atheneum Illustre werd gevestigd, een voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Deze opleiding was vergelijkbaar met de huidige beginjaren van de universiteit. De studenten waren alleen wat jonger. Zij kwamen met hun vijftiende van de vooropleiding de Latijnse school af. In dezelfde grote gehoorzaal, waar nu een deel van de tentoonstelling is, gaven in de beginjaren de geleerden Vossius (geschiedenis en welsprekendheid) en Barlaeus (wijsbegeerte) elke morgen openbaar college in het Latijn. Niet zozeer voor de eigen leerlingen, maar voor geleerde vreemdelingen en de belangrijkste burgers van de stad. De colleges waren van negen tot elf, zodat de kooplieden nog op tijd konden zijn voor de opening van de beurs om elf uur. De openbare lessen waren bovendien gratis toegankelijk, wat zelfs niet gebruikelijk was in andere plaatsen die hun Atheneum al lang hadden omgezet in een universiteit. Dat waren Leiden, Franeker, Harderwijk, Utrecht en Groningen. In deze steden was de leer van Descartes (1596-1650) verboden, die beschouwd wordt als de grondlegger van het rationalisme. Deze stroming in de wetenschap wil niet alles uit christelijke en klassieke oudheid verklaren, maar ziet ook logisch redeneren als een oplossing ziet. Elders in het land kwamen aanhangers van Descartes dus niet aan bod, maar het Amsterdams Atheneum stelde in 1668 een gematigd aanhanger, Johannes Rey, aan in de wijsbegeerte.

Navigatie

Noodgedwongen waren de openbare colleges van het Atheneum soms niet in het Latijn. Zo gaf de wiskundige Hortensius les in het Nederlands. Zijn colleges werden bijgewoond door stuurlieden die wiskunde nodig hadden bij de navigatie, maar die geen Latijn beheersten.

Het Latijnse onderwijs had in de zestiende en zeventiende een grote verandering ondergaan. Was de klassieke taal daarvoor een wereldtaal met het opbloeien van de handel werd het van die positie verdreven door het Frans. Kooplieden, in de handelsstad Amsterdam bepalend voor het belang, zagen daarom het belang minder in van het leren van Latijn. Wel bleef men de studie van de taal hoog aanslaan voor het verkrijgen van culturele achtergrond en algemene ontwikkeling. Zodoende werd de Latijnse school na de Reformatie definitief het instituut voor het voorbereidend hoger onderwijs.

Amsterdam kende na een fusie (ja, ook die al) in 1672 nog een Latijnse school. Op de gevel stond 'tugt is 's leevens steunsel'. Deze school is de voorloper van het huidige Barlaeusgymnasium.

De leerlingen van de Latijnse school kwamen uit de gegoede burgerij, zij waren de zonen van predikanten, advocaten, artsen en de allerijkste gildemeesters en kooplieden. De laatsten verlieten over het algemeen voortijdig deze opleiding, als zij maar enige kennis van het Latijn hadden was het voor hen genoeg om zich staande te kunnen houden in de betere kringen.

In Amsterdams rijkste periode kende de stad ook vele vormen van beroepsonderwijs. Aspirant-zeelieden konden korte cursussen van een of twee weken volgen. Aan boord volgden dan de praktijklessen. Jongens gingen in de leer voor een beroep met gering aanzien, zoals speldenmaker. De meisjes kwamen, echter alleen als zij wees waren, terecht bij hoedenmakers en dergelijke. Voor beroepen die meer achting kregen, zoals schilder en chirurgijn, waren er de gilden.

Vaak was er sprake van uitbuiting van jonge kinderen, het beroepsonderwijs begon soms al voor zesjarigen. Nog het minste gevaar was er als ouders betaalden voor de leerschool bij vakmensen. Dan konden zij zich beroepen op schriftelijke afspraken als de meester slechts klusjes te doen gaf waar de zoon niets van leerde.

Behalve het Atheneum kende Amsterdam nog een instelling voor hoger onderwijs, het Remonstrants seminarium, opgericht in 1634. Daar werden predikanten opgeleid in een tijd dat slecht gesteld was met de geletterdheid van de gereformeerde dominees. De eerste jaren na de Reformatie werden pastoors, die 'huysvrouwen, openbaerlijck ende voer die gemeynten' moesten trouwen, schoolmeesters en ambachtlieden tot het ambt toegelaten na een examen. Hiervoor konden zij naar een profeten- of oefenschool waar vooral getraind werd in het herkennen en uitbannen van dwaalleren. Hun niveau moet vrij laag zijn geweest, want deze ongestudeerde predikanten werden ook wel idioten genoemd. In 1600 bleek dat sommige predikanten niet eens een bijbel in huis hadden.

De remonstranten speelden een belangrijke rol in het Amsterdamse intellectuele leven. De Remonstrantse broederschap wilde hun predikanten zowel een theologische als een klassieke wetenschappelijke opleiding, zodat de studenten voor colleges filosofie, letteren en geschiedenis bij Vossius en Barlaeus volgden. Het seminarium zorgde voor Grieks, Latijn, Hebreeuws en exegese van Nieuwe en Oude testament.

Na het rampjaar 1672 nam Nederlands welvaart af en daarmee kwam een einde aan de bloei van Amsterdam. De luxere onderwijsinstellingen zoals het Atheneum hadden daar onder te lijden. Volgens de schrijvers van De geschoolde stad is in de Gouden eeuw de basis gelegd voor het huidige onderwijssysteem. "Want de jeugd is de natie der toekomst, zo als heden het onderwijs is, zal later het volk zijn" moet conrector Pieter van Afferden van de Latijnse school moet al in 1555 gezegd hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden