Palmen (1)

Immensum monstrum zouden wij met evenveel recht I.M. van Conny Palmen kunnen noemen als mijnheer Bodar het als een Immensum Monumentum betitelt (Trouw 24 februari). Hij had het immers maar voor een derde gelezen om het in een talkshow meteen te gaan bejubelen. Is hij waarschijnlijk niet toegekomen aan het fragment waarin het morbide lijkenhandje van de geliefde post mortem in de weer is. Daarover melden ons wel de reguliere recensenten. Ook heeft hij de overleden protagonist nooit mogen ontmoeten. Daar mag hij heel blij mee zijn, want ongetwijfeld zou Meijer Bodar zo genadeloos hebben neergesabeld, dat hij aan de rest van het boek wel nooit meer zou zijn toegekomen.

Bodar moet zich volgens ons verzoenen met Selma Schepel die hij met ondermaatse en insinuerende omschrijvingen ten tonele voert. Wat tot slot nog het meest ergert in Bodars pretentieuze inmenging zijn diens alinea's die beginnen met: Wat bevalt mij aan dit boek? en even later: Ik zou zelf stellig geserreerder hebben geschreven. En nog weer verder: Mijn leven lijkt wel een roman. Hoe oordeelt de bijbel daarover?: “Spreek toch niet steeds zo hoogmoedig” (1 Sam. 2 : 3).

Bladel Fons Roymans

Palmen (2)

Ik heb het boek van Connie Palmen óók niet gelezen (recensie Selma Schepel, 19 februari) en ik weet nog niet of ik dat ga doen. Maar ik denk wèl dat iemands seksleven, zijn bridge-avond of zijn ganse leven op een kantoor lezenswaardiger is als het geschreven is door iemand die dat mooi, intens en oprecht kan doen. Alles wat de mens bezighoudt gaat uiteindelijk over liefde en dood. Het verschil tussen kunst en kitsch, tussen literatuur en Story en Privé zit hem juist en alleen in de manier waaróp het gedaan is.

Kampen Iris Boter

Palmen (3)

Groot was mijn teleurstelling over het artikel van Henriëtte Boas over Palmens nieuwste roman (Podium, 21 februari). Het verhaal was niet de gebruikelijke proeve van epistolaire concisie maar een duidelijk overhaast ingezonden hartenkreet. Het lijkt mij waarschijnlijk dat Boas vooral zo'n haast had omdat zij voor Ischa Meijers ouders in de bres wilde springen. Misschien extra kwalijk is het daarom dat haar kritiek deels berust op een kapitale leesblunder. “Na het overlijden van zijn moeder zegt zij (p. 194)...”, aldus Boas, maar het hieropvolgende citaat heeft betrekking op een ontmoeting die een half jaar vóór de dood van Meijers moeder plaatsvond. Een ontmoeting met een vrouwelijke kennis die aan Meijer vertelt dat zijn moeder in het ziekenhuis ligt. Met de 'oubollige, zelf gepunnikte, talentloze echtgenoot' wordt dan ook niet Dr. Jaap Meijer bedoeld maar de man van deze kennis. Boas' verzuchting dat Palmen niet op de hoogte zou zijn van Jaap Meijers talrijke wetenschappelijke en literaire publicaties getuigt evenmin van degelijk leeswerk, gezien het feit dat de door haar genoemde titels en bezigheden vrijwel alle op pag. 201-202 van I.M. vermeld staan. Tot slot: Boas meent 'wel te weten' wat (of wie?) de oorzaak is van de 'onherstelbare breuk' tussen Meijer en diens ouders, maar zij wenst deze kennis voor zichzelf te houden. En dat is jammer, want het overstijgt toch wel het particuliere belang om te weten wat voor goede reden ouders kunnen hebben om hun drie kinderen stuk voor stuk te verstoten.

Amsterdam Janneke van der Meulen

Palmen (4)

Met kromme tenen heb ik een aantal recensies gelezen over I.M. Ik vraag me af wat Connie Palmen er zelf van vindt. Zelf ervaar ik een plaatsvervangende schaamte. Waartoe dienen deze analyses? Naar mijn idee schiet een deel van de mensen die het verhaal met zijn hoofdpersonen proberen te beschrijven en te ontrafelen tekort in hun pogingen. Hun pennenvrucht slaat doorgaans op een deel van het fenomeen Ischa. En daarmee wordt zo'n vertekend beeld geschetst dat de troost die I.M. uitstraalt geweld wordt aangedaan. Is het niet mogelijk dit verhaal te nemen zoals het zich aandient? Gewoon een liefdesverhaal waarin helaas een happy-end ontbreekt. Zou deze benadering moeilijk zijn omdat men Ischa als zodanig nauwelijks geaccepteerd heeft? Hij was een journalist die zijn vak buitengewoon goed beheerste en hij had een persoonlijkheid waar je niet omheen kon. Was (en is) hij soms te bedreigend voor vele mensen? Misgunt men hem dit monumentje?

Piershil J. B. Kloover

Mussen

Naar aanleiding van het artikel over mussen van Henk van Halm (Trouw 21 februari) het volgende: Sinds enkele jaren is hier geen mus meer te bekennen. Wij wonen in een wijk met woningen die zijn gebouwd aan het begin van de jaren dertig. Velen zijn nog niet geïsoleerd en hebben dus nog de klassieke dakbedekking. Wel is de kraaienpopulatie zeer sterk toegenomen de laatste jaren. Ook eksters uit de nabijgelegen beboste binnenduinen bezoeken onze tuinen. Wij wijten het verdwijnen der mussen wel degelijk aan het toegenomen kraaienbestand.

IJmuiden C. Eichhorn

Nalatige Tweede Kamer

Prof. Van Gunsteren in zijn artikel over de nalatigheid van de Tweede Kamer in de kwestie-Docters van Leeuwen (Podium, 26 februari) dat de Kamer tijdens het debat hierover niet voldoende doorvroeg en zich te gemakkelijk conformeerde aan het oordeel van minister Sorgdrager. Van Gunsteren vreest dat vele Nederlanders negatief denken over de taakvervulling der Kamerleden. Het is mijn stellige overtuiging, dat de professor zich hier eufemistisch uitlaat. Tijdens dat debat heb ik mij geschaamd Nederlander te zijn. Overduidelijk moet het toch voor velen zijn geweest, dat de coalitiepartijen onvoldoende wilden controleren, dat ze blij waren naar het komende rechtsgeding te kunnen verwijzen. Zouden de Kamerleden werkelijk denken aan hun kiezers, aan wie zij verantwoording moeten kunnen afleggen? Het stuk van Van Gunsteren is het bewaren meer dan waard.

Vroomshoop G. J. Wassens

Feminisme

Het nieuwe geluid uit feministische kringen, zoals dat van Naomi Wolf, is zeer verheugend. Haar krachtige, optimistische ideeën tonen aan, dat zoals ze zelf ook aangeeft, het feminisme een hoger, meer persoonlijk plan heeft bereikt. Toch wil ik een kanttekening plaatsen bij een opmerking van haar uit het interview met Anja Meulenbelt (zoals opgeschreven door Dorien Pels, Trouw 25 februari). Zij zegt op een gegeven ogenblik: “Ik zal gelukkig sterven als een jongere generatie feministes mijn ideeën omverwerpt.”

Mijns inziens zou zij pas echt gelukkig kunnen sterven als een generatie mannelijke intellectuelen haar werk ter harte neemt en verder ontwikkelt naar een mannelijk publiek. Want de meeste feministes ontkennen dat ook mannen met identiteitsproblemen worstelen. Bijna elke man is afhankelijk van zijn vrouw om naast zijn carrière een gezinsleven te kunnen hebben.

De feministische evolutie blijft echter ondoenlijk zonder de inbreng van een mannelijk 'feminisme'. Als we verderop in deze evolutie geraken, dan is het Noorse plan om ouders te betalen om thuis te blijven (Trouw, 25 februari) een uitstekend idee.

Veenendaal Marcel Simons

Juinen

In uw hoofdredactioneel commentaar van zaterdag 21 februari wenst u de fractievoorzitter van de Tweede Kamer van de VVD naar Juinen. Een aangenaam geluid als Trouw door allerlei geBolkestein heenprikt, zo ook nu.

Echter de argumentatie van Trouw lijkt in dit geval mank te gaan aan enige randstedelijkheid en gebrek aan voeling met plaatselijke afdelingen van landelijke partijen, met name van het CDA. In grotere steden gaat de redenering dat de kiezer voor zijn lokale stem zich voornamelijk oriënteert op de landelijke politici wellicht op. Maar in veel plaatsen van de grootte van Hilversum en kleiner kennen veel burgers wel degelijk (kandidaat-)raadsleden uit hun eigen gemeente en staat de plaatselijke politiek dus veel dichterbij dan de Tweede Kamer. Op welke kieslijst deze kandidaten staan doet nauwelijks ter zake voor hun bekendheid. Echter zal de kiezer ook gevolgen verbinden aan het bekend zijn met de kandidaten en plaatselijk wellicht anders stemmen dan landelijk?

Veel plaatselijke afdelingen van het CDA hebben vier jaar geleden door de landelijke tendens (het 'Brinkman-effect') een enorme aderlating zien plaatsvinden, ondanks goede resultaten van CDA-gemeenteraadsfracties. Plaatselijk actieve CDA'ers zijn daardoor juist beducht voor de landelijke oriëntatie van de kiezer en kijken met wat gemengde gevoelens naar plaatselijke lijsten, die van dit fenomeen geen last hebben.

Weesp Hans Burggraaff

Façade

De afgelopen week heeft het CDA de landelijke pers weten te halen met een inkomensregeling. Het sociale gezicht van het CDA moest worden opgepoetst voor de verkiezingen. De vier pijlers van het CDA (rentmeesterschap, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en gerechtigheid) nopen daartoe.

De solidariteit en gerechtigheid lijken bij het CDA terrein te verliezen. In navolging van de huidige regeringspartijen wordt er binnen het CDA gesproken over het “sociaal gezicht van de partij”.

Naar mijn mening dient er gesproken en gehandeld te worden naar het sociaal zijn van de partij. Een gezicht is maar een façade. Als een door het Evangelie geïnspireerde partij kunnen wij de mensen niet met hoop alleen opzadelen, noch koude rekenmeesters zijn.

Nijland K. W. Lever, lid CDA

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden