PALESTINA'S VERBITTERDE OMBUDSVROUW

Zo onverwacht als Hanan Ashrawi opdook op het wereldtoneel, zo geruisloos lijkt ze weer verdwenen achter de coulissen. Het akkoord tussen Arafat en Rabin maakte een abrupt einde aan haar rol als woordvoerster van de Palestijnse zaak, als 'de stem van de redelijkheid', als de vrouw die het nieuwe gezicht van de Palestijnen symboliseerde. Ze zet zich nog steeds in voor het Palestijnse volk, maar kan gevoelens van woede en verbittering moeilijk onderdrukken.

Het staccato dat haar zo kenmerkte tijdens haar persconferenties is verdwenen. Ze klinkt zachter, kwetsbaarder. De volzinnen, eindeloze bijzinnen en spitsvondigheden zijn gebleven. Nog altijd klinken die zo indrukwekkend dat je je pas achteraf afvraagt wat ze eigenlijk betekenen.

Al op haar derde leerde ze Engels en Arabisch lezen. Ze was de jongste van vijf dochters in het gezin van de Palestijnse arts Daoed Mikhail en zijn Libanese vrouw Wadia. Haar zusters gingen naar school, haar nichtje had net een broertje gekregen. Hanan stelde haar moeder een ultimatum: 'ik wil naar school of een babybroertje'. Maar haar moeder legde uit: 'Kinderen van drie kunnen niet naar school en je nichtje heeft heel hard gebeden dat ze een broertje zou krijgen'. Waarop Hanan prompt op haar knieën zeeg en bad. Het leverde geen broertje op. Ter compensatie leerde haar zus Abla haar lezen.

Later, op de lagere school, kreeg ze op haar kop van de juf, toen ze de leesboeken te snel uit had. “Je moet ook lezen, niet alleen plaatjes kijken,” kreeg ze te horen. “Ik heb ze gelezen,” sprak een tot in het diepst van haar ziel gekwetste Hanan tegen de ongelovige juf. Nog altijd, hoe druk haar dag ook is geweest, leest ze 's avonds een boek.

Háár boek over het vredesproces, 'Deze kant van de vrede', verschijnt dezer dagen in meer dan tien talen. Het is een persoonlijk relaas, in zekere zin een antwoord op de vaak persoonlijke aanvallen op deze a-typische vertegenwoordigster van het Palestijnse volk: een christelijke vrouw uit Ramallah, een intellectueel uit een welgesteld milieu. Ashrawi rekent er in af met haar imago als spreekbuis van Arafat, als ja-knikker zonder eigen opvattingen, die het alleen allemaal mooier kon zeggen, de taal van de media sprak en keurige mantelpakjes droeg - de antithese van het beeld van de revolutionaire Palestijnen, van leider Arafat met zijn stoppels en theedoek.

Ze roemt in haar boek de PLO-leider, die ze al 25 jaar kent, om zijn menselijkheid, zijn hoffelijkheid, maar toont hem ook in zijn kleinzielige dictatoriale driftbuien als hij niet zijn zin dreigt te krijgen ('Dit is muiterij, dit neem ik niet. Ik ben degene die uitmaakt wie er op die lijst komt. Ik weet wat het beste is'). En ze beschrijft haar teleurstelling, haar onderdrukte kwaadheid over de draai die het vredesproces heeft genomen sinds die historische dertiende september 1993 op het gazon van het Witte Huis.

Als die dag alle ogen van de wereld zijn gericht op de ondertekening van het akkoord tussen de PLO en Israël, op de gretig uitgestrekte hand van Arafat en de afkerige Rabin, zit Hanan Ashrawi al niet meer helemaal vooraan. Haar voeten doen pijn vanwege haar nieuwe schoenen. Ze verlangt naar een sigaret. Ze hoort Arafats speech. Dit is niet de tekst die zij voor hem had geschreven. Dit is een andere taal en ze beseft dat dit het einde van haar optreden is.

“Vlak daarvoor, op het vliegveld, bij de ontvangst van Arafat, was het me al opgevallen dat er een scheiding had plaatsgevonden. De PLO-functionarissen uit Tunis stonden met elkaar vooraan. Wij, Palestijnen uit de bezette gebieden, de delegatieleden die de onderhandelingen in Washington hadden gevoerd, stonden apart achteraan. Ik wist dat als de PLO eenmaal zou worden erkend, dit het begin van een nieuw hoofdstuk zou zijn. Arafats rede in Washington was, voelde ik, een terugkeer naar het verleden. Het was een politieke taal vol slogans, vol oppervlakkige clichés. Ik had het gevoel dat we terugvielen in de oude benadering van formules, terwijl wij ons juist hard hadden ingespannen om een nieuwe werkelijkheid te scheppen. De taal van die rede was tekenend voor wat ons nog te wachten stond.”

Was het een onvermijdelijke paradox? U streed in de onderhandelingen met uw delegatie voor erkenning van de PLO, maar het moment dat die erkenning er was, ging het mis.

“Het was onvermijdelijk. Wij beschouwden - en doen dat nog - de PLO als het symbool van onze nationale eenheid, als de expressie van onze nationale identiteit, als de vertegenwoordiger van alle Palestijnen. Dat waren wij niet. Daarom streefden we naar erkenning van de PLO. Ik had gehoopt dat we daarna op organische wijze samen verder zouden gaan. Ik vond zelfs dat het het beste was de delegatie te handhaven, tenslotte hadden we aldoor beweerd dat dit een PLO-delegatie was. Maar de mensen die voorheen waren buitengesloten, stonden nu te dringen om in het licht van de schijnwerpers te treden.”

Bij het overleg in Washington met Israël wilde u eerst de principes vastleggen, het einddoel bepalen. In de geheime besprekingen in Oslo heeft Arafat dat opgegeven. Denkt u dat uw delegatie een betere overeenkomst had kunnen bereiken?

“Ja, gewoon ja. Maar ik wist ook dat onze besprekingen in Washington officieel geen resultaat konden boeken, zolang de PLO was buitengesloten. Washington was gedoemd, niet tot mislukken, maar tot onvruchtbaarheid. Oslo diende om de PLO te legitimiseren en in de onderhandelingen te brengen. Jammer genoeg werd in Oslo de inhoud geofferd. Het is in haast getekend. Het credo van Oslo luidde 'eerst een verdrag en dan onderhandelen'. Het moment dat ik het verdrag zag, wist ik dat het ofwel in een ramp zou eindigen, ofwel tot een staat kon leiden op voorwaarde dat we het alsnog in een constructieve vorm konden gieten. In de praktijk heeft Israël zijn wil weten op te leggen. En onze leiding zit in de val.”

Vele van haar delegatiegenoten hebben zich stilletjes afgekeerd van het proces, teleurgesteld, kwaad. Anderen zijn op een zijspoor gezet door het nieuwe gezag, de PNA (Palestijnse Nationale Autoriteit) van Jasser Arafat. De functie van minister van informatie in het Palestijns bestuur heeft Ashrawi doelbewust afgeslagen. “Het zou oneerlijk van mijn kant zijn geweest een positie te aanvaarden. Ik heb ernstige bedenkingen over de akkoorden en bovendien heb ik altijd geroepen dat ik voor verkiezingen ben en tegen aanstellingen van bovenaf.” Maar teruggekeerd naar het ivoren torentje van de universitaire wereld is de hoogleraar in de Middeleeuwse Engelse literatuur (nog) niet.

Hanan Mikhail-Ashrawi is 48 jaar oud. Ze werd geboren in Nabloes op de westelijke Jordaanoever en groeide op in Ramallah, een plaatsje vlakbij Jeruzalem met een overwegend Grieks-orthodoxe bevolking. Hanan woont er nu met haar echtgenoot Emile (drummer, fotograaf, filmer en, naar eigen zeggen, a-politieke pacifist) en hun twee tienerdochters in haar ouderlijk huis. Zoals haar woning de continuïteit symboliseert, zo staat het met prikkeldraad omgeven gebouw aan de overkant van de straat voor de woelige politieke geschiedenis van de regio. Fort Taggart is een overblijfsel uit de Britse mandaatperiode. Toen de Britten in 1948 vertrokken, namen de Jordaniërs het over. Hanans vader, een Palestijnse nationalist, zat er in de jaren vijftig enige tijd gevangen. In 1967 veroverde Israël de westelijke Jordaanoever. Het fort van de Britse kolonel Taggart werd zetel van het Israëlische bestuur, annex gevangenis.

Hanan Mikhail studeerde toen al aan de universiteit van Beiroet. De Israëlische bezetting veranderde haar van de ene op de andere dag in een banneling èn in een politiek activiste. Als woordvoerster van de Palestijnse studentenvereniging leidde ze Amerikaanse journalisten rond in de Palestijnse kampen in Beiroet en had ze haar eerste ontmoeting met Arafat. In 1970 haalde ze haar graad, maar terug naar huis kon niet, Israël gaf de activiste geen toestemming. Noodgedwongen zette ze haar studie voort in de Verenigde Staten. Twee jaar later mocht ze terug naar Ramallah. Onderweg werd ze op het vliegveld van Parijs een etmaal lang ondervraagd - een geval van persoonsverwisseling. De vrouw die vijftien jaar later de PLO moest afhelpen van haar terroristische imago was aangezien voor Leila Khaled, de vliegtuigkaapster.

Tegenwoordig rijdt 'ombudsvrouw' Hanan Ashrawi elke ochtend van Ramallah naar haar kantoor in Jeruzalem, leest ze dikke rapporten, schaaft ze wetsvoorstellen bij, behandelt ze klachten, bezoekt ze gevangenissen en probeert ze de nieuwe machthebbers te overtuigen van het belang van een rechtsstaat, van een democratisch gezag, van de mensenrechten. Haar commissie is onafhankelijk en wordt gefinancierd door buitenlandse donors. Ashrawi wil de fundamenten leggen voor de toekomstige staat, niet gebonden zijn aan het tijdelijke niet-gekozen bestuur. Toch heeft ze zelf gekozen voor samenwerking met de PNA, overlegt ze regelmatig met Arafat en zijn ministers en hangt ze de vuile was niet snel buiten. De kritiek op haar luidt dan ook dat het niet altijd duidelijk is of zij opkomt voor de mensenrechten in de PNA of dat ze de public relations verzorgt van de PNA bij internationale mensenrechtengroepen. De golf van arrestaties in Gaza, de verhalen over martelingen en de veroordelingen door duistere militaire rechtbanken maken in ieder geval beide functies er niet makkelijker op.

Heeft u wel enige invloed op het Palestijnse bestuur?

“Ik weet dat er naar me wordt geluisterd. Maar soms botsen we ook. Hier hebben we als verzet onder de Israëlische bezetting voor onszelf een soort democratie geschapen. We hebben instituten opgebouwd van een burgermaatschappij en staan op ons recht van vrije meningsuiting, recht van vertegenwoordiging, onze democratische rechten. Degenen die in ballingschap waren, hebben een heel andere mentaliteit. Bij hen ligt de nadruk op militaire structuur, op geheimhouding. Ze zijn niet gewend verantwoording af te leggen. Maar we moeten ons daartegen verweren. Want als we ons er bij neerleggen, dan plaatsen we in feite onze burgerbevolking onder een militair regime.”

“Zij komen natuurlijk ook met het excuus dat het slechts een overgangsfase is, dat ze eerst hun gezag moeten vestigen en dat ze onder druk staan van de Israëliërs. Ze hebben een dilemma, een pijnlijk dilemma. De Israëliërs straffen ze met het afsluiten van de gebieden als er aanslagen zijn. Dus moeten ze hun eigen bevolking onderdrukken om te voorkomen dat Israël strafmaatregelen treft.”

Ashrawi ziet maar één uitweg: een herziening, een 'rectificatie' van het verdrag, het opnieuw op tafel leggen van de echte knelpunten: Jeruzalem, de nederzettingen, de grensovergangen, de mensenrechten. Anders dreigt het vredesproces verder af te glijden. “En een gebrekkig proces kan vele malen destructiever zijn dan geen proces,” waarschuwt ze. “Onderhuids zal de woede toenemen. Op den duur zal dat onvermijdelijk tot een uitbarsting leiden.”

“Ik ben zelf ook kwaad,” erkent ze desgevraagd. “Kwaad over de zinloze pijn, kwaad over het onrecht, dat de mensen niet in hun waarde laat, dat een heel volk in nietelingen verandert. Dat is oneerlijk. Soms ben ik kwaad op de Israëlische regering - het is niet persoonlijk gericht. Soms raak ik verbitterd over onze eigen leiders of ben ik kwaad op onszelf, op onze eigen intellectuelen, op de mensen die hun mond niet opendoen. Ik kan niet tegen passiviteit.”

In Gaza probeert de voormalige delegatieleider Haidr Abd Al-Sjafi een politieke beweging van de grond te krijgen, die een herziening van het verdrag nastreeft. Ashrawi houdt zich afzijdig. Ze wil haar rol van ombudsvrouw buiten de politiek houden. “Weet je wat ik eerlijk gezegd wil doen? Eind juli ronden we ons jaarrapport af en dan wil ik ermee ophouden. Ik ga vrij nemen om mijn roman af te schrijven. Het is een prachtroman. Ik ben erdoor geobsedeerd. Het is een mengeling van werkelijkheid en fantasie, doorwoven met mythische, mystieke en realistische elementen, met componenten van een Griekse tragedie. En het is heel echt, het speelt in een Palestijns dorp in een Palestijns land. Het heet 'De vrouw die niet droomt'. Natuurlijk droomt die vrouw wel, maar haar dromen komen uit en daarom zijn de mensen bang voor haar dromen, ontkennen ze dat ze droomt. Het is deel van onze cultuur om het bestaan van iets dat heel overweldigend is, te ontkennen. Het is ook een getuigenis over de traditionele rollen van vrouwen en mannen, over de seksualiteit. En dan is er nog dat ironische deel over een verhouding tussen een Palestijn en een Israëlische vrouw. Beiden proberen uit hun eigen geschiedenis weg te lopen. Ik houd van schrijven.”

En u mist de schijnwerpers niet?

“Nee, absoluut niet. Mijn man zegt altijd dat ik zeer gesloten ben. Voor het voetlicht staan heeft veel van mij gevergd. Het was een bewust besluit dat een tijdje te doen. Ik wilde de wereld die menselijke dimensie van de Palestijnen laten zien. We zijn niet alleen maar politieke figuren met slogans. Maar ik denk dat niemand die rol van woordvoerder lang kan volhouden zonder er gek van te worden. Dat is ook de reden dat ik de pers eigenlijk niet meer wil zien. Ik schrijf liever. Dan pas voel ik me geheel vervuld. Het is geen catharsis. Het is een gevoel van totale toewijding en creativiteit.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden