PALEO-ANTROPOLOGIE

Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat de Nederlander Eugene Dubois wereldkundig maakte dat hij op Java de 'missing link' tussen de mens en de aap had gevonden: de resten van wat hij noemde de Pithecanthropus erectus, de rechtopgaande aapmens. De wetenschap reageerde lacherig, maar vandaag de dag ontbreekt Dubois in geen enkel boek over de leer van de fossiele mens, de paleo-antropologie. Zaterdag opent in het Pesthuis in Leiden de tentoonstelling 'Man Ape - Ape Man', waar de vondst voor het eerst aan het grote publiek zal worden getoond. Eind juni is er een internationaal wetenschappelijk congres over 'De evolutie van de mens in zijn ecologische context'. Dat is volgens organisator dr. Jan Slikkerveer precies waar het Dubois om ging. De tentoonstelling 'Man Ape - Ape Man' is van 15 mei t/m 31 oktober te zien in het Pesthuis, Pesthuislaan 7, Leiden. Geopend: di. t/m. zo. 10.00 - 17.00 uur.

"Hij had al een kies gevonden, die hem ook de indruk gaf van een aap te zijn. Maar een jaar later was daar opeens dat dijbeen, dat op een merkwaardig aangroeisel na ontzettend veel leek op dat van een mens. Alles van steen, dus gefossiliseerd."

"Hij heeft daar eens rustig over na zitten denken, blijkt uit zijn correspondentie. En dan opeens zie je dat hij de naam anthropithecus schrapt en daarboven zet: pithecanthropus. Hij dacht: het is niet een mensaap maar een aapmens. Uit dat dijbeen maakte hij terecht op dat dat 'dier' rechtop had gelopen. Dus gaf hij het de specifieke naam erectus, rechtopgaand. Vandaar de naam Pithecanthropus erectus."

Het verhaal van Slikkerveer is gesneden koek voor paleo-antropologen. Volgens Dubois was zijn vondst de missing link, de ontbrekende schakel, tussen de mensaap en mens. Tegenwoordig weten we dat dat hij ongelijk had. Pithecanthropus erectus, de 'Java-mens', is een van de inmiddels talrijke resten van Homo erectus, de 'rechtopgaande mens', die een kleine miljoen jaar geleden leefde. Homo erectus is de opvolger van de twee miljoen jaar oude Homo habilis, de 'handige mens', waarvan de resten op verschillende plaatsen in Afrika zijn ontdekt. En hij is de directe voorloper van Homo sapiens, de 'wetende mens' van vandaag. De echte ontbrekende schakel, de gezamenlijke voorouder van mensapen en mensen, is nog altijd niet gevonden.

Ook in 1893 was er echter al kritiek op de claim van de Nederlander. Bij het grote publiek in Europa en Amerika, dat zich onder invloed van het nog zeer dominante christendom veilig waande bij het geloof in het creationisme. Maar ook bij de wetenschap, die wel geloofde in de evolutiegedachten van Charles Darwin en Thomas Henry Huxley, maar die het 'bewijs' van die evolutie toen nog niet in fossielen zocht.

Slikkerveer: "Men trachtte de relatie tussen de mens en de aap in die tijd te bewijzen door anatomisch onderzoek, door hen met elkaar te vergelijken. En door embryologisch onderzoek, door te kijken welke fasen embryo's van apen en mensen in hun ontwikkeling doormaken."

"Het merkwaardige is dat er in die tijd al fossielen van mensen waren gevonden. De Neandertaler bij Dusseldorf en de Cro-Magnonmens in Frankrijk, maar die vondsten werden terzijde geschoven. De deskundigen zeiden: die mensen hadden artritis. Anderen beweerden: ze waren misvormd. Men heeft nooit gedacht dat dat overgangsvormen tussen de mens en de aap konden zijn. Dubois was de eerste die dat beweerde."

Pas in deze eeuw, na de vondst van het 'kind van Taung' in Zuid-Afrika in 1925 en twee jaar later de Pekingmens in China, raakte de wetenschap overtuigd. Pas toen werd het startsein gegeven voor een koortsachtige jacht op menselijke fossielen. De paleo-antropologie, de leer van de fossiele mens, was geboren.

Slikkerveer heeft zich de afgelopen jaren in de figuur van Eugene Dubois verdiept. Hij is niet de eerste; in 1985 verscheen al een proefschrift van de Leidse bioloog Bert Theunissen en nog onlangs beschreef de evolutiebioloog Stephen J. Gould de Nederlander in zijn boek Finders, keepers, eight collectors, over acht grote verzamelaars.

"Theunissen geeft een heel gedegen beschrijving van Dubois," vindt hij, "Maar hij beklemtoont vooral zijn studie anatomie, zijn vondst en zijn latere cefalisatie-onderzoek: Dubois vergeleek de schedelinhoud van de mens met die van allerlei dieren. Hij probeerde een mathematische formule te vinden voor het verband tussen lichaamsgewicht en schedelinhoud om op die manier de lichaamsbouw van Pithecanthropus erectus te reconstrueren." Gould beschrijft Dubois als verzamelaar; de Nederlander vond alleen al in Indonesie meer dan 40 000 fossielen.

Het zijn goede verhalen, maar ze vertellen niet alles, meent Slikkerveer. "Ik denk dat wij Dubois meer recht zouden doen met een sterkere nadruk op zijn streven, de relatie tussen de mens en de natuur te onderbouwen. In mijn visie was hij een man die vooral daarnaar zocht. Hij wordt door de paleo-antropologen beschouwd als hun founding father en dat klopt ook, hij deed die vondst, maar hij had een hoger doel en hij zegt dat ook in een van zijn laatste artikelen, vlak voor zijn dood gepubliceerd: mijn doel was de vermeerdering van de kennis over de plaats van de mens in de natuur."

Slikkerveer baseert zich bij zijn stelling op een hernieuwd onderzoek van het wetenschappelijk archief van Dubois, dat berust bij het Nationaal natuurhistorisch museum in Leiden. Maar ook en vooral op de persoonlijke correspondentie die hij van de nazaten van de Nederlander in bruikleen kreeg. Tevens beschikt hij daardoor over een niet uitgegeven, tweehonderd pagina's tellend manuscript van de zoon van Dubois over het leven van zijn vader.

"Dubois kwam uit Eijsden, bij de Belgische grens, waar de Maas en de Sint Pietersberg bij elkaar komen. Zijn vader, een apotheker, moedigde hem aan om natuurhistorische boeken te lezen. Over zoologie en over plantkunde. Hij had een boek over kevers. Hij maakte er bij voorbeeld een sport van om van alle dieren en planten de Latijnse naam uit zijn hoofd te leren."

"Zijn vader nam hem ook mee om in de natuur medicinale planten te verzamelen. Al vroeg had hij thuis een rariteitenkabinetje met schedels van konijnen en vleermuizen. En met fossielen: in de mergelgroeven van Limburg zijn natuurlijk talrijke fossielen gevonden. Bovendien zijn er in dat gebied ook een aantal vuursteen-werkplaatsen uit de prehistorische tijd. In zijn vroege collectie zien we al enkele artefacten, primitieve gebruiksvoorwerpen."

Het was echt een jongen die al heel vroeg belangstelling had voor de natuur, wil Slikkerveer maar zeggen. Daar speelden fossielen een rol in, maar ook de kennis van planten en dieren. "Het was iemand die enorm van het buitenleven genoot."

Dertien jaar oud, we schrijven 1871, gaat Eugene Dubois naar de HBS in Roermond. Hij ontmoet daar een aantal leraren met een wat je nu een holistische visie op mens en natuur zou noemen. "Zij plaatsten mens en natuur in een groter verband, zagen een web of life, waarin alles met elkaar is verbonden. Dubois werd erg geinspireerd door die leraren. In een van zijn latere brieven wijst hij ook op de prachtige botanische tuin van Roermond en zegt dat daar de basis is gelegd voor zijn verdere carriere."

In Roermond maakt de jongeman ook kennis met de ideeen van Darwin. "Hij woonde een lezing bij van Carl Vogt, een groot verdediger van de evolutietheorie die door het hele land lezingen hield. In Roermond stond een van de aanwezigen op en vroeg: hebben apen ook kerken? Dat vond Dubois bijzonder lachwekkend."

Dubois gaat in Amsterdam medicijnen studeren, geen farmacie zoals zijn vader wilde. Wie de plaats van de mens in de natuur wilde onderzoeken, kwam aan het einde van de negentiende eeuw vanzelf terecht in de geneeskunde: bij de vergelijkende anatomie of de embryologie. Hij valt op als een briljant student en krijgt een baantje als assistent van de anatoom Fuhrbringer. Hij verwerft, in 1886, zelf een aanstelling als lector in de anatomie, trouwt en slaat nog een aanbod voor een baan in Utrecht af omdat hij erop rekent Fuhrbringer op te volgen. Maar dan laat hij, tegen het advies van vrienden en collega's in, de boel de boel en vertrekt eind 1887 met zijn vrouw en dochtertje naar Nederlands-Indie.

Zijn eerdere keus voor de anatomie was eerder was eerder toeval dan roeping, volgens Slikkerveer. "Hij voelde meer voor fysiologie. Maar het baantje als assistent bij Fuhrbringer kwam eerder beschikbaar. Hij schrijft dat ook ergens: anders was hij fysioloog geweest." En Dubois was hoe dan ook naar Indonesie gegaan, denkt hij. "Hij was wat dat aangaat een man die goed plande. Het lukte hem niet om zelf fondsen te krijgen voor onderzoek in Indonesie, dus schreef hij zich in als arts bij het KNIL. Eenmaal daar werd hij al gauw vrijgesteld. Zijn superieuren zagen wel dat hij een bijzondere vent was."

Dat hij naar Indie wilde had een combinatie van oorzaken. Darwin schreef al dat het complexe fossilisatieproces waarschijnlijk het beste verliep in de tropen. En bovendien zocht Dubois naar de schakel tussen mens en aap. Zuidoost-Azie is het leefgebied van de gibbon, die volgens de negentiende-eeuwse inzichten het dichtst bij de mens stond.

VERVOLG OP PAGINA 21

Man van de vondst

VERVOLG VAN PAGINA 17

Dubois begint op Sumatra, waar hij fossielen van de Wadjakmens vindt, de voorloper van de Aboriginals in Australie. In 1890 verkast hij naar het dorpje Trinil op Java. In 1891 stuit hij daar op de kies en, korte tijd later, het schedelkapje. Vijftien meter en een jaar verder is er het dijbeen.

In 1893 maakt hij zijn vondst wereldkundig, in 1895 keert hij naar Nederland terug. Slikkerveer: "Hij was er van overtuigd dat hij iets zeer bijzonders had gevonden en wilde meer toegang tot het internationale debat. Met zijn vondst in een kistje is hij toen tien of twaalf conferenties afgereisd. Naar Luik, Parijs en Londen. Maar hij werd, een enkeling daargelaten, door niemand geloofd. De wetenschap accepteerde niet dat Pithecantropus erectus een overgangsvorm was. Op grond van wat hij liet zien, zei men: dat is een aap. En vervolgens zei men dat dat dijbeen van een mens was, en dus niet bij de schedel hoorde."

"Hij voelde zich tegengewerkt, raakte verbitterd en werd achterdochtig. Zeg maar gerust: paranoide. Op een gegeven moment heeft hij zich toen teruggetrokken en de vondst zeker een kwart eeuw aan niemand meer willen laten zien."

Teleurgesteld zoekt Dubois zijn toevlucht op het landgoed De Bedelaar bij Venlo. Dat heeft hij vanaf 1906 beetje bij beetje gekocht. Vanuit De Bedelaar reist hij op en neer naar Amsterdam, waar hij als hoogleraar mineralogie en kristallografie doceert, en naar Haarlem, waar hij conservator van het Teylers museum is.

Tussen die bedrijven door herschept hij zijn onvruchtbare heide in Limburg tot wat achteraf bezien Nederlands eerste natuurpark was. "Er was een vennetje, waarvan hij de waterstand veranderde. Ik heb een foto van een enorme drainagepijp die hij daarvoor heeft aangelegd. Niet ver daar vandaan ligt Tegelen. De kleilagen daar heeft hij uitvoerig onderzocht en hij vond er fossielen van planten die in de tropen nog steeds voorkomen. Hij heeft toen zaden laten komen, opgestuurd door zijn zoon, dat blijkt uit zijn persoonlijke correspondentie, en door collega's. De bomen staan er nu nog."

"Hij veranderde de hoogteverschillen in het landschap. Hij bouwde torens voor vleermuizen en uilen. Het moest een soort sanctuarium worden voor vogels. En hij heeft er allerlei waterplanten geintroduceerd. Via-via hoorde ik van een van de tuinlieden dat ze hem daar zagen, in zijn roeibootje. Hij was gek op zwemmen. Dan dook hij in het water om de wortels van de lelies in de grond te stoppen."

Dubois wilde het landschap van De Bedelaar weer terugbrengen in de staat van de prehistorie, zegt Slikkerveer. "Om zo een beter beeld te krijgen van hoe de mens dichtbij de natuur heeft gefunctioneerd. Dat past bij zijn unieke stap om terug te gaan naar het verleden. Om het niet in de vergelijkende anatomie te zoeken, of in de embryologie, maar om op fossielenjacht te gaan. Maar het past ook bij zijn perspectief: wij zijn een deel van de natuur."

Het landgoed genoot een zekere faam. Dubois zag er nooit paleo-antropologen, maar natuurhistorici als E. Heimans en Jac. P. Thijsse kwamen er wel op bezoek.

Dubois werkte er echter ook aan zijn cefalisatiewet: het verband tussen lichaamsgewicht en schedels. En dan die poging om de prehistorie te creeren: bleef hij toch niet heimelijk bezig met zijn vondst?

Slikkerveer: "Je kunt inderdaad zeggen: dat past in het beeld van de man van de vondst. Maar ik zeg: dat past in het beeld waarin ook de vondst past."

"Dubois was de man die wilde bewijzen dat wij een deel van de natuur zijn. Je ziet het al aan de brieven uit zijn jeugd. Hij heeft het over de Maas, de Sint Pietersberg. De boeken die hij van zijn vader kreeg, de collectie die hij heeft opgezet. In Indonesie zoekt en vindt hij fossielen, van de mens, maar ook van dieren en planten. Alweer: om zich een beeld te vormen van de omgeving van de prehistorische mens, van die natuur. Dan komt hij terug, gaat naar conferenties, wordt uitgelachen en concentreert zich weer helemaal op het Limburgse landschap, op dat natuurpark De Bedelaar."

"Strikte paleo-antropologen houden hem in hun eigen hoek, die cultiveren hem als hun grondlegger. Dat was hij ook, maar dat is niet alles. Bij Trinil vond hij niet de ontbrekende schakel tussen de mens en de aap, dat klopt, maar hij vond er wel iets anders: de ontbrekende schakel tussen de mens en de natuur."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden