Paddestoelen, het pakhuis en zijn seizoenen

Een hoge, gesloten wand van baksteen en beton. Hier en daar steekt er een toren, een trapgevel of een silo bovenuit. De pakhuizen en fabrieken staan strak in het gelid aan de Zaan in Wormer. Maar hun namen vertellen van avontuur en reizen: Batavia, Saigon, Java, Hollandia.

FRANK KOOLS

De laatste, en jongste, in deze rij van wachters langs de Zaan, ligt er geschonden en verloederd bij. Niet eéé ruit zit er nog in de voorgevel van pakhuis annex rijstpellerij 'Mercurius'. Roestende stalen ribben uit de betonwapening trekken er diepe, bruine voren in. Ook heeft het gebouw enige amputaties ondergaan: de bijgebouwen zijn verdwenen.

Reddeloos verloren, zo lijkt het. Maar nee, eind van dit jaar begint de restauratie van de tandeloze betonnen reus. Die daarna een nieuw leven begint als archeologisch depot: Mercurius is een succesvol voorbeeld van herbestemming van industrieel erfgoed. Waarmee het pakhuis zich voegt in de rij van de Wolspinnerij Thomas de Beer in Tilburg - nu het Museum De Pont- het hoofdpostkantoor in Amsterdam, waar nu een winkelcentrum in zit en het kantoor in Rotterdam van de Holland Amerika Lijn, nu hotel-restaurant.

Maar het kan ook anders gaan. Een monument als de fabriek van de firma Begemann in Helmond viel onder de sloophamer. In Noord-Holland weten ze er eveneens weg mee. Vorig jaar nog gaf de gemeente Haarlem zichzelf in strijd met de wet toestemming om de panden van drukker Joh. Enschedé tegen de grond te werken. Protesten van ondermeer het PIE, het Projectbureau Industrieel Erfgoed, in Zeist hielpen niets. Het was minister d'Ancona van WVC die dat bureau in 1992 oprichtte om verdere teloorgang te stuiten.

Dat het in Wormer nooit tot sloop kwam, is hoofdzakelijk te danken aan de verbetenheid waarmee de provincie Noord-Holland jarenlang vocht. Die plaatste het pand in 1985 op de provinciale monumentenlijst. Vorige maand kocht zij het pand van eigenaar Lassie, onderdeel van het Sara Lee/Douwe Egberts-concern. En het is haar archeologisch depot dat er straks onderdak krijgt. Bijna ideale omstandigheden voor de restauratie, volgens Jeroen Goudeau, beleidsmedewerker voor monumentenzorg. “De beschermer is eigenaar, opdrachtgever èn gebruiker.”

Het pakhuis hoort volgens hem thuis op de monumentenlijst. “Mercurius was het allereerst waard om beschermd te worden als onderdeel van het Lassie-complex. De vijf gebouwen, die daartoe horen, vormen met de ernaast gelegen pakhuizen de enig overgebleven industriewand in Nederland. Het was geen uniek complex, maar dat is het intussen wel, omdat de rest is gesloopt. Het was op den duur zeker een rijksmonument geworden als de provincie het niet had beschermd.”

“Bovendien wilde de provincie zo een karakteristiek deel van het Zaanse erfgoed veilig stellen. Bij deze streek denk je aan de houtbouw, de bekende huisjes, molens en schuren. Maar de stukgoedindustrie die in de vorige eeuw ontstond, hoort net zo goed tot dat verleden. En waar bevindt zich nog een complex, waar bijna elk gebouw nog de eigenlijke functie heeft.”

Over het achterterrein hangt als een deken de wat meelachtige geur van kokende rijstepap. Goudeau loopt naar de oever van de rivier. Daar slaat de wind de pap uiteen. Goudeau gebaart naar de voorgevels van de vijf 'Lassies' om te laten zien waarom zij ook uit het oogpunt van constructiebouw heel bijzonder zijn. “Je ziet hier naast elkaar de verschillende fasen in de bouwtechniek. Van een houten skelet bedekt met bakstenen tot een stalen constructie. Mercurius vormt als volledig betonnen gebouw het sluitstuk van die ontwikkeling.”

Maar hoe belangrijk was dan de architectonische waarde van de rijstpellerij? Volgens Jeroen Goudeau speelde die geen hoofdrol in de besluitvorming. “Bij dit gebouw telde het bouwtechnische en economisch-historische belang zwaarder dan zijn schoonheid.” Dat is ook de mening van Hildebrand de Boer, projetcoördinator bij het PIE. Hij pleit voor een ruimhartige kijk op jonge monumenten. “De kunsthistorie moet niet steeds de doorslag geven, maar de veel bredere culturele waarde van een pand. Alles bewaren kan niet en hoeft niet. Het gaat om de topstukken.”

Dat neemt niet weg dat Goudeau Mercurius een 'schitterend' pand vindt en ook nu nog is te zien waarom. Je moet er wel voor aan de waterkant zijn. Daar trekt de rijstpellerij namelijk haar mooiste gezicht. Statig en in de plooi door de bijna symmetrische voorgevel. Maar met een weelderige hoofdtooi: het pakhuis heeft een kroonlijst die is afgezet met Art Deco-achtige versierselen die uniek zijn binnen de Nederlandse fabrieksarchitectuur.

De andere panden van Lassie hebben veel strakkere, zakelijk vormgegeven voorgevels in baksteen. Op die ene na, 'Silo' geheten, die boven de rest uittroont. Deze 37 meter hoge graansilo van gewapend beton is gebouwd uit drie rijen van negen achthoekige cellen. Helwit geschilderd, lijkt een gigantisch verwarmingselement achter de bakstenen pakhuizen te zijn geschoven.

Mercurius, was een betere naam voor het pakhuis denkbaar? De geest van de Romeinse god van handelaars en reizigers spreekt uit de hele bouw en inrichting. Niet de werknemers stonden centraal maar maximaal rendement. Daarom werd de zogeheten paddestoelvloer toegepast. Ranke kolommen met een verzwaarde kop dragen de vloeren. Geen balken die ruimte in beslag namen en de vloeren konden een stuk dunner.

Het prachtig ruimtelijk effect van die paddestoelen wordt pas goed duidelijk op de bovenste, extra hoge verdieping. De dubbele rij kolommen, met tussen hen in een extra vloer, is daar ranker dan op de andere bouwlagen. Ze lijken zo niet op paddestoelen, maar op uitgeschoven strandparasols. Een effect dat nog verder versterkt wordt omdat het invallende buitenlicht gelijkelijk zonder slagschaduw over het plafond wordt verdeeld. De parasols staan onder een stralende, wolkenloze hemel.

Op diezelfde bovenste verdieping eindigt een rolband, die alle bouwlagen vliegensvlug verbond. Ook iets wat echt in dit gebouw thuishoort. Want was Mercurius, met vleugels aan zijn schoenen en reishoed, niet de snelste van de goden? In dit gebouw heeft Lassie zeer waarschijnlijk ook de fameuze toverrijst uitvonden: lekker snel in acht minuten en altijd een gave, droge korrel. En niet toevallig diende het gebouw later voor de produktie van cornflakes, dat toonbeeld van de Amerikaanse in-een-handomdraai-is-je-eten-klaar-cultuur.

Maar snelle winst voerde de rijstpellerij tevens tot aan de rand van de afgrond. Zoals bij zovele industriële monumenten die geen economisch nut meer hebben, begon een moeizame weg naar een nieuwe gebruiker. Dat alles aanvankelijk tegen de zin van Lassie/Douwe Egberts. Die vocht twee keer tot bij de Raad van State de aanwijzing van het pand als monument aan. Om zo de weg vrij te maken voor sloop van het pand dat in een razend tempo begon te verpieteren. De provincie gaf geen krimp en won.

Allerlei plannen werden opgesteld. Er waren verschillende projectontwikkelaars geïnteresseerd, maar alleen als het pakhuis verbouwd werd tot appartementen. Toen duidelijk werd dat dat vanwege de geluidshinder van de naastgelegen Lassie-percelen niet kon, haakten zij af. Het Zaans Museum wilde zich er vestigen. En daarna bekeek men of 'Mercurius' dienst kon doen als stadhuis voor de gemeente Wormerland. Of anders als klimwand voor bergsportliefhebbers.

Een belangrijke hinderpaal voor de vele initiatieven bleef de houding van de eigenaar, vertelt Goudeau. “Douwe Egberts zei: 'Wij verkopen niets en wij willen ook niet dat er iets naast ons komt'. En een commerciële instemming op het Lassie-terrein was al helemaal onbespreekbaar. Wij zijn er toch op blijven speculeren dat het wel kon.”

Maar monumentenzorg schrok er in het begin wel voor terug zich actief in te zetten om zo'n nieuwe functie voor het pakhuis te zoeken. “We vonden dat herbestemming niet tot onze taken hoorde. Daar had je toch project-ontwikkelaars voor? Maar na de tweede procedure voor de Raad van State gingen wij beseffen dat als je een fabriek beschermt, je ook de vraag moet beantwoorden wat je er vervolgens mee gaat doen. Een woonhuis blijft ook na de restauratie gewoon een woning. Maar wil je industriële monument behouden, terwijl de eigenaar dat juist niet wil, dan moet je zelf met initiatieven komen.”

Omdat een commerciële herbestemming onmogelijk leek, zocht de provincie in eigen kring op zoek naar nieuwe gebruikers. Het werd uiteindelijk het provinciaal archeologisch depot dat nu nog op verschillende lokaties zit. Goudeau kan zich geen betere bestemming voorstellen. “Het gebouw was een pakhuis en het krijgt die functie straks weer. Alleen gaat het dan om dozen met bodemvondsten.”

Architect Jan Boot, die het plan maakte voor restauratie en herinrichting, is het met hem eens. “De herbestemming zou voor mij niet geslaagd zijn als er appartementen in zouden komen. Dan moet je die grote ruimten, die zo eigen zijn aan dat gebouw, tot kleine hokken versnijden. Je kunt niet op zo'n geweldadige manier met de paddestoelen om gaan. ”

“Ik heb de wijdsheid van het interieur als uitgangspunt genomen. Op de tweede verdieping waar de kantoren komen - een functie die vreemd is aan het gebouw - wilde ik graag een kantoortuin maken. Maar dat wees het depot af. Ik heb nu kantoorcellen ontworpen, waarvan de wand niet aansluit op het plafond. Die tussenruimte laat ik open of vul ik desnoods met glas op. Zo houd je zicht op de constructie en het ritme van de paddestoelen.”

Op de bovenste verdieping met zijn ranke kolommen ontwierp Boot een expositieruimte. Van de ruimte tussen de kolommen maakte hij een lezingenzaal. Ook de wanden van dit zaaltje zullen niet tot aan het plafond reiken. In die wanden komen vierkante kijkgaten. “Zo klein dat je in elk geval niet de vitrines beneden kunt zien.” De zaal moet een mystieke sfeer krijgen. Een doos met gaatjes zweeft straks tussen de paddestoelen.

Gewapend met dit plan toog monumentenzorg naar de eigenaar en volgens Goudeau ging die deze keer snel overstag. “Het plan rijdt het bedrijf dan ook op geen enkele manier in de wielen. Er komt niet een ander bedrijf op hun terrein. En botten en scherven klagen doorgaans niet over geluidsoverlast.” Het bedrijf zelf wil niet terugkijken. Een woordvoerster op het hoofdkantoor in Utrecht zegt alleen dat men 'hartstikke blij' is met dit resultaat.

Mercurius biedt volgens Goudeau geen pasklaar model voor herbestemming van industrieel erfgoed. “Elk monument vergt zijn eigen aanpak. Als het depotplan was afgewezen, zou de provincie als herbestemmingspartij uitgesproken zijn geweest. Over een paar jaar tijd hadden we geen andere keus gehad dan toch slopen.”

Wel denkt hij dat de publiciteit rond de industriewand er mee toe heeft bijgedragen dat het tij voor jonge monumenten is gekeerd. “Je ziet dat bedrijven zich steeds meer gaan identificeren met hun geschiedenis. Ze gebruiken hun panden steeds vaker in logo's of reclamewerk. De werknemers voelen toch een band met zo'n gebouw, iets wat ze niet hebben bij een kolos op een nieuw gebouwencomplex.”

Hildebrand de Boer deelt dat optimisme. Het PIE is intussen vergevorderd met per bedrijfstak te bekijken wat er nog is en wat bescherming verdient. Ook stelde het bureau ondanks een plan op voor beheer en behoud van roerend industrieel erfgoed: treinen, schoenen, textiel. De samenwerking met de werkgevers wordt beter. “We beseffenen goed dat we moeten laveren tussen economische en historische belangen.” Hij heeft wel een les aan Mercurius overgehouden: “Je hebt een overheid nodig die bereid is de poot stijf te houden.”

Misschien ook al een les voor het jaar 2000 wanneer Douwe Egberts opnieuw een fabriek moet opgeven. Een echt topstuk: het Glazen Paleis, de Van Nelle-fabriek in Rotterdam, toonbeeld van het Nieuwe Bouwen, genomineerd als wereldmonument bij Unesco.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden