Pablo Escobar is altijd aanwezig

Zestien jaar na de dood van Pablo Escobar –hij zou vandaag 60 zijn geworden– is Medellín weer een gewone Latijns-Amerikaanse stad. Al laten veel toeristen de stad, met ruim tweeduizend moorden per jaar, links liggen.

Voor een dode bendeleider is Pablo Escobar nog behoorlijk levend. Het luidst hoor je hem ademen in de Barrio Pablo Escobar. In het echt heet die wijk niet zo, maar omdat niemand beter weet, staat zijn naam als bestemming op minibussen die het drukke centrum van Medellín doorkruisen.

Daar staan nog steeds de huizen die zijn betaald met het cocaïnegeld dat zijn Medellín-kartel –Don Pablo– vergaarde. Zijn naam wordt door de straatarme bewoners geroemd, zijn foto hangt er aan de muur. En zo nu en dan doet het verhaal de ronde dat iemand hem heeft gezien, levend en wel, net zo onaantastbaar als vroeger.

Escobar in je hoofd – het zijn niet alleen straatarme bewoners van de stad zelf die daar last van hebben. Zo wil het nog steeds niet lukken met het toerisme naar Medellín. De naam ’Colombia’ heeft iets van zijn vreeswekkendheid verloren – Amerikanen die eens iets anders willen dan Mexico gaan weer naar Cartagena de Indias, de vestingstad aan de Caribische kust. Maar de metropool in de diepe Vallei van Aburrá, met zijn musea, de nabije natuurgebieden en pas nog het Festival van de Humor, die laten ze links liggen. Ook al worden de snelbussen op de doorgaande wegen er naartoe nog maar zelden aangehouden door guerilla’s van het Farc of bandieten.

„Alleen Beiroet was erger”, zegt Manuel Alberto Alonso, politicoloog aan de Universiteit van Antioquia over de helletijd van Medellín. Sinds 1983 moest de staat het opnemen tegen de door drugs rijk en machtig geworden onderwereld. Het hoogtepunt daarvan is nu twintig jaar geleden.

In dat verkiezingsjaar 1989 doodde een autobom 104 mensen in het gebouw van de binnenlandse veiligheidsdienst, de DAS. De aanslag zou vooral gericht zijn tegen het hoofd daarvan, generaal Miguel Maza, maar die kwam levend uit de helft van het gebouw die nog overeind stond.

Een bom in een lijnvliegtuig van de nationale maatschappij, Avianca, kostte 107 mensen het leven. Eigenlijk had presidentskandidaat César Gaviria aan boord zullen zijn.

En een groep huurmoordenaars schoot tijdens de verkiezingscampagne van dat jaar Luís Galán dood, volgens de peilingen de aanstaande president. Dat Escobar de opdracht had gegeven, lijkt vast te staan, maar veel rond die moord is nog onduidelijk. Zo werd drie maanden geleden een voormalig hoofd van de veiligheidsdienst gearresteerd op verdenking van medeplichtigheid: diezelfde Miguel Maza.

Al die aanslagen werden opgeëist door Los Extraditables, de ’uitleverbaren’. Niet de gebruikelijke pogingen van de overheid de drugshandel in te dammen waren inzet van die bommen, maar het beleid om gevangen drugsbazen een enkele reis in een regeringsvliegtuig naar de Verenigde Staten te verstrekken. Het justitiële apparaat in Colombia was kwetsbaar voor bedreiging en omkoping – plata o plomo, geld of lood, was het standaardaanbod van Pablo Escobar aan overheidsdienaren. De VS sloot deze krijgsgevangenen in de war on drugs graag en lang op. En iedereen wist wie de meest uitleverbare van allemaal was.

Alsof Pablo Escobar hier zo weer zou kunnen terugkomen. Zo ligt een paar uurtjes rijden van Medellín, de landingsbaan van Hacienda Napoles erbij. De middenstreep zit goed in de verf, van gaten of onkruid is geen sprake, onwillekeurig kijk je om je heen of er geen verkeerstoren staat met een inderhaast opgetrommelde vluchtleider, in afwachting van de grote baas.

Maar na het uitstappen zal niet een van zijn tientallen bijzondere auto’s klaarstaan voor het ritje naar het landhuis. Die staan te verroesten onder een afdak. En het huis zelf is een ruïne. Her en der hangen foto’s en teksten over hem. Hij was, lezen de honderden toeristen die hier elke dag komen kijken, ’De Hitler van Colombia’.

Net als Hitler had hij zijn momenten. Op dit landgoed bij Doradal kon je vorstelijk worden ontvangen als Escobar dat wilde. En hij wilde: nadat hij illegaal miljoenen had verdiend ambieerde hij een plek in de bovenwereld van Colombia. Deftige sociëteiten in Medellín of Bogotá wilden hem niet als lid, dus trok hij zich terug op deze finca. En omdat het daar niet zo opviel, lieten vele politici en andere mensen met invloed zich graag uitnodigen.

Behalve lekker eten en goede gesprekken was er ook veel te zien op Hacienda Napoles: de zeldzame auto’s en andere vehikels van de eigenaar, stierengevechten in een intieme arena en niet te vergeten de verzameling exotische dieren. Die verdwenen na de dood van Escobar , op enkele nijlpaarden na die zich in het woud goed op hun gemak voelden.

Maar er streken ook andere gasten neer op die landingsbaan. Israëlische ex-commando’s die de mannen van Escobar leerden hoe ze bommen moesten plaatsen. Bondgenoten uit de drugswereld. Vanuit Hacienda Napoles werd de oorlog beraamd tegen de overheid van Colombia.

Maar dat was pas nadat Escobar even aan het burgerbestaan had mogen ruiken: met behulp van zijn bondgenoten in de politiek wist hij zich te laten kiezen als plaatsvervangend parlementslid. In de arena hangen foto’s waarop hij glunderend in de bankjes zit.

Dat die opkomst van een bendeleider een afgang voor de rechtsstaat was, bleef niet ongezegd. Minister van justitie Rodrigo Lara had in 1983 die moed. De kogels kwamen in 1984. Escobar was toen weer bendeleider en voortvluchtige.

De moorden op hooggeplaatsen of magnicidios haalden het wereldnieuws, maar in de arme buurten van Medellín zag het conflict er heel anders uit – en daar vielen de meeste slachtoffers. Uit jongeren samengestelde benden werden in dienst genomen door Escobars drugskartel. Ze beheersten in hun eigen wijk het illegale zakenleven: drugshandel, berovingen, bankovervallen en ontvoeringen. Maar ze dienden ook een groter doel: het bevechten van de staat zelf.

„Ze kregen geld voor elke politie-agent die ze doodden”, vertelt politicoloog Alonso. „De politie antwoordde met het doden van jongeren. Het was oorlog. Het was de tijd van de ’spookauto’s’, met geblindeerde ramen. Als die langskwamen, wist je genoeg. Het was politie, maar dat was overdag iets heel anders dan ’s nachts. Als reactie werden de linkse milities opgericht. Die deden eigenlijk hetzelfde, maar zij kwamen uit de eigen buurt.”

Voor altijd wankelend tussen leven en dood vind je Pablo Escobar ook in het in het centrum van de stad: in Museum van Antioquia. Je loopt er binnen langs vrolijk makende beelden van uitgedijde mannen en vrouwen: creaties van Medellíns andere beroemde zoon, Fernando Botero. Binnen, in een donkere zaal, vind je een serie kleine schilderijen waarin Botero in diezelfde stijl trieste onderwerpen uitbeeldt. De autobommen bijvoorbeeld waarmee Escobar in de jaren tachtig terreur zaaide in Medellín en in de hoofdstad Bogotá. En: La muerte de Pablo Escobar.

Een grote man staat op het pannendak van een huis en wordt door een regen van kogels doorboord. Zijn ogen zijn gesloten, een hand laat een pistool nutteloos naar boven wijzen, de andere maakt een nog veel vergeefser afweergebaar tegen de kogels. Met dat ene overblijvende standbeen lijkt hij een balletpose aan te nemen: hij sterft misschien niet als een held, maar ook niet als een hond.

De dood van Escobar volgde op een vertoning die achteraf al even bizar was als zijn kortstondige optreden in het parlement van Colombia. In 1990 werden binnen korte tijd in Bogotá tien mensen ontvoerd, leden van belangrijke politieke families. Escobars eis: de garantie dat hij niet voor drugsmisdrijven uitgeleverd zou worden aan de VS.

Nadat hij en zijn extraditables lange tijd spijkerhard tegenover de regering stonden, werd uiteindelijk een compromis bereikt. Hij gaf zich over en liet zich, voorzien van zijn eigen lijfwachten, opsluiten in een speciaal voor hem gebouwde gevangenis in Envigado, een voorstad van Medellín.

Lang hield hij het er niet uit. En de klopjacht die daarna op hem begon, duurde anderhalf jaar. Volgens de officiële versie werd hij vluchtend over het dak neergeschoten door een arrestatieteam van politie en leger, dat hem had ontdekt dankzij een onvoorzichtig telefoontje naar zijn zoon. Volgens weekblad Semana was de Amerikaanse drugspolitie, de DEA, nauw betrokken. En volgens degenen die met sympathie aan hem terugdenken, heeft hij de hand aan zichzelf geslagen, gevolg gevend aan de leus van de extraditables: Liever een graf in Colombia dan een cel in Amerika.

Behoorlijk dood is Pablo Escobar voor Jhon Restrepo (12). Hij leidt –in de schoolvakantie, verzekert hij– toeristen rond bij de Biblioteca de España, die zich met zijn donkergrijze torens als een kasteel verheft boven de Vallei van Aburrá, hoog boven de rivier, de langgerekte binnenstad, de snelweg en de moderne metro van Medellín.

„Ga met de Metrocable”, had professor Alonso gezegd. „De nieuwe kabelbaan die vanuit twee metrostations de berg op gaat. Kijk om je heen, kijk naar de stad en bedenk: tien jaar geleden had ik hier niet kunnen staan. Die Metrocable maakt het mensen mogelijk in andere delen van de stad te gaan werken.”

De hooggelegen wijken waren vroeger de natuurlijke omgeving van de benden die eerst voor het Medellín-kartel werkten, en na Escobars dood doorgingen, zelfstandig, onder invloed van paramilitairen of gelieerd aan de guerillabeweging Farc.

Maar niet alle wijken hebben een sprong gemaakt. En dus is Medellín nog steeds een slagveld van drugsbenden, waar bijvoorbeeld in augustus 1300 mensen werden vermoord, tegen 1044 in diezelfde maand vorig jaar. Het achterop rijden op een brommer is op veel plaatsen verboden, omdat het de favoriete manier is om een snelle aanslag te plegen. De stadsregering heeft een nieuw veiligheidsoffensief afgekondigd, bezorgd dat de Zuid-Amerikaanse Spelen volgend jaar maart zullen plaatsvinden in een stad die bezet lijkt.

De verslechtering in de situatie heeft opnieuw te maken met een uitlevering, zegt Alonso. „De laatste jaren, in 2007-2009 was Don Bernal de belangrijkste drugssmokkelaar. Met zijn gang naar de VS zijn de illegale markten ’geliberaliseerd’. Er zijn weer meer berovingen en ’veiligheidsheffingen’. In 2008 en 2009 zijn er vele kleine groepen maffiosi die strijden om territorium, en je ziet het aantal doden weer stijgen.”

„In feite is de situatie dus beter als een grote bende het voor het zeggen heeft”, stelt Alonso. „Die doet daarmee ironisch genoeg hetzelfde als de staat: die hoort het geweldsmonopolie te hebben, en als ze dat afdwingt, is het óók rustig en veilig.”

„Maar dat de staat die rol helemaal zal overnemen is in Latijns-Amerika een illusie. Hier is de staat er nog nooit in geslaagd de hele maatschappij te vertegenwoordigen. Ze moet altijd onderhandelen over haar invloed. Wie er anders over denkt, denkt Europees. Of eigenlijk: West-Europees. Want in de oude Europese landen gaat het niet anders. Voor ons hier in Latijns-Amerika is dit de normale situatie. En Medellín is na de dood van Pablo Escobar een normale Latijns-Amerikaanse stad geworden.”

Op een gewone vroege ochtend hoog op de berg, zonnig als bijna altijd in Medellín, lijkt dat zo vreselijk nog niet. Bussen wringen zich door de nauwe straatjes, een colonne muilezels brengt kisten groente naar beneden.

Jhon Restrepo houdt van zijn wijk. Vooral van de Biblioteca España. Want daar vindt hij boeken en computers, zegt hij, die nodig zijn om zijn huiswerk te maken. „En als ik van school kom, wil ik politieman worden. Nee, dat is niet gevaarlijk. Ik ben nu wel klein, maar dan niet meer.”

Echt dood blijkt Pablo Escobar Gavíria onder de zoden van Montesacro. Dat is de grote begraafplaats die uitkijkt op Itagüi, een gemeente aan de rand van het stedelijk gebied van Medellín. Het is er niet eenzaam. Om de tien minuten komt er iemand langs om even te kijken naar de laatste rustplaats van de drugsbaas, moordenaar, weldoener.

Faber Giraldo bijvoorbeeld, een jongen van een jaar of twintig die met een paar vrienden voor een begrafenis naar Montesacro kwam. „Ik begrijp wel dat mensen voor hem gingen werken. Je verdiende er goed mee. Maar een oom van me waarschuwde me: je stapt er gemakkelijker in dan uit. Hijzelf werkte voor Escobar, het is zijn dood geworden. De meerderheid van de jongeren in Medellín nu maakt diezelfde keus. Ze zijn slecht. Geef ze 25 dollar en ze schieten je dood. Het zal ooit wel beter gaan. De Metrocable heeft veel goed gedaan, en die zijn ze aan het uitbreiden. De politie is veel beter geworden. Maar goed ook, want als je bij de politie niet meer terecht kunt, dan houdt het toch op?”

En dan is het graf weer even verlaten. Hij heeft een mooie plek, Don Pablo overleden op 2 december 1993, daar heeft zijn geld wel voor gezorgd. Het is vlak naast de aula. Door de ramen moeten de familieleden van elke gewone overleden zondaar wel kijken naar zijn steen en het laatste woord dat hij daarop heeft: „Zie je een goed mens, probeer hem na te volgen. Zie je een slecht mens, onderzoek dan jezelf.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden