Paars schept klimaat van behoudzucht

Volgens de oude Grieken was het zaak juist in tijden van voorspoed en welvaart het gevoel voor het tragische te behouden. In het licht van die wijsheid mogen we ons gelukkig prijzen met een minister-president als Wim Kok, die met zijn doorgroefd gelaat en licht gekromde houding bijna als vanzelf dat gevoel tot leven wekt. Als geen ander in Den Haag verbeeldt hij de matigheid en behoedzaamheid. In huis-tuin-en-keuken-termen termen blijft hij de boer die als de zon schijnt wantrouwig de lucht afzoekt. Geboren en getogen in de polder, waar je plotseling natte voeten kunt krijgen, is hij bij uitstek de figuur om het volk te manen alert te blijven en te waken voor zelfgenoegzaamheid. Misschien paste hij als politicus beter bij de magere jaren, toen we de broekriem moesten aanhalen, maar nu de vette jaren zijn aangebroken kan hij tegenwicht geven aan degenen die zich onmatig en onoplettend aan de overvloed willen laven. Gevangen in zijn blik kunnen we het gevoel voor het tragische onmogelijk vergeten. Maar tegelijk schuilt er in die wisselwerking iets verraderlijks.

Kok is in de politieke arena 'van zijn schouderen en opwaarts hoger dan het volk', waardoor hij gemakkelijk het zicht op zijn omgeving en daarmee op veranderingen wegneemt. Een van die, bijna sluipende, veranderingen is de wisseling van de generaties aan het Binnenhof. In de directe omgeving van de zestiger Kok, in de Trêveszaal, bestaat het ministersgezelschap al bijna voor de helft uit vertegenwoordigers van de babyboom-generatie. Jorritsma, Van Aartsen, Zalm, Van Boxtel, Herfkens en De Grave zijn allen welvaartskinderen van na de oorlog, net als alle veertien staatssecretarissen. Zij herinneren zich hooguit nog het sobere bestaan in de jaren van de wederopbouw, maar hebben sindsdien overwegend voorspoed en vooruitgang gekend. Bovendien maken ze deel uit van de generatie van de ontzuiling, ontkerkelijking en individualisering.

De politieke uitdrukking van die processen is terug te vinden in de gestage groei van de VVD, een seculiere partij die individuele ontplooiing vooropstelt, en in de nog relatief sterke positie van de PvdA, die de afgelopen jaren uit lijfs- en machtsbehoud haar ideologische veren heeft afgeschud en zich heeft getransformeerd tot een modieuze verkiezingslijst, bevolkt door jonge randstedelijke professionals.

Deze verandering kan van betekenis zijn nu in Den Haag in alle hevigheid het politieke debat is losgebarsten over 'publieke armoede temidden van particuliere rijkdom'. Het beeld komt uit het boek The Affluent Society van John Kenneth Galbraith uit de jaren vijftig. De Amerikaanse econoom beschrijft daarin het fenomeen van een tweedeling in de samenleving, doordat de tevreden fortuinlijke middenklasse steeds minder bereid is belasting te betalen, die vooral ten goede komt aan de arme onderklasse. Politici zullen zich bij dat gegeven steeds meer richten op de wensen van de middenklasse, omdat daar hun kiezers zitten, en steeds minder op de behoeften van de hele gemeenschap, waardoor de minder bedeelden zich van de politiek afkeren. Koks voorganger Joop den Uyl introduceerde Galbraiths denkbeelden in de jaren zestig in Nederland en ontleende er zijn politieke missie aan, bekend geworden onder het prozaïsche motto 'de boel een beetje bij elkaar houden'. De toevoeging een beetje gaf de noodzakelijke relativering aan, want Galbraith beschreef in zijn boek in de eerste plaats wat hij in zijn eigen land waarnam. In zijn in de jaren negentig verschenen vervolg The Culture of Contentment, de cultuur van tevredenheid, stelde hij vast dat West-Europese landen als Nederland er dankzij hun sociale wetten in geslaagd zijn het grootste deel van de bevolking de 'tevreden meerderheid' binnen te loodsen en zo een tweedeling te voorkomen.

Een bewijs dat de maatschappelijke verhoudingen hier vergeleken bij Amerika minder scherp zijn, is dat de opkomst bij landelijke verkiezingen nog altijd behoorlijk hoog is. Daaruit kan worden afgeleid dat de meeste Nederlanders menen dat zij van de politiek iets kunnen verwachten, al was het maar -dankzij het stelsel van evenredige vertegenwoording- een proteststem in het nationale debat. In de Verenigde Staten met hun twee-partijenstelsel is het aantal mensen dat zich van de politiek heeft afgekeerd zo groot, dat Galbraith vraagtekens plaatst bij het democratisch gehalte van zijn land. Het is in elk geval geen democratie waar de hele bevolking deel aan heeft.

In dat licht kan het als wereldvreemd of gekunsteld worden ervaren dat de 'publieke armoede' zo hoog op de Haagse agenda is terechtgekomen, zeker nu het geld nauwelijks op kan en het kabinet de omvang van de publieke investeringen in deze regeerperiode heeft opgeschroefd. Maar bij nader inzien is het niet zo vreemd. Afgemeten aan de particuliere welvaartsgroei is Nederland onder het paarse bewind koploper geworden, tegelijk zijn de inkomensverschillen vergroot, voor een deel doelbewust. In schril contrast daarmee staat de verwaarlozing van publieke sectoren, zoals het zorgcircuit met zijn lange wachtlijsten en gebrek aan handen, en het onderwijs, waar scholen vanwege de tekorten hun financiële toevlucht nemen tot McDonald's, Nike of Coca-Cola. Die verslonzing wijst erop dat toch het fatale mechanisme van Galbraith in werking is gezet, dat politici zich meer en meer naar de welvarende middenklasse richten.

Daarbij kan een rol spelen dat de nieuwe dominante generatie op het Binnenhof bestaat uit mensen die ervan overtuigd zijn dat zij hun status en positie op eigen kracht en dankzij hun individuele talenten en vaardigheden hebben bereikt. Dat is een wezenlijk verschil met de politici van de generatie-Kok, die naar voren zijn gekomen uit de grote politieke emancipatiebewegingen in de vorige eeuw en die door de ervaringen in crisis- en oorlogsjaren het gevoel voor het tragische nooit hebben verloren. Voor hen stond de noodzaak de boel bij elkaar te houden als het ware in hun politieke ziel gekerfd. Daar komt bij dat het CDA van het regeringstoneel is verdwenen. Door hun bemiddelende rol tussen kapitaal en arbeid droegen de christen-democraten in de tweede helft van de vorige eeuw sterk bij aan gematigde verhoudingen in de Nederlandse samenleving. Dat zij beurtelings met VVD en PvdA regeerden is vaak negatief uitgelegd, maar komt misschien straks in aanmerking voor een positieve herwaardering.

Het lijkt erop dat de PvdA die centrale rol in de politiek van de christen-democraten heeft overgenomen, maar het is nog te vroeg om vast te stellen hoe bestendig die positie is. Door het ontbreken van de oude interne dynamiek is ook nog onduidelijk in welke richting de partij zich zal ontwikkelen. Af en toe wekt zij de indruk rijp te zijn voor fusie met de liberalen. Een trek richting christen-democratie is niet waarneembaar.

Onder Kok is het aantal zetels ter linkerzijde van de PvdA gegroeid van drie tot zestien. Dat enorme verlies aan GroenLinks en SP kan worden gezien als de prijs voor het regeren, maar dat neemt niet weg dat in de PvdA de vraag zal opkomen wanneer de kritische grens is bereikt. De satellieten op de linkerflank zullen zeker verder groeien als de sociaal-democraten in hun verbeten electorale strijd om de eerste positie met de VVD nog meer knievallen voor de cultuur van tevredenheid maken.

In de afgelopen jaren heeft de PvdA zich nauwelijks minder dan de liberalen een geharnast beschermer getoond van het eigen huis, de auto, de portemonnee en zelfs het vermogen van de bemiddelde burger. De hoge economische groei maakt het weliswaar mogelijk nu ook forse investeringen in het publieke domein te doen, maar de miljarden guldens die sinds 1994 dankzij de liberale Zalm-norm naar de middenklasse zijn gesluisd, zullen de komende jaren niet zonder (politieke) gevolgen blijven. De mogelijkheden van burgers om eigen, commercieel aangeboden zorg, veiligheid en onderwijs te kopen, nemen toe en zullen de bereidheid om geld voor publieke voorzieningen op te brengen er niet groter op maken. Die bereidheid komt nog verder onder druk te staan als er magere jaren aanbreken en de aangegane financiële verplichtingen zwaar gaan drukken. Dit is geen zwartgallige oppositietaal. In hun zorgnota waarschuwen minister Borst en staatssecretaris Vliegenthart van volksgezondheid voor zo'n ontwikkeling.

Politiek gesproken heeft de PvdA met het paarse avontuur geïnvesteerd in een klimaat van behoudzucht, waarvan de VVD straks het sterkste zal profiteren. De liberalen hebben door de jaren heen zonder scrupules op het platte materiële belang van de fortuinlijke burgers ingespeeld. De grote politieke vraag op dit moment is of de PvdA zich hierin verder zal laten meetrekken of tijdig zal besluiten de bakens te verzetten. Wat anders gesteld is de vraag in hoeverre de sociaal-democraten het gevoel voor het tragische hebben weten te behouden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden