'Paap heeft al die mensen in stukken willen scheuren'

Het Algemeen Handelsblad van 27 december 1897 bracht het gewone nieuws: Atjeh, een vergadering van de socialisten van Domela Nieuwenhuis, rumoer in het Franse parlement.

Het vriest al enige tijd. Morgen zijn er in Zwolle hardrijdwedstrijden op de schaats. Het is fris in het grote huis aan de Keizersgracht. Willem Paap 'ging de trappen af, de gangen door, kwam in de tuinkamer, waar in het midden op de tafel het ontbijt stond. Zij was groot en vierkant, de tuinkamer (..) Twee brede ramen waren er, even breed als zij hoog waren (...) Door de ramen zag je een bos van bomen, de tuinen (...) achter de bomen, aan de overkant, de sobereffene achtergevels van de huizen der Herengracht. (Vincent Haman) Het jaar 1897 loop ten einde en, Paap weet het zeker, het volgende jaar zal hem roem als schrijver brengen: zijn satire op de vrienden van De Nieuwe Gids komt eraan.

De advocaat en schrijver W.A. Paap haalt in 1898 met zijn sleutelroman Vincent Haman inderdaad fel uit. Moest twee jaar eerder in zijn Jeanne Collette de Amsterdamse bankier en weldoener A.C. Wertheim het ontgelden, in Vincent Haman is de schrijver Lodewijk van Deyssel het slachtoffer. Met Van Deyssel wordt de beweging van Tachtig, die Paap als redacteur en oprichter van De Nieuwe Gids, goed kende, publiekelijk te kijk gezet. Dat kwam hard aan. Jan Hofker, zelf een van De Nieuwe Gidsers, schreef aan zijn vriend de schilder Willem Witsen: “Het is een brutaal, verwoed, nijdig, hatelijk en grof boek. Paap heeft al die mensen in stukken willen scheuren en hun werk bespogen. Het is zoveel als litteraire uitmoording”.

Negatief oordeelden ook de heren critici. Dezelfde heren, die nog niet zo lang geleden de Tachtigers fel bestreden, trekken nu met hen een lijn. De rijen worden gesloten. Zie je wel, hoor je Paap roepen: “Wat ik toen dit boek geschreven werd, daarin profeteerde, is letterlijk uitgekomen: de Vincent Hamans van '80 wandelen arm in arm met wie zij voorheen aan hun laars lapten, op de letterkundige straten van Nederland.”

Ondanks, of juist dankzij de kritiek was de eerste oplage van Paaps sensatieroman snel uitverkocht. Het grote publiek werd immers een kijkje in de keuken van Tachtig vergund door een koksmaat die, zij het korte tijd, in de potten had mogen roeren. Daarna blijft het tien jaar stil rond het boek en wordt de tweede druk uit 1908 verramsjt. Er bestond geen belangstelling meer voor de wereld van Tachtig, totdat in de jaren dertig Menno ter Braak aandacht vroeg voor de vergeten roman die hij aanprees als een 'modern boek. Dat is het nog steeds. Want Vincent Haman is meer dan alleen een boek over de Tachtigers, of over het leven van Lodewijk van Deyssel. Paaps satire is ook de saga over de schrijversfamilie Haman, met drie generatie schrijvers: Godevaert de vader, Vincent de zoon en Jules de jongere neef. Daar tussendoor speelt de liefdesgeschiedenis van Vincent en zijn achternichtje Esther Luzac. Ten slotte gaat het over woordkunst en navertellen, over seksuele moraal en Amsterdam. Maar bovenal is het een geestig boek. Dat maakt Vincent Haman anno 1998 ook zo lezenswaard.

Paap heeft er nooit een geheim van gemaakt dat zijn personages naar het leven zijn getekend. Maar, stelt Paap: “Wie (...) meent, dat met de personen in dit boek levende personen zijn bedoeld (...) die begrijpt van de groote breede strekking van dit werk niemendal. Of zij er op lijken is een totaal andere vraag! En daaraan zij nog toegevoegd: (...) wie niet naar modellen werkt, zal nooit een kunstwerk scheppen.” Wie waren dan Paaps modellen? Allereerst Karel Alberdingk Thijm, beter bekend als Lodewijk van Deyssel. Hij stond model voor Vincent Haman, Paaps belangrijkste personage. Verder Van Deyssels vrienden en bekenden: Willem Kloos als Moree, de latere socialist Frank van der Goes als Floris van Wheele, de schrijver-chemicus Van Deventer als Dr. Fleutge. André Jolles is Jules Haman. De Milde? Dat is Hein Boeken. Naar andere schrijvers en schilders was het nog wel eens raden voor Paaps lezers in 1898. Vooral als het om de oudere generatie ging. Met De Wilde zal wel Ten Brink zijn bedoeld en de oude Thijm, vader van Lodewijk van Deyssel, komt er als Godevaert ook in voor. En of ze erop lijken! Van Deyssel, Kloos, Van der Goes, Van Deventer, Boeken en al die anderen.

“In die dagen woonde in een afgelegen buurt op een behangsel-papieren kamer van de recht-statige Pijp de jonge Moree, een vijftal jaren ouder van Vincent. (...) Hij had enige sonnetten gepubliceerd. (...) Moree was student in de letteren, liep geen college, las veel in een beperkt aantal auteurs(...) tot diep in de nacht las hij (...) van het leven zag hij niets dan zijn kamer bij lamplicht.” Dat kan niet missen: Kloos. Zo kennen we hem ook uit Van Deyssels Gedenkschriften.(1924) “Kloos was student. Hij was echter niet een gewone student, doch een dichter, die toevallig ook student was. (...) Hij was dichter. Dat was hij en hoefde hij niet te worden. (...).”

Op 22-jarige leeftijd ontmoette Frank van der Goes, die toen al geruime tijd toneelkritieken schreef, de ook van het toneel gecharmeerde Van Deyssel. Zo precies vertelt Paap in zijn Vincent Haman de werkelijkheid na. “De twee jongelui, want ook Floris van Wheele was jong, twee en twintig jaar - (...) ontmoetten elkaar in de theaters bij premières, in de koffiekamers, in de cafes.” Voelde Paap voor de figuur Moree nog enige sympathie , Floris van Wheele werd, net als Vincent Haman, niet meer dan een karikatuur. Van Wheele was weliswaar 'van beschaafde familie', maar schrijven kon hij niet. Hij was in staat om 'op de vraag 'Floris, hoe laat is 't?' een artikel te schrijven van twintig pagina's druk. Je las het artikel; hoe laat het was, je kwam in een soort roes; in een dreun, in een draaierige dreun (...) geen enkele uit de soes opwekkende verrassing was er in 't hele stuk. Behalve aan 't eind: daar was je inderdaad verrast, want je vroeg met verwondering: waarom gaat die man niet door, waarom scheidt hij nou uit?”

Waaraan verdiende Van der Goes dit? Het is alsof Paap wraak neemt. Dat doet hij ook. In september 1885 schreef Van der Goes aan Van Eeden, over hun mederedacteur van De Nieuwe Gids: “Wanneer Paap deze ontzettende langdradige verhandeling op een vergiettest zet, en er het water uit laat loopen, en vervolgens de lange draden goed uitwringt, tot het een massa is geworden van * een vel druks, en het opstel dan betitelt Taalfouten, of zo iets van die kracht, acht ik het geschikt om in de tweede of derde aflevering geplaatst te worden.” Deze kwalificatie bleef natuurlijk niet geheim. Kwaad trok Paap zijn bijdrage in, dertien jaar later slaat hij terug.

Wie verder? Dr. Fleutge “met een uitgerafelde broek over schoenen, die nooit gepoetst waren, de tenen naar binnen, die navertelde wat hij bij de Duitsers over Plato had gelezen, en om gewicht aan het standje te geven, beweerde dat je daar in geen dertig jaar mee klaar kwam. Dr. Fleutge floot altijd, het was een vrolijke kerel.” Dit kan alleen de Nieuwe Gidser Charles van Deventer zijn. Want Van Deventer was berucht om zijn onverzorgde kleding.

En dan natuurlijk Hein Boeken met z'n drank. Hofker schrijft in zijn brief aan Witsen: “Hein komt er ook in, maar met een slecht weergegeven uiterlijk; alleen om van hem te zeggen, dat hij dom is en dat verbergt door met de lachers mee te lachen, en om te zeggen, dat hij Willem in alles meegaat, ook in een glaasje pakken (dit laatste heel even aangegeven; bon entendeur enz.).”

Hoe reageerden de modellen op Paaps sensatieroman? Lodewijk van Deyssels verhaal is inmiddels bekend. Hij heeft altijd ontkend het boek gelezen te hebben tot hij het 'toevallig' in 1939 in handen kreeg. De waarheid is een andere. Al in 1899 zette hij zich aan het schrijven van een recensie. Een recensie die hij niet zal voltooien. “Het misverstand van de Heer W.A. Paap is zoo triest, triest. De verachting, die hem treft is waarlijk onverdiend, en ik gevoel mij genoopt, - ofschoon, naar mijn mening, de boeken van de Heer Paap niet onder het bereik der letterkundige recensie zijn - iedere eerlijken man te verdedigen. De Heer Paap is niet zo gemeen als hij er uit ziet; hij onderscheidt zich alleen door ongelooflijk gebrek aan scherpzinnigheid in zaken der letterkunde (...).” Van Deyssel forceert zich tot objectiviteit. Tevergeefs. Hij maakt zijn verhaal niet af.

Kloos kwam met een felle publieke reactie. Zijn recensie loog er niet om. Paap is een leugenaar met “zijn satyrisch smalende verdraaiing van personen en feiten, die ieder, gelukkig! zelf nog aan de levende werkelijkheid kan toetsen”. De andere modellen reageerden eigenlijk niet. Zij zeurden wat tegen elkaar. Van der Goes, prominent aanwezig in het boek, zweeg. Van Paaps boek raakte hij alleen maar gedeprimeerd. En Van Deventer? Op 27 december 1898 schreef hij, vanuit het verre Weltevreden (Batavia), aan Albert Verwey, naar wie men, en dat geldt ook voor Frederik van Eeden, in Vincent Haman tevergeefs op zoek gaat, een opgewonden brief: “Ik zie dat Kloos, het volgens recensies, infame boek van Paap heeft besproken. Inderdaad schijnt het mij moeilijk het ongelezen te laten. Paap zal bij velen, die half op de hoogte zijn, een onjuist - en dan zeer onjuist - begrip over de N.G. kring brengen, en mag men dat dulden? (...).” Frans Netscher zet Paap weg 'als een huisknecht die bij de 'grote lui' heeft gediend, en na weggejaagd te zijn, gaat kwaadspreken van meneer en mevrouw, de gasten, de keuken en de wijnkelder, en zich wreekt door allerlei geheimpjes over te brieven.' Netscher kon gemakkelijk lollig doen, hij deed in Vincent Haman niet mee.

Voor Van Deyssel lag dat wel anders. Niemand is zo hard aangepakt als juist hij. De schrijver Lodewijk van Deyssel was voor Paap niet alleen de exponent bij uitstek van verwrongen woordkunst, ook de persoon Van Deyssel was hem door diens hautaine en geaffecteerde houding, Antipathiek. Maar onvergeeflijk was voor de schrijver van Vincent Haman, Van Deyssels bejegening van Paaps held Eduard Douwes Dekker, oftewel Multa-tuli.

In een interview in De Telegraaf, het is december 1908 en de tweede druk van Vincent Haman is inmiddels een feit, merkt Paap over Van Deyssels bizarre en verwrongen woordkunst op: “Men schrijft tegenwoordig volgens een kinderachtig kunstje, door de heer Van Deyssel in de mode gebracht”, en in datzelfde interview met D' Oliveira, vervolgt Paap: “(...)en wat wij in de geschiedenis herhaalde malen hebben zien gebeuren met geloofs - en andere psychische zotternijen, dat zien wij hier in het klein met de literatuur - zotternij: het wordt een epidemie, of zegt men tegenwoordig epidemie? (...) De tijd, dat alle Nederlandsche boeken, of liever: alle boeken in Nederland, die geschreven zijn in die artistieke kwajongensteut van den schoonheidspastoor Van Deyssel zullen worden beschouwd als iets absoluut bespottelijks, kan niet uitblijven.”

In Vincent Haman zette Paap zijn aanval op dat proza in: “Zo begon het geschrijf met werkwoorden in de infinitief; het weglaten van hulpwerkwoorden; het omzetten der woorden van de zin om klankgehalte in de fraze te krijgen; een gesmeed van nieuwe woorden honderdvoudig te groot voor de zaak.” “De zon schijnt op de daken”, wordt “Zon op daken schijnen”.

Naast die vreselijke woordkunst vond hij, zoals gezegd, de man eenvoudig onsympathiek. En dat was wederzijds. Al in juli 1886 typeerde Van Deyssel hem als 'den dwazen Paap'. Hoe Paap over Van Deyssel dacht, is te lezen in Vincent Haman. Van meet af aan was het mis met de jongen: “Na de rampzalige opvoeding die hij had gehad, kon er nog een dwaasheid gedaan worden: men kon het schrijfsel van het kind laten drukken, hem de noodlottige verbeelding geven dat het iets was.” Toen Godevaert, de vader van Vincent, 'ook die dwaasheid begaan had, was er van het kind, reeds van nature weerbarstig tegen opvoeding, tegen orde en logica, een zo sterk gevoel van eigenwaarde gekomen, dat elke verdere poging tot tussenkomst in zijn automatische groei zeker op zijn pedanterie zou zijn gestuit.'

Willem Paap, afkomstig uit een zeer eenvoudig milieu, heeft met een mengeling van jaloezie en afkeer gekeken naar de pedante Van Deyssel die de dandy speelde en alles en iedereen bespotte. In dat opzicht deed de verwende Vincent, die op de Hamannen schold, voor Van Deyssel niet onder. “Hij haatte die zotkappen (...). Hij haatte, wie daar zeiden dat hij een kind was. Het recht en de waarheid wilde hij: het recht om die zotkappen te zeggen dat hij hun meerdere was. Maar het uur der vernieling was nabij. Als hij nu nog stamelde, dan was 't omdat hij te veel te gelijk te zeggen had. Maar hij voelde ze groeien in hem, de woorden van haat.” Hier haalden ze even uit, Van Deyssel en Haman, naar professor Jan ten Brink, alias De Wilde.

Vincent Haman, net als zijn alter ego een dandy, verzoent zich op het eind van het boek met zijn familie: de schrijvende Hamannen. Van Deyssel laat zich, en dat is een van de vele parallellen die Paap tussen Van Deyssel en Haman trekt, zowel door zijn bestrijders als epigonen fêteren. Maar daar over straks. En dan het gedrag van beide heren: “Hij parfumeerde zich als een coquette, zijn haren, zijn zakdoek, zijn kleren (...).” Van Deyssel ging er prat op zich zo te manifesteren: “Ik parfumeer mij”, schreef hij in 1888, “ook werkelijk zeer sterk, ofschoon niet zoveel meer als vroeger, tegenwoordig gebruik ik alleen Jockey Club.”

Natuurlijk stond Paap, die het Gronings accent nooit afleerde, veraf van de geaffecteerde Van Deyssel. Natuurlijk moest hij, leerling van Multatuli en begiftigd met een satirisch talent, niets hebben van Van Deyssels bizarre en verwrongen woordkunst. Maar dat Van Deyssel zich keerde tegen Paaps held Eduard Douwes Dekker, eerst in De Amsterdammer en later in boekvorm, dat was voor Paap onverteerbaar. Dat nam Paap hem kwalijk. Vooral daarom werd Van Deyssel het model voor Paaps anti-held Vincent Haman en was het boek opgedragen 'Aan de nagedachtenis van Multatuli'.

De tegenpool van Vincent Haman is Esther Luzac. Zij is het achternichtje van Vincent en professor Luzac is haar vader. Model voor Luzac stond de classicus Naber. Kloos, Perk en Paap volgden colleges bij hem. Dat beviel allerminst. De man was saai. Colleges gingen vooral over grammaticale kwesties. Paaps portret van Naber is scherp en zeer natuurgetrouw: 'die van het grieks met de glasoogjes (...) deed alleen grieks, beweerde dat hij alleen las, wat ouder was dan tien jaar.' ''t Was een klein mannetje met omvangrijke billen, en in het rond hoofd leken de groenige ogen of ze van glas waren.'

Maar wie stond model voor Esther Luzac? Dat wist Hofker weer: “De vrouw in 't boek is Esther (Saar de Swart dunkt me)”, schreef hij in zijn al eerder aangehaalde brief aan Witsen. Saar de Swart, een beeldhouwster, was in de vriendenkring van Tachtig geen onbekende. Veel van haar kunstenaarsvrienden, ook Willem Kloos, waren verliefd op haar. Tevergeefs. Getrouwd is zij in haar lange leven - zij overleed op 90-jarige leeftijd op Capri - nooit. Wel had zij langdurige vriendschappen met vriendinnen. Een reactie van haar op het boek kennen we helaas niet.

Met Esther belanden we in het tweede gedeelte van het boek. Het is acht jaar later in de roman en de ouders van Esther zijn gestorven. Zij woont alleen in het grote huis aan de Keizersgracht. Vincent die, samen met zwarte Jet uit een café chantant, lange tijd buiten de hoofdstad verbleef - Van Deyssel in Houffalize (B) en Bergen op Zoom - keert berooid naar Amsterdam terug. Als Esther hem bij toeval in de stad treft, draagt hij, als een Sjaalman, onder zijn arm een kistje. 'Wat heb je in dat kistje, vroeg Esther. /Copie./Gut, copie? Wat voor copie?/ Een boek over Multatuli.''/

Willem Paap: “Er komt in mijn werken geen persoon voor - of het moet een heel onnoozel briefdragertje wezen - waar ik geen model voor heb gehad. Maar... ik schrijf heus niet om persoonlijk te zijn. Ik weet alleen dit: maak ik personen uit mijn hoofd zonder modellen, dan worden zij niet levend. Behalve natuurlijk, wanneer ik lyrisch word, maar dan ben ik toch mij zelf tot voorbeeld.” Zo is Paap zelf ook een van de modellen, of beter gezegd, deel van het model Esther Luzac. “Esther, die dagen was in haar element; zo een karweitje bedisselen voor kunst, voor artisten, de heren inmiddels een heel klein beetje uitlachen onder de hand, was haar een genot.”

Hoe zat de werkelijkheid dan in elkaar? Wij schrijven het jaar 1894. De Nieuwe Gids gaat aan onderling gekrakeel en wanbeleid ten onder. Willem Anthony Paap, eertijds zo succesvol opererend bij de oprichting van het tijdschrift, wordt gevraagd bij de 'doorstart' te bemiddelen. In datzelfde jaar willen Van Deyssel en Verwey een nieuw tijdschrift beginnen. Ook zij treden voor de zakelijke afhandeling in contact met Paap. De Tachtigers van weleer zijn opnieuw bijeen. Paap mag weer zijn kunstje vertonen. Hij was weer een van hen, zonder ooit werkelijk tot hun groep te behoren. Een lot dat hem wel vaker trof in zijn leven tussen Winschoten (21 oktober 1856) en Zeist (10 januari 1923).

Met trots meldt Paap in zijn voorwoord bij de tweede druk dat zijn voorspelling uit 1898 is uitgekomen. Het is een pot nat in schrijvend Nederland. “De Vincent Hamans van '80 wandelen arm in arm met wie zij voorheen aan hun laars lapten.” “Zij waren in een aangename stemming daar in de late September-namiddag. Want straks tegen zessen zouden zij op het diner bij Joris Haman zijn, het diner ter viering van het eerste nummer der Revue, dat onder redactie van ouderen en jongeren gezamenlijk enige dagen geleden was uitgekomen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden