P. N. van Eyck kende gegeven 'Tuinman en dood' via Marsman

De auteur is Neerlandicus en voormalig conrector van de Haagse Leergangen.

Inderdaad vindt men bij de eerste publikatie in de almanak Erts van 1926 (blz. 72) geen bronvermelding. Maar in de 'Aantekeningen' bij Herwaarts, de dichtbundel waarin het gedicht later werd opgenomen (2e druk 1949) noemt Van Eyck het wel een “bewerking van een Perzische legende”.

Franke ontdekte voor zichzelf en voor ons, dat de bron voor het gedicht de roman Le grand écart (1923) van Jean Cocteau moet zijn geweest, waarin het verhaal over de tuinman die vlucht voor de Dood zonder bronvermelding werd opgenomen. Franke: “ik houd het erop dat Van Eyck, die goed Frans sprak en las, Cocteau halverwege de jaren twintig heeft gelezen en er vrijwel onmiddellijk een gedicht van heeft gemaakt.”

Franke is met een wijde boog tot zijn ontdekking gekomen, via de verhalenbundel Obabakoak of het ganzenbord van Bernardo Atxaga, de film Targets van Peter Bogdanovitch (1968) en Cuentos Breves Y Extraordinarios van Borges (1953), die naar Cocteau verwijst. Frankes ontdekking was echter reeds vanaf 1968 bekend door de publikatie van De briefwisseling tussen P. N. van Eyck en H. Marsman in de reeks 'Achter het boek' van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum.

Daaruit blijkt, dat Van Eyck een concept had geschreven van een brief aan Marsman dat echter om onbekende redenen niet in de definitieve brief van 18 januari 1926 werd opgenomen (blz. 30-32). Van Eyck schrijft daarin, dat hij het verhaal van Cocteau had leren kennen uit een kritiek van Marsman zelf, getiteld Over Roel Houwinks novellen, in De Vrije Bladen van 1924 (herdrukt in: Jaap Goedegebuure, Op zoek naar een bezield verband, tweede deel, 1981, blz. 290-294). Daar staat inderdaad het verhaal, letterlijk uit Le grand écart overgenomen.

Het concept is in verband met Frankes aantijging om meer dan één reden interessant. Van Eyck gaat in tegen een karakterisering door Martinus Nijhoff in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 9 januari 1926 (herdrukt in Martinus Nijhoff, Verzameld werk II, 1982, blz. 378-382) als “P. N. van Eycks uitstekende strofische weergave van de bekende Perzische legende 'De tuinman en de dood', die wel in geen bloemlezing meer ontbreken zal”.

Tegen de bewoordingen 'strofische weergave van de bekende Perzische legende' maakt Van Eyck bezwaar. Er 'bestaat' namelijk geen legende 'De tuinman en de dood', want hij koos de titel uit drie mogelijkheden. Voorts gaat het niet om een 'bekende' legende, en dan vermeldt hij de bron, Marsmans kritiek: “ik dank het gedicht dus aan U.” Maar hij heeft het vooral niet begrepen op de uitdrukking 'strofische weergave', waaruit het voor hem duidelijk is dat Nijhoff de bron kende uit Marsmans kritiek en/of het boek van Cocteau.

Hij concludeert uit deze karakteristiek twee dingen - en nu citeer ik met het oog op Frankes beschuldiging van plagiaat Van Eyck uitvoerig en letterlijk -, namelijk, dat Nijhoff:

“1. niet heeft willen zeggen dat het een autochthoon gedicht is.

2. de beteekenis van mijn creatief aandeel, en dus de persoonlijke beteekenis der niet geloochende 'voortreffelijkheid' zoo klein mogelijk heeft willen houden. Een gedicht, dus, mocht het niet zijn. Maar is het een weergave? (Natuurlijk zijn vele dichterlijke meesterwerken niets anders dan bewerkingen van oude stoffen.) Nijhoff weet vanzelf, dat de legende alleen in Cocteau staat. (En in Vrije Bladen.) Om van een weergave te mogen spreken, zou hij dus vergeleken moeten hebben. Doet men dat, dan ziet men, dat C. een vertelling geeft, en dat alle details, in keuze, en rangschikking door de verhaalvorm bepaald worden. Ik daarentegen heb er directe actie van gemaakt, en dát is het gedicht van begin tot eind geworden.

Daartoe heb ik het (bij Cocteau natuurlijk afwezig) ruimte moeten geven. Ik heb dat, zoo sober mogelijk, bij middel van suggestie gedaan, door de woning, de rooshof, het cederpark te introduceeren. Maar ook de tijd is essentieel. Ik heb daarom het zwakke plekje van Cocteau: 'par miracle' geschrapt, en het tijdsverloop, de lange afstand tusschen dat huis en Ispahan door allerlei aanduidingen levend gemaakt en gehouden.

Ten slotte heb ik op de minst opdringende manier, alleen door het woord 'glimlachend' dat Cocteau niet heeft, deze Dood tot de belichaming van mijn Doodsconceptie gemaakt, die voor de waan, dat hij schrikwekkend zou zijn, niet minder een glimlach heeft dan voor de waan dat hij onontkoombaar zou zijn. Door dat alles is mijn gedicht juist niet een weergave in versvorm van Cocteau's proza geworden, maar een in zich zelf volledig gedicht, een, wat haar waarde dan verder zijn moge, creatie.''

Van Eyck laat na nog een andere kleine ingreep te vermelden: het enkelvoud 'Uw paard' in plaats van het meervoud 'ses chevaux' bij Cocteau. Van Eycks uiteenzetting blijkt in relatie tot Frankes bewering: 'verzon er niets bij', afdoende.

In de definitie van D. W. F. Verkade van 'plagiaat' als 'datgene wat wordt gepresenteerd als iets oorspronkelijks, terwijl het in feite geheel of ten dele een nabootsing is' is de term nabootsing fundamenteel. Uit de verdediging van Van Eyck tegen Nijhoffs typering van het gedicht als 'weergave' blijkt dat er volgens hem geen sprake is van 'nabootsing', maar van 'bewerking', zoals hij hetzelf formuleert in Herwaarts. Hij maakte van een vertelling een 'directe actie' en bracht daarin een andere, zeer persoonlijke opvatting van de Dood onder als een niet schrikwekkend, maar 'glimlachend' fenomeen. Het is ook om dit laatste, dat Van Eyck in Herwaarts deze bewerking als innerlijk verwant ziet aan het kerngedicht in de tweede afdeling van zijn vorige dichtbundel Voorbereiding, waarin de Doodsengel als vriend verschijnt, “hoe onpersoonlijk naar buiten ook” het gedicht De tuinman en de dood overkomt.

Het is, met het oog op de in Trouw gereproduceerde rijmprent van N. Bulder, tevens interessant in Herwaarts Van Eycks commentaar daarop te lezen: “Met de Westerse voorstelling van de Dood zoals een rijmprent die geeft, met iets als een kakebak en een zeis, heeft zij niets uit te staan. Toen ik deze onder ogen kreeg, was die al voltooid, en zelfs mijn poging om althans de zeis nog weg te krijgen, mislukte” (blz. 160-161).

Tenslotte: de roem van De tuinman en de dood dateert niet van na 1954, zoals Franke als 'vrijwel zeker' aanneemt. Ik kende het gedicht al in mijn gymnasiumtijd tijdens de Tweede wereldoorlog. Ik sloeg er de literatuurgeschiedenis nog eens op na die ik toen moest bestuderen: Jos J. Gielen, Geschiedenis der Nederlandse letterkunde van 1938. Daarin zag ik het gedicht als enige vermeld: “De tuinman en de dood is kenmerkend voor zijn poëzie” (aan welke bewering wel wat af te dingen valt). Nijhoff zag het reeds gebeuren in januari 1926, toen het gedicht in Erts nog pas een paar dagen het licht had gezien: “'De tuinman en de dood', die wel in geen bloemlezing meer ontbreken zal.” Tegen die veronderstelling had Van Eyck geen bezwaar.

Hij kon dat met gerust geweten laten gebeuren, want hij had zijn bewerking beter vergeleken met zijn bron dan Herman Franke het 69 jaar later zou doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden