P.F. Thomése

P.F. Thomése (Doetinchem, 1958) is schrijver. In 1991 ontving hij voor zijn debuut 'Zuidland' de Ako Literatuurprijs. Zijn internationale doorbraak kwam vorig jaar met 'Schaduwkind', het autobiografische verhaal over het verlies van zijn babydochter Isa.

1.Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

,,De menselijke soort is als een school haringen die rondjes rondom Engeland zwemt tot ze door Katwijkers uit de Noordzee worden opgevist. Het lijkt misschien alsof een externe instantie de boel bestuurt, maar mijn visboer heeft mij uitgelegd dat een haring gewoon altijd let op de haring die naast hem zwemt. Als ze dat nou allemaal doen, ontstaat er vanzelf een ordening. Zo is het in de maatschappij ook: iedereen let op degene naast hem en misschien ook een klein beetje op de mensen aan de overkant. Zo blijft de boel bij elkaar. Als je wilt, kun je dat God noemen. Nee, ik niet. Ik ben er niet mee opgevoed, al kom ik uit een Hugenotengeslacht en zijn mijn voorvaderen -edelsmeden uit Parijs- dus ooit, aan het eind van de zeventiende eeuw, vanwege hun geloof naar Nederland gekomen. Mijn overgrootouders waren, dacht ik, nog gelovig, maar mijn vader en moeder hebben het geloof alleen gezien als een cultureel erfgoed waarvan hun vier kinderen op de hoogte moesten worden gebracht. De kinderbijbel van Piet Worm-een vergankelijker naam werd zelden gevonden-las ik met rode oortjes. Ik vond de oudtestamentische verhalen schitterend, ze waren voor mij ook niet beladen met morele implicaties. God was een romanfiguur-al moet ik zeggen dat ik, in zekere zin, wel bang voor Hem ben geweest. Hij bestaat niet, maar ik heb ergens nog altijd een atavistische angst dat alles wat ik doe, wordt gezien. Dat al mijn zonden op een of andere manier beoordeeld, geboekstaafd en onthouden zullen worden.''

2.Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,De werkelijkheid zoals wij die schijnen te moeten kennen is een verzinsel van anderen. Van CNN tot de buurvrouw, van de architect die jouw huis heeft gebouwd tot de PvdA-wethouder die de school van de kinderen bestuurt. Je leeft in verzinsels van anderen en als je die gaat aanbidden, geloof je in de buitenkant. Ik kijk graag naar de binnenkant, het onbekende. Ik tast als schrijver het liefst in het duister. Ik hecht aan een heldere stijl, maar aan een troebel onderwerp. Ik heb minder met realistische romans-man komt thuis, vindt vrouw met een ander in bed-die veronderstellen dat er een vaste ordening der dingen bestaat. Ik hou niet van 'overtuigende' schrijvers, zoals Arnon Grunberg en Joost Zwagerman, die zich tot de lezer richten-'mensen als u en ik'-en uitgaan van een gedeelde werkelijkheid. Van clichés dus. Je kunt de werkelijkheid niet delen, niet kennen zelfs. Een schrijver brengt verslag uit van het onbegrijpelijke; met grote precisie slaat hij telkens de plank nét mis.''

3.Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Als ik een jood, een moslim of een christen tegenkom, hou ik rekening met zijn rariteiten. Het blijven rariteiten, maar ik hou er rekening mee. Toch zit provoceren in mijn aard, maar ik moet wel een zaak hebben. Over het algemeen komt provoceren neer op geslijm om erkenning. Aandachttrekkerij om erbij te mogen horen. Pas als zo iemand aan de jas van een of andere grote meneer trekt, wordt hij óók gezien. En als hij die persoon ook nog eens een vieze kledder in het gezicht gooit, zullen er misschien zelf een paar mensen hem toejuichen. Terwijl de geprovoceerde hooguit even naar beneden kijkt, Grunberg ziet staan en zegt: 'Hee, wat een grappig baasje!' Maar goed, deze tien geboden moeten niet in het teken van Grunberg gaan staan, dus laat ik Theo van Gogh ook noemen die van de provocatie zijn handelsmerk heeft gemaakt. Zijn rituele manier van provoceren heeft alleen maar te maken met een groot verlangen tot een kring te worden toegelaten. Ware provocatie is: autoriteiten tarten. Je hebt karakters die er op uit zijn om autoriteit te vergaren-hun buiken worden alsmaar dikker en ze dragen steeds meer ringen die gekust mogen worden-en karakters die graag in die dikke buiken prikken. Ja, ik prik liever. Maar dat kan ook te maken hebben met de angst de hoogwaardigheidsbekleder in mezelf te ontdekken; dat ik op een dag ontdek dat burgemeester Opstelten in mij is opgestaan en het leven van mij heeft overgenomen.''

4.Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

Ik ben er van overtuigd-misschien wel omdat ik dit bestaan het liefst gelegen op de rug onderga-dat werken heel belangrijk is. In het werk vergeet ik mezelf en ik kan mezelf het best verdragen wanneer ik mezelf vergeten ben. Ik ga kopje onder en als ik weer boven kom, heb ik, bijvoorbeeld, een bladzijde geschreven. Of een paar goede zinnen. Zoiets bevredigt toch meer dan de loftuitingen, die op een of andere manier altijd weer onrustbarend zijn: de krant valt op je deurmat en je leest dat iemand jou een belangrijk staatsburger vindt. Terwijl je die dag helemaal niets hebt uitgevoerd. Nee, de bevrediging zit vooral in het ploegen van de akker en aan het einde van een lange dag op je spade rusten.''

5.Eer uw vader en uw moeder

,,Een dode vader heeft als voordeel dat hij je altijd bemint. Ik was eenentwintig toen hij stierf. De dood heeft ons veel ruzies ontnomen, we zijn uit elkaar gegaan voordat ik mij van hem had los kunnen scheuren. Toch ben ik hem, tijdens zijn ziekte, veel nader gekomen. Dat is ook een beetje oneerlijk; als iemand ziek is, wordt hij zoveel kleiner. Hij kon ook niet meer voor me weglopen. Maar het heeft ook met erkenning te maken. Ik was journalist bij de Brabantpers, schreef stukken waar de naam Thomése boven stond. Dat vond hij leuk. Zo gaat dat bij vaders: je moet door prestatie erkenning verdienen. Ik deed iets wat hij wellicht ook had geambieerd, waar hij waardering voor op kon brengen en ik verwierf daarmee een gunstiger positie als zoon. Ik kreeg tijdens zijn ziekte en na zijn dood meer verantwoordelijkheid. Ik had mij in het leven van mijn ouders overbodig, ja zelfs hinderlijk gevoeld. We woonden in een groot landhuis, mijn vader was directeur van een drukkerij. Als hij thuiskwam en ons zag zitten sneerde hij altijd: 'Daar heb je de pensiongasten.' Of ik het zelf heb bedacht of dat zij het mij hebben wijsgemaakt, weet ik niet meer, maar zo heb ik mijn jeugd ervaren; als een zorg voor mijn ouders. Zij waren met handen en voeten aan ons gebonden. Ze zouden natuurlijk liever iets anders doen, maar ze moesten zorgen en zwoegen voor hun kinderen. Vakanties in het buitenland, een goede opleiding, intellectuele vorming, kost en inwoning, schoolgeld-ik had voortdurend het idee bij hen in het krijt te staan. Ik herinner mij nog goed dat ik mijn eerste baantje kreeg, bij de PTT. Dat was een moment van groot gewicht-net zoiets als 'het' de eerste keer doen. Ik kon terug gaan betalen. Ik was als kind een klaploper geweest, een nutteloze. Een pensiongast.

Toen ik een gewaardeerd schrijver bleek te zijn-en ik de familienaam dus niet te grabbel had gegooid-gaf mij dat een gevoel van trots. Ik vind het jammer dat mijn vader dat niet heeft meegemaakt. Ik ben altijd zijn zoon geweest, hij heeft nooit de kans gehad mijn vader te zijn.

Ja, mijn moeder kan nu trots op mij zijn... maar mijn vader was mijn concurrent en evenbeeld. Ik heb mij als zoon nooit in die zin tot mijn moeder verhouden. Bij haar is miskenning of erkenning niet zo aan de orde, wat mij betreft. Mijn moeder leest alleen maar boeken die ik slecht vind en als ik haar zoon niet was, zou ze mijn boeken helemaal niet goed vinden. Mijn moeder is een vanzelfsprekendheid, iemand die er is. Nee, niet iemand om bij uit te huilen. Ik kom niet uit een familie waar werd uitgehuild. Emoties bestonden niet, behalve die van woede en drift. Mijn ouders zijn mensen geweest van vormelijkheid voor alles. Wij verkeren in de betere kringen. Wij praten niet over onze gevoelens. Wij klagen niet. Dit interview vindt mijn moeder vast weerzinwekkend. Ja, ik heb ook wel een beetje schroom om over mijn jeugd te vertellen, maar dat heeft nu vooral met haar te maken; zij kan zich hier niet tegen verweren. Mijn moeder heeft geen toegang tot de pers. Dus, als je het niet erg vindt, wil ik het hier bij laten.''

6.Gij zult niet doodslaan

,,Tegenwoordig is het gebruikelijk om bij een verkeersruzie iemand dood te knuppelen of een leraar die je een slecht cijfer geeft neer te schieten. Op die potsierlijke manier zal ik nooit geweld gebruiken, maar als het een kwestie is van hij of ik, hoop ik toch als eerste mijn hand aan de ander te slaan. Ik ben, denk ik, in staat te doden. De vraag is alleen: ben ik ook in staat de wetenschap te verdragen dat ik iemand heb gedood?''

7.Gij zult niet echtbreken

,,Mijn leven heeft uit vele uitvluchten bestaan. Ik heb steeds alle mogelijkheden open willen houden, maar door de dood van Isa is er een zekere zwaarte ingetreden. Makira en ik delen de belangrijkste ervaring uit ons leven. Zodra je bij een vrouw een kind verwekt, ben je tot elkaar veroordeeld. De dood van een kind maakt ons verbond nog sterker. Het zou een verraad aan Isa zijn, als wij uit elkaar gingen. Alleen de verhuizing van Amsterdam naar Haarlem heeft ons al zoveel zorgen gekost. Stel ze komt terug, ze belt aan en wij wonen er niet meer... Stel ze zou er achter komen dat haar ouders gescheiden zouden zijn.

Haar urn staat hier in huis, maar ik heb nog altijd het idee dat ze ergens, daar buiten, is. Isa is een deel van Makira. Makira is een deel van haar. Hoe zou ik hen ooit kunnen verlaten? Bij de dood van ons kind is een nieuw leven begonnen. En tegelijkertijd blijft ons dochtertje centraal in ons leven. Dierbaar, op een gruwelijke manier. Ik betrap mezelf erop dat ik soms heimwee heb naar het ziekenhuis, omdat het daar allemaal is gebeurd, daar was ik er nog bij. Ik ken ook heimwee naar de tijd die daar aan vooraf ging-de geboorte, de eerste weken-maar we hebben inmiddels een tweede kind en dus twee geboortes, twee eerste momenten meegemaakt. Maar niets is intiemer dan een sterfbed. Het is gek, degene die sterft, is op het moment zelf eigenlijk al weg. Je hebt haar opgeslokt. In jezelf begraven. Je gaat dood, nee het is meer dan doodgaan, want je moet daarna weer terug. Terwijl zij achterblijft.

Eerst wilde ik, letterlijk, de straat niet meer op. Naar buiten treden is, om te beginnen, een verraad aan je kind. Daarnaast is de confrontatie met anderen haast onmogelijk. Je moet mensen onder ogen komen voor wie je niet meer bestaat en die voor jou niet meer bestaan. Ze willen doorgaan met gisteren. Maar er is geen gisteren meer. Ze kunnen niet praten over de enorme afgrond waar jij in gekeken hebt en die zij alleen van horen zeggen kennen. Ze proberen uit alle macht een situatie te herstellen die jij, uit alle macht, probeert te vermijden. Maar je moet iets doen. Voetje voor voetje. Langzaam begin je weer opnieuw te leven, zoals je leert te lopen. Je leert te ademen, je leert te lachen, je leert ergens van te genieten-ook zoiets raars-maar je doet die dingen ernaast; je speelt een nieuwe gestalte, je treedt uit jezelf. Er blijft altijd iemand achter om bij het graf te waken.''

8.Gij zult niet stelen

,,Wij wonen aan de rand van de duinen en we kennen ze inmiddels door en door. Er zijn plekjes die we steeds weer opzoeken, waar we aan gehecht zijn geraakt. Soms komen we aangefietst en dan zien we er ineens een ander echtpaar zitten. Met rode jacks en een te grote koelbox. Daar kan ik helemaal overstuur van raken. Waarom moeten deze mensen- in dit hele duingebied-nu uitgerekend op onze plek gaan zitten? We hebben ons die plaats toegeëigend, maar ze is niet van ons. Wat is eigendom? Wat is diefstal? Diefstal is vooral economisch bepaald: als jij een boek van mijn plank pikt, neem je iets mee waarvoor ik zestien euro vijfennegentig heb betaald. Die schade is te overzien. Ik koop gewoon een nieuw boek. Het zal me veel meer moeite kosten om te vergeten dat mijn vertrouwen is beschaamd.''

9.Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Ik ben uiterst gevoelig voor bedrog, leugenachtigheid en verraad. Met het afleggen van een valse getuigenis wil je iemand opzettelijk schade berokkenen. Dat is iets anders dan onwaarheden verkondigen. Ik heb gemerkt dat de waarheid, zoals hij in de krant verschijnt, vaak niet klopt. Toen ik voor het eerst interview met mijzelf teruglas, dacht ik verschrikt: maar dat heb ik helemaal niet gezegd! Zo ben ik niet. Ik herinner me dat ik er radeloos van werd, tot ik merkte dat het beter was die fouten met nieuwe fouten te overtroeven. Het heeft geen zin om een jou onwelgevallig beeld bij te stellen, want voordat je het weet ben je zo'n ingezondenbrievenschrijver, zo iemand die altijd iets te zeuren heeft. Als je eenmaal in de publiciteit verdwaald bent geraakt, kun je maar het beste een zo ruim mogelijk portret van jezelf laten ontstaan.

In de publiciteit bestaat iemand met dezelfde naam. Hij draagt mijn kleren en heeft hetzelfde haar. En toch zal ik hem hier thuis niet herkennen. Ik bedoel daarmee te zeggen dat ik mij wil verzetten tegen het misverstand dat je pas iemand bent als je met je kop in de krant staat. Als het lot op je valt, heb je, als schrijver, van de ene op de andere dag aanzien. Daar hoef je niet veel voor te doen. Maar als je er naar gaat leven, dan begint de treurigheid. Dat zijn de verhalen waar iedereen van smult: de Hollywood-sterren die te dure auto's kopen, verkeerde vrouwen aan de haak slaan en van kwaad tot erger vervallen. We genieten ervan omdat we weten dat deze meneer ten onrechte is gaan geloven dat hij een ander mens is geworden sinds zijn foto in de krant stond. Uiteindelijk, weten wij, zal hij ten onder gaan omdat hij nooit meer samen kan vallen met zijn eigen beeld. Ik heb ooit eens een anekdote over Elvis gelezen die, dik en ellendig, niet langer wilde optreden. Tegen zijn platenmaatschappij zei hij: ik word toch door niemand meer herkend op straat. Ze geloofden hem niet. Om zijn gelijk te halen, heeft hij zich toen ingeschreven voor een Elvis-look-alike-contest. Hij werd derde.''

10.Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Eerst is er het alom begeren. Ik herinner me de jongeman die de stad inging met de gedachte: hoe meer begeerte, hoe beter. Hij bezoekt het café, drinkt zich moed in-en nog meer moed-tot de moed hem in de schoenen staat en de meisjes al lang weer verdwenen zijn. De liefde van een jongeman heeft sterke prikkels nodig; ook mijn blik op de vrouw was niet bepaald verfijnd. Johnny Paycheck, country-zanger en bajesklant, zong het al: I never met a girl I didn't like. Dat gevoel had ik ook. Ik was alleen maar met mezelf bezig, hing de kosmopoliet uit, had spectaculaire vistas nodig. De landen die ik bezocht, dienden als decor voor mijn eigen pose. De Grand Canyon was niet meer dan een lullig achterdoek voor het amateurtoneel waar ik in schitterde. Die levenslust werd allengs minder. Dat zal een hormonale reden hebben, maar het komt ook door een verfijning van mijn genoegens, een verfijning van mijn smaak. De dood van Isa heeft mijn kieskeurigheid nog verder versterkt. Ik ben het Nescio-gevoel nu helemaal kwijt, de jongemannentijd vertedert mij niet meer. Misschien heeft het niet alleen met Isa, maar ook met Frederik te maken: een kind hebben, maakt al het andere begeren zo futiel. Ik hoef niet langer door die stroom van het moderne leven te worden meegesleurd. Ik beperk mij tot de mensen van wie ik houd, tot de dingen die er werkelijk toe doen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden