OVERVAL

"U kunt ze herkennen aan hun kleren, ze zien er buitengewoon smerig uit." Dat is een opmerking van Wladimir Ryanzanow, de politiechef van het Kiew-district in Moskou. Tegenover The Moscow Tribune heeft hij het over de zigeuners die sinds enige tijd de omgeving van het Kiewstation weer onveilig maken.

KOOS VAN WERINGH

Vorig jaar was dat ook het geval, maar bij het naderen van de herfstige en winterse tijden verdwenen ze. Nu zijn ze terug. Voordat het goed tot mij doorgedrongen was raakte ik bij een onverhoedse aanval zesduizend roebel kwijt. Een Fransman die met mij de straat overstak zijn portefeuille. Ik zag de man voor het eerst, anders had ik hem ervan overtuigd dat het beter is met lege zakken zich in het gewoel te begeven. Een man die een colbertjasje draagt beschikt met broek erbij, over zeven, acht zakken, maar hij heeft slechts twee handen. Als hij plotseling door tien kinderen omsingeld wordt kunnen die twee handen niet verhinderen dat enkele zakken leeggehaald worden.

De politiechef werd geinterviewd, omdat een Engelse diplomate in de buurt van het station overvallen is door een groep zigeunerkinderen. Zij vielen van achteren aan en sloegen haar met een zwaar voorwerp. Al enkele keren eerder was zij al slachtoffer geworden (ze woont drie jaar in de stad), maar deze keer voor het eerst met fysiek geweld.

Ryazanow legt uit dat zij bij de politie last hebben van twee groepen zigeuners: die uit het Balticum, die komen slechts om spullen te verkopen en die uit Moldavie, en die zijn gevaarlijk. Dagelijks komen zij op het Kiewstation aan. Eigenlijk zou de politie hen moeten registreren, zegt hij, maar daar komt niets van. Hen terugsturen is een groot probleem, want ze moeten over twee grenzen: de Russisch-Oekraiense en de Oekraiens-Moldavische. De politie staat machteloos, daar komt het op neer. Wel heeft de chef een advies aan de buitenlanders die vooral het doelwit van de aanvallen zijn. Kijk hen niet aan, praat niet met hen en geef hen geen geld.

Toen ik deze raad las dacht ik: de man heeft makkelijk praten, in zijn uniform heeft hij geen last van die in groepen opererende kinderen. Een dag nadat ik het stuk in dat krantje gelezen had liep ik aan de 'stille' kant van de Grote Dorogomilowskajastraat. Ik loop daar nooit, maar na de laatste aanval volg ik een alternatieve route naar de kiosk in het hotel naast het Kiewstation. Aan de overkant van de straat hoorde ik plotseling een hevige schreeuw. Een man lag op de grond, enkele kinderen boven op hem. Voordat de kinderen, meisjes en jongens tussen acht en dertien jaar, schat ik, wegrenden zag de man kans een van hen een klinkende oorvijg te geven. Binnen enkele seconden kwamen twee mannen tevoorschijn, die op hem insloegen, een van hen maakte een trappende beweging. Weg waren ze, in een oogwenk. Nadat het verkeer tot stilstand gekomen was en ik de straat overgestoken stond de man daar met een van pijn vertrokken gezicht: hij had een trap in zijn kruis gekregen. Met tevredenehid stelde hij vast dat hij niets miste, uit ervaring had hij bijna nooit iets bij zich. Volgens hem gaan die overvallen naar een vast patroon: de moeders van die kinderen wijzen een potentieel slachtoffer aan, waarna de kinderen in actie komen. Zij houden hun hand op en grijpen, als er niet gauw iets komt, waar ze maar kunnen. Als de kinderen een dreun of een klap krijgen schieten de vaders uit het niets tevoorschijn om wraak te nemen.

Een week eerder, vertelde hij, had hij iets willen geven, maar voordat hij een roebelbiljet uit zijn portefeuille had kunnen halen was die hem al uit de handen gerukt. Zijn geld was verdwenen en zijn goede wil tot onder het nulpunt gezakt. "Ik leef nog" , stelde hij vast, bij wijze van troost.

De mens is een gewoontedier en zo liep ik, vandaag een week geleden, naar de kiosk in het hotel zoals ik de hele winter gelopen ben, en dat terwijl ik al enige tijd een alternatieve route volg. Vlak voordat ik de straat naar het Kiewstation wilde oversteken kreeg ik met een stuk hout, dat zag ik bij het omdraaien, een slag op mijn schouder. Ik kan niet uitleggen hoe en door welke beweging ik aan de grepen van zes, zeven kinderen ontsnapt ben, maar ik rende de straat op. Aan de overkant gekomen merkte ik dat de riem van mijn schoudertas aan de ene kant helemaal uitgescheurd was. Dat ik die tas nog had was een wonder.

Met een bonzend hart heb ik in dat hotel een half uur op een bank gezeten, lezend in de kranten die ik gekocht had, zonder te weten waarover het eigenlijk ging. Toen ik voldoende moed verzameld meende te hebben aanvaardde ik de terugtocht. Maar twee van die kinderen, jongens van een jaar of dertien, bleken mij gevolgd te hebben en schoten als een pijl op mij af, gewapend met een stuk boomtak. Maar deze keer was ik alert en paste de methode toe waarbij de aanval de beste verdediging is: ik gaf een van hen een forse draai om de oren. Toen een man die daar stond ook een slaande beweging naar de jongens maakte hielden ze het voor gezien. Thuisgekomen heb ik zeker een uur in het niets voor mij uit zitten staren.

Een van mijn dochters is met haar vriendin op bezoek en wij gingen de stad in. Ik legde hen uit dat ik een alternatieve route volg om in het metrostation te komen. Wij liepen aan de stille kant van de straat en zagen aan de overkant een vrouw met een tas rennen of haar leven ervan afhing: zes kinderen achtervolgden haar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden