Overtolligheid traceren en voegen ontdekken

In de interviewserie 'Zelfkritiek' zoekt Trouw bij romanciers, beeldend kunstenaars, dansers, dichters en musici naar de kunst der zelfbespiegeling. Vandaag: dichter Anneke Brassinga.

'Wacht, ik scheur het er wel even uit.' Dichter, vertaler en essayist Anneke Brassinga is zich van geen vermetelheid bewust. Een paar pagina's uit haar eigen boek 'Het zere been' scheuren teneinde een voorbeeld van geslaagd proza te tonen, beschouwt ze als een alledaagse handomdraai.

In tijden van koortsige verliefdheid scheurde ze pagina's uit Spinoza's werk om die onder de deur door te schuiven van de aanbedene die overreed moest worden om eveneens verliefd te geraken. Hoewel, misschien was zij meer gehecht aan de herinnering van Spinoza's woorden dan dat zij zo 'ontzettend verliefd' liep te zijn. Ach, er bestonden toch ook dichters die in de trein elke gelezen bladzijde uit een bundel scheuren en uit het raam werpen, de spoorbaan vol wapperende gedichten achterlatend? Omgekeerd scheuren - oninteressante pagina's verwijderen waardoor een particuliere voorkeur in de boekband overblijft - heeft zij daarentegen nog nooit gedaan.

Brassinga schreef haar eerste gedicht in 1983 in een Weens café. Daarvoor had zij ook al gedichten geschreven, maar niet de gedichten waarvan je denkt: dit is mijn eerste gedicht. Ze was in Wenen op werkbezoek voor haar vertaling van Hermann Brochs 'Der Tod des Vergil'. Wenen vond zij 'geen fijne stad, en zeker niet als je toen een spijkerbroek droeg, dan was je daar zowat een bedreigde diersoort'. Ze zat aan een smeedijzeren tafel met rond marmeren blad, en zag - als een proustiaanse epifanie - in dat marmer plotseling de lotusvijver waarin Boeddha verlichting vond, die zij jaren eerder in India had bezocht.

Zij zag vogels met één poot net zolang op een lotusblad staan, totdat het blad onder het gewicht bezweek en onder water verdween. Precies op dat moment stapte de vogel met de andere poot op een naburig lotusblad over. Ter plekke, door het marmer aan de lotusvijver herinnerd, dichtte Brassinga haar debuutgedicht 'Eilanden'. ,,Nee, het was geen kwestie van zien dat het goed was, wel: dit is zinvol, hier zal ik mee doorgaan. Het was een sensatie: iets uit de herinnering terugvinden wat rijmt met het heden, en dat verwoorden. En het werd meteen gepubliceerd, dus het bestond. Ik had het naar NRC Handelsblad opgestuurd, waar ik wegens wangedrag ontslagen was. Welk wangedrag? Ach, ik liep wel eens kwaad weg, ging in de duinen wandelen of zei dingen die ik niet had moeten zeggen.'

In het gedicht 'Slot' uit haar dichtbundel 'Huisraad' heeft Brassinga het tweede woord 'stellig' als overtollig omcirkeld, ook de titel kreeg een aanmerkingskrabbel. Het hele gedicht zelf krijgt het trouwens danig voor de kiezen, en zal een volgende druk van de dichtbundel niet in oorspronkelijke vorm of helemaal niet meer halen.

,,De aanleiding moet eigenlijk altijd afwezig zijn in een gedicht. Nee, niet per se in de zin van Flaubert die verordonneert dat de schrijver afwezig in zijn eigen werk moet zijn. Stendhal zie je al schrijvend wel degelijk in zijn werk, en op een heel leuke manier; de schrijver die een schrijver toont én verbergt. Een gedicht is een vorm van transformatie. Meestal is de aanleiding nogal anekdotisch of persoonsgebonden. Dat schrijf je het liefste weg, omdat je iets anders wilt maken. Namelijk: een gedicht, waarvan je hoopt dat onderliggende spanning tastbaar wordt. Daar begint zelfkritiek: in het zoeken, het stileren, het vinden van beelden.'

,,Toen ik 'Slot' schreef, was ook in werkelijkheid mijn fiets gestolen, die ik hier aan het smeedijzeren hek om het park had vastgezet, en was ik allicht kwaad. In het gedicht associeer ik het lichaam dat sterft met de geest die voortleeft. Het levenloze lichaam ligt daar op de grond, waar de geest niet meer in kan, zoals het fietsslot waaraan de fiets ontbreekt. De aanleiding is duidelijk tot iets anders geponeerd. Alleen werd het geformuleerde nu dubbel eenduidig. Er is geen evocatieve samenhang, er begint niets te bewegen of te zingen, er is alleen een beetje gesold met echo en rijm, het is een krakkemikkige constructie gebleven, een fietswrak als het ware.'

,,Er zit ook een zekere ijdelheid in: het is anekdotisch wel aardig dat je fiets weg is, maar ik moest en zou ook nog op een luchtige manier iets over lichaam en geest verwoorden. Als gedachtesprong van het een naar het ander is dat te veel bed cht. Ook al hoeft de ik-figuur niet ook meteen A.B. te wezen, heeft het hoe dan ook iets raars om op je eigen dood vooruit te menen moeten lopen. En bovenal: het werkt zo niet, het transponeren van een gestolen fiets naar een staat van gestorvenheid. Iedereen weet wat het is als je fiets is gejat, dat is heel invoelbaar. Maar als je zelf als geest staat toe te kijken terwijl anderen je dode lichaam bewenen, tja, dat vind ik niet invoelbaar.'

,,Ook niet toen ik het schreef. Het was een gedachten-experiment: laat ik eens een eenvoudig en toch diepzinnig gedicht schrijven over mijn fiets. Beter had ik kunnen doorgaan met een geweldige klaagzang op het verlies ervan, dan blijf je bij je onderwerp en doemt niet zo'n gespletenheid, zo'n kloof op waar ik zelf niet eens meer overheen kan. Het had een Loflied op de Fiets moeten worden, een liefdeslied. In 'de fiets' kun je dan en passant ook een dierbare gestorvene lezen. Nu doe ik alleen maar een beroep op anderen die daar snikken terwijl 'ik' daar lig. Ik was blijkbaar nog niet aan de eenvoud toe.'

Omdat Brassinga het uit haar boek wilde scheuren bevalt het prozafragment 'Parkzicht' haar goed. Toen ze het schreef, en nu nog steeds. ,,Er was geen aanleiding, er is niets bedacht, er zijn geen sprongen gemaakt die de lezer op verheffende gedachtes moeten brengen. Het is een voorbeeld van doeltreffende eenvoud. 'Parkzicht' is béschrijvend maar geeft, denk ik, toch een gevoelslading. Van ontzag voor de wereld van het woordloze, van een verlangen om 'de dingen' niet kapot te schrijven of symbolisch op te vatten, maar ze heel behoedzaam te benaderen zonder het waarnemend subject uit te schakelen. Het is een eenvoudige, liefdevolle beschrijving van hoe het is, hoe de wereld zich vanuit het raam laat bezien. Het stemde en stemt mij zeer tevreden.'

Al schrijvend neigt Brassinga ertoe uit haar voegen te springen. Dat hoort bij schrijven; voegen ontdekken, overtolligheid traceren. ,,Als ik zie dat er wel genoeg 'hakend spinwieligen' in mijn gedichten hebben gehangen, moet ik iets anders doen. Ik wil niet het gevoel krijgen mijn eigen uithangbord te worden.'

Andersom smeedt zij geharnaste woordconstructies of zinsschakeringen, zoals in het titelgedicht uit 'Huisraad'.

Mijd zondagmiddagglibberpuddinggroen,

het bospadzeeflichtstralende; verdrijf uzelf

uit kroondomeinnatuurwoudlopersparadijsjes

eer hete Satansadem van gezinshoofd ei kookt.

(-)

,,Die verdubbeling van medeklinkers vond ik amusant. Ik zocht naar een woord met veel dubbele medeklinkers en dat ook nog eens iets oproept wat bestaat. Heel mijn jeugd stond in het licht van de zondagse glibberpudding. Vooral die grasgroene, die natrilt als je 'm op tafel zet, en waar de zon zo mooi doorheen schijnt. Nee! Niet als taartje, maar in gezinsformaat.'

,,'Kroondomeinnatuurwoudlopersparadijsjes' - jaja, dat is natuurlijk wat flauw, maar ik erger me altijd aan die bordjes 'Stiltegebied' of 'Hier kunt u de ijsvogel zien', aan die consumentennatuur. Daarom roep ik Satan aan, om al die gezinnetjes met hun kinderwagens uit de natuurparken te verdrijven.'

,,Als ik weet dat een gedicht af is, krijg ik een lachbui. Of een feestelijk gevoel: het is klaar! Je bent al dagen iets aan het smeden, aan het lassen, luistert naar wat er in je kop wordt gedicteerd. Dan weer een tijdje kritisch kijken, allerlei dingen roepen: wat ben ik toch ontzettend stom! Dan een kwartiertje van uitspatten, dan een halfuur indikken, naar jezelf op een ingesproken bandje luisteren. Op het moment dat je klaar bent, woon je in je eigen gedicht. Heb je tijdelijk recht van spreken.'

,,Het is alsof je een huis hebt gebouwd dat je niet van tevoren hebt ontworpen maar dat toch goed om je heen zit, waar je in en uit kunt gaan. Voor mij is het moment van voltooiing een fysieke evidentie. Vergelijk het met de liefde bedrijven. Je kunt wel zeggen: we gaan het doen. Maar hóe, dat weet je pas achteraf of al doende. Ach, het is niet zo'n belangwekkende bezigheid hoor, dichten. Ik heb grote bewondering voor een beroep als timmerman. Jawel, literatuur is ook belangrijk; we hoeven niet allemaal in oud roest of wind te gaan handelen, of onbevoegd het bewind te voeren.'

,,Lievelingswoorden? Misschien elk woord dat meer dan één betekenis heeft. 'Barrevoets', bijvoorbeeld, dat via Schuberts Winterreise 'blote voeten' en ook nog 'bar' duidt.'

In haar boek 'Hartsvanger' somt Brassinga een aantal Te Verwerpen Woorden op, zoals sigaret, roman of cursus. 'Wie overlijden zegt sla ik op zijn donder, ik ken geen viezer woord. Sterven gaat nog, maar gestorven? Liever: doodgaan. Trouwens, wat is het, een voorval of een toestand die betreurd wordt?' Dat schreef zij dertig jaar geleden. Brassinga is het nog steeds met zichzelf eens, al formuleert ze nu ietwat milder. ,,Als je zegt: iemand is dood, dan heb je een beeld van 'een dode'. 'Overlijden' is gedempt, een nietszeggend woord dat eigenlijk in het midden laat wat er gebeurd is. 'Sterveling' heeft een mooie paradox. Niemand zegt dat je een 'overledeling' bent. Maar er gaat natuurlijk niets boven het Franse disparu. Degene die weg is, de wegge.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden