Oversteken naar de barbaren

(Trouw) Beeld REUTERS

Een beschaving, zegt zegt theoloog Erik Borgman, kan niet zonder het ongemakkelijke geluid van een tegendraads geloof. Hij plaatst Barack Obama – deze week precies honderd dagen president – in een rijke traditie van religieus geïnspireerde denkers. „Maar het gaat hem niet om het adopteren van religie voor een politiek project.”

’Wat mij betreft verdwijnen boeken als de Bijbel en de Koran naar de archieven. Je moet anderen niet lastig vallen met wat je gelooft”, zei filosoof Floris van den Berg onlangs in Trouw. Deze atheïstisch humanist was een van de initiatiefnemers van het billboard bij Schiphol met de tekst: ’Er is waarschijnlijk geen God. Durf zelf te denken en geniet van dit leven’. Floris van den Berg wil Bijbel en Koran niet in het archief stoppen om ze als belangwekkend erfgoed voor het nageslacht te bewaren. Het ideale archief voor religieus erfgoed is voor hem wellicht dat in Keulen: zo dramatisch ingestort dat je je niet kunt voorstellen dat er nog één stuk leesbaar uit tevoorschijn kan komen.

De meeste Nederlanders gaan zover niet, maar wel hoor je opmerkelijk vaak dat je van geloof niet te veel last moet hebben. Wie gelooft, moet dat niet te veel laten zien en vooral niet te hard zijn eigen gelijk verkondigen. Als geloof al ergens goed voor is, dan is het omdat het mensen helpt de heersende normen en waarden hoog te houden. Gelovigen met een tegendraadse mening die ze ook nog eens met klem naar voren brengen, worden als probleem gezien.

Daags na het interview met Van den Berg sprak ik voor de erfgenamen van de Congregatie van de Broeders van den Derden Regel van Penitentie van den H. Vader Franciscus van Assisië, kortweg: broeders penitenten. Zij begonnen in 1904 een ’gesticht voor idioten’ in Biezenmortel, tussen Tilburg en Den Bosch.

Zij geloofden wat voor de meeste tijdgenoten evident onwaar was: dat de ’idioten’ een toekomst hadden. Zij geloofden dat zozeer, dat zij hun eigen leven in deze toekomst investeerden. Zij geloofden niet alleen dat deze mensen goede zorg waard waren, zoals je goed voor je tuin en je levende have zorgt, zij geloofden dat het mogelijk was met hen iets op te bouwen. Zij bouwden en vulden met hen plaatsen om te wonen, om te werken, om te eten, om toneel te spelen. Er kwam een kerk om te bidden en een kerkhof om begraven te worden. Een gemeenschap in kracht en in zwakte, in voor- en in tegenspoed.

Dat we mensen met een verstandelijke beperking geen ’idioten’ meer noemen, is uiteindelijk aan dit soort geloof te danken. Dat we ons als samenleving in de jaren zeventig gingen inspannen hen zo veel mogelijk aan het maatschappelijke verkeer te doen deelnemen, komt voort uit een dergelijk geloof. Dit geloof leefde en leeft goddank ook volop buiten religieuze organisaties en groepen. Maar het blijft geloof, ook daar. Als koppig en tegendraads geloof is het van belang, en zelfs noodzakelijk. Hoe zou een samenleving zich anders bevrijden van wat mensen gevangen houdt?

Het is tijd om erop te wijzen dat een beschaving het ongemakkelijke geluid van een tegendraads geloof niet kan missen. Als alleen gezegd mag worden wat wij vinden dat gezegd kan worden, raken wij in onszelf opgesloten. Passons aux barbares! Laten we oversteken naar de barbaren!

Deze oproep stamt van de Franse katholieke intellectueel en stichter van de Sint Vincentiusvereniging voor armenzorg, Frédéric Ozanam (1813-1853). ’Passons aux barbares’ schreef hij in 1848. Ozanam, in 1996 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard, doelde hiermee op de armen en uitgeslotenen die zich tegen de heersende orde keerden. In een tijd dat velen de revolutie als de vijand zagen van alles waarvoor het christendom stond, schreef Ozanam: „Uiteindelijk komt het devies van de Franse Republiek, vrijheid, gelijkheid, en broederschap, overeen met het evangelie zelf.” Ozanam behoorde tot een groep katholieken die in de periode tussen 1789 en 1848 de verbinding legde tussen de sociale strijd van hun dagen en het evangelie.

Ozanam meende dat het christendom mensen niet alleen uit naastenliefde moest bevrijden uit hun behoeftigheid, maar dat het zichzelf diende te identificeren met degenen die geminacht werden. De massa’s dienden volgens hem ’teder bemind’ te worden door de kerk, „omdat zij de armoede representeren die God liefheeft, evenals de arbeid die God zegent”. Zij moesten worden geholpen met de oprichting van instituties die hen zelfstandig zouden maken, zodat zij de bestaande beschaving effectief zouden kunnen veranderen.

De Franse kerk hoorde dus niet zonder meer bij het ancien régime. Geregeld was zij een macht die elk mogelijk tegengeluid probeerde te doen verstommen, maar op cruciale momenten stak zij ook over naar de barbaren.

Het geloof in de noodzaak over te lopen teneinde de ware beschaving te redden, staat in een traditie. In het Nieuwe Testament herinnert de brief aan de Hebreeën (13, 12-13) de lezers er al aan dat Jezus buiten de stadspoort leed en stierf. De brief spoort hen aan in navolging van hem ’het kamp’ te verlaten en te delen in zijn vernedering.

Op de laatste zondag van advent 1511 preekte de dominicaan Antonio de Montesinos in Santo Domingo voor de verzamelde kolonisten. Zijn preek werd, dankzij het verslag van zijn ordegenoot Bartolomé de Las Casas (1484-1566), beroemd als de eerste grote aanklacht tegen de mensonwaardige behandeling van de oorspronkelijke bewoners in de Spaanse koloniën, de ’indianen’.

De preek liep uit op de verontwaardigde uitroep: „Zijn zij dan geen mensen? Hebben zij geen redelijke ziel? Zijn jullie dan niet verplicht hen net zo lief te hebben als jezelf? Begrijpen jullie dat dan niet?” De Las Casas zou zijn hele verder leven besteden aan het aanklagen van de wijze waarop de Spanjaarden „de indianen verscheuren, afslachten, pijnigen, beledigen, folteren en naar het leven staan, met even nieuwe als ongehoorde wreedheden die alles overtreffen wat men voordien aan soortgelijks zag, hoorde of las”. Een andere ordegenoot, de jurist en moraaltheoloog Francisco de Vitoria (1483-1546) ontwikkelde in deze lijn de eerste aanzetten tot een idee van universele en onvervreemdbare mensenrechten.

De Montesinos, De Las Casas en De Vitoria zagen zichzelf niet als producenten van een boodschap, maar als ontvangers. Ze deden een ontdekking, en toen deze eenmaal gedaan was, konden ze die niet meer negeren. Zij wilden haar gehoorzamen en verkondigen, in geloof. De Vitoria baseerde zich op de door God geschapen en daarom te respecteren natuur die alle mensen eigen was. De Las Casas zag in het lijden van de indianen het lijden van Jezus Christus weerspiegeld. Daarom werden volgens hem degenen die het veroorzaakten door God veroordeeld. De Montesinos zag zichzelf als goddelijke spreekbuis. Wat hij te zeggen had, was naar zijn overtuiging in het evangelie en in Jezus Christus geopenbaard. Maar het stond haaks op de wijze waarop deze openbaring tot dan toe verstaan was.

De mishandeling van de indianen door de kolonisten werd in de vijftiende en zestiende eeuw gelegitimeerd met een verwijzing naar Jezus’ opdracht in het Matteüsevangelie om alle volken tot zijn leerlingen te maken. Als de indianen weigerden zich vrijwillig te onderwerpen en niet bogen voor de goddelijke waarheid, mochten zij daartoe met geweld gedwongen worden. De Montesinos draaide het beeld van de Spanjaarden, die zichzelf zagen als dragers van de waarheid in een vijandige, heidense woestenij, honderdtachtig graden om. Net als Johannes de Doper die zichzelf, met een verwijzing naar de profeet Jesaja, aanduidde als ’een stem die roept in de woestijn’, noemde De Montesinos zichzelf degene „die de stem van Christus in de woestijn van dit eiland vertegenwoordigt”. „Deze stem is voor jullie zo nieuw dat jullie die nog nooit gehoord hebben en hij is zo ongenaakbaar, hard, duidelijk en gevaarlijk als jullie nooit gedacht hebben hem te zullen horen.”

Dit was wat Ozanam een oversteek naar de barbaren noemde. Het was een tegendraadse en geenszins bescheiden breuk, op basis van strijdbaar geloof, met wat als vanzelfsprekend en als beschaafd gold.

In de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw stond dominee Walter Rauschenbusch in de Second German Baptist Church in Manhattan, New York. Het was een buurt die Hell’s Kitchen heette. Rauschenbusch zag de armoede, de ondervoeding, de slechte behuizing en het vroegtijdig sterven. Het begraven van de vele kinderen greep hem zo aan dat hij niet langer in goed geweten de woorden kon uitspreken die generaties hadden getroost: het is verschrikkelijk, maar het is Gods wil. De kindersterfte werd door mensen veroorzaakt, en deze aan Gods voorzienigheid toeschrijven vond hij beledigend voor God.

In 1907 verscheen Rauschenbusch’ boek ’Christianity and the Social Crisis’, dat de grondslag legde voor de Social Gospel-beweging. Jezus werd erin gezien in de lijn van de oudtestamentische profeten, zijn prediking van het koninkrijk van God kwam centraal te staan en werd gezien als een revolutionaire visie op de sociale verhoudingen.

De visie van Jezus was religieus tot in het hart, beklemtoonde Rauschenbusch, geen seculiere oproep tot hervorming. Leven met de God van Jezus vloeide volgens Rauschenbusch vanzelf over in alle relaties en verbanden. Wie religie macht ontzegt over sociale verhoudingen en instituties, die verraadt volgens hem het geloof dat hij zegt te belijden.

Rauschenbusch was geen vooruitgangsgelovige. „Op zijn best”, schreef hij, „is er altijd slechts een benadering van de volmaakte sociale orde. Het koninkrijk van God is altijd slechts aan het komen. Maar elke benadering ervan is de moeite waard.” Dit impliceerde in zijn ogen dat de kerk niet een eigen beeld van de ideale samenleving moest ontwikkelen en dit vervolgens moest proberen te realiseren. Het was haar taak de beweging in de richting van verbetering en hervorming te inspireren door middel van geloof en religieuze moed. Het koninkrijk van God was volgens Rauschenbusch geen ver ideaal. Het is hier en nu al aanwezig, in elke realisering van een beter leven – hoe gebrekkig ook.

Dit betekende volgens hem de noodzaak tot een voortdurende doorbraak van het bestaande. Openbaring, en geloof als antwoord. Rauschenbusch schrijft: „Als wij bijvoorbeeld van de evangeliën leren dat God aan de kant staat van de armen en dat hij voorstelt alles wat al of niet aan hen gedaan is te beschouwen als al of niet aan hem gedaan, dan leidt een dergelijke openbaring van solidariteit en menselijkheid tot een heilzame schokeffect voor onze zelfzuchtige geest. Iedereen die het leven bestudeert op basis van onroerend goed en bankafschriften, zal tot de conclusie komen dat God aan de kant staat van de rijken. Er is een openbaring voor nodig om het anders te zien.” En vooral om naar iets anders te zien dan naar de gebruikelijke indicatoren voor een geslaagd leven.

„Geloof is de werkelijkheid van wat men hoopt, het bewijs van wat men niet ziet”, zegt de Hebreeënbrief. In het geloof is een ongedachte en onverwachte toekomst al hier en nu aanwezig. Dat is iets fundamenteel anders dan proberen te houden wat je hebt of realistisch proberen de schade te beperken en er het beste van te maken.

Als Nederlanders tevreden zijn met wat zij hebben en bang zijn voor de toekomst, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau al een aantal jaren meet, dan lijkt het mij duidelijk: wat wij nodig hebben, is meer geloof. Zodat wij wat wij hopen al aanwezig zien. Ik denk dat het uiteindelijk onvervangbare maatschappelijke belang van religie is dat zij precies hiertoe in staat is en in staat stelt. De christelijke traditie heeft op dit punt geen smetteloos blazoen – verre daarvan – maar herbergt wel belangrijke schatten. Deze schatten moeten worden opgedolven, tot heil van de samenleving.

Waarschijnlijk de belangrijkste erfgenaam van Rauschenbusch was Martin Luther King (1929-1968). King herontdekte de betekenis van diens Social Gospel in de strijd tegen de segregatie van blanken en zwarten in het Zuiden van de Verenigde Staten. Op 1 december 1955 stond de winkelbediende en burgerrechtactiviste Rosa Parks, op weg van haar werk naar huis, niet op in de bus. Volgens de wetten en verordeningen van Montgomery, Alabama, was zij verplicht haar zitplaats aan een blanke stadgenoot af te staan. Haar arrestatie was het begin van een reeks gebeurtenissen die King tot leider van de zwarte burgerrechtbeweging zou maken. King benadrukte steeds dat hij niet de beweging, maar dat de beweging hem gemaakt had. De geschiedenis, en Gods stem die zich in de geschiedenis deed horen, had hem tot een taak geroepen die hij niet anders kon dan gehoorzaam vervullen.

Op 28 februari 1954 had King op proef gepreekt – hij was op zoek naar een baan – in de Second Baptist Church van Detroit over de herontdekking van verloren waarden. De belangrijkste verloren waarde, zei hij, was het geloof dat God betrokken was bij de menselijke strijd om recht en gerechtigheid. Daarom waren maatschappelijke bewegingen uiteindelijk niet het product van de menselijke wil om de wereld anders in te richten. De strijd om gerechtigheid was een heilige plicht die de geschiedenis oplegt. „Onze wereld draait om morele fundamenten. God heeft het zo beschikt. God heeft ervoor gezorgd dat het universum gebaseerd is op een morele wet.” King beloofde zijn geloof niet te stellen „in de kleine godjes die vernietigd kunnen worden in het atoomtijdperk, maar in de God die onze hulp was in vroeger tijden, en onze hoop is voor komende jaren, en onze schuilplaats in stormachtige tijden, en ons eeuwig thuis. [] Als we vanmorgen vooruit willen komen, dan moeten we terugkeren naar deze God. Dat is de God die onze diepste verbondenheid opeist en gebiedt.”

Omdat King geloofde in Gods dienst te staan, zag hij de strijd van de zwarten niet als een strijd tegen de blanken. De strijd moest volgens hem geweldloos zijn. De methode van geweldloze weerbaarheid nam King over van Mahatma Gandhi (1869-1948), maar zij had voor hem direct te maken met het evangelie. „Tot onze meest verbeten tegenstanders zeggen wij: wij zullen uw vermogen lijden te veroorzaken ondervangen met ons vermogen lijden te verdragen. Wij zullen uw fysieke kracht weerstaan met kracht van de ziel. Doe met ons wat u wilt, maar wij zullen voortgaan met u lief te hebben. [] Op een dag zullen wij de vrijheid veroveren, maar niet alleen voor onszelf. We zullen zozeer een beroep doen op uw hart en uw geweten dat we u voor ons zullen winnen, en onze overwinning een dubbele overwinning zal zijn.”

Ik ben voor niemand bang, zei King op 3 april 1968. „Mijn ogen hebben de glorie gezien van de komst van de Heer.” Een dag later zou hij op het balkon van zijn hotel worden doodgeschoten.

In 2008 werd Barack Hussein Obama gekozen tot de eerste zwarte president van zijn land. Hij had een campagne lang zijn best gedaan het idee van Amerika als gemeenschap van vrije, en daarom voor zichzelf en elkaar verantwoordelijke mensen, nieuw draagvlak te geven. Door zijn gemengde afkomst had hij het black and white together van de burgerrechtbeweging letterlijk in de genen. Obama praatte zijn kiezers niet naar de mond. Wat nodig is, zei hij, is niets meer en niets minder „dan wat alle grote religies van de wereld vragen: dat wij aan anderen doen dat wij hen aan ons zouden willen laten doen. Laten we onze broeders hoeder zijn, zegt de Schrift ons. Laat ons onze zusters hoeder zijn. Laten we het gemeenschappelijk belang vinden dat we bij elkaar hebben, en laat ook onze politiek deze geest weerspiegelen.”

Tijdens de campagne vergeleken journalisten de speeches van Barack Obama geregeld met die van Martin Luther King. Inderdaad zet Obama diens door Rauschenbusch geïnspireerde missie voort. Het gaat Obama niet om het adopteren van religie voor een politiek project, zoals christelijk rechts in de Verenigde Staten gedaan heeft. Het gaat hem erom het menselijk verlangen naar goed leven – dat uiteindelijk religieus is en zich in ieder geval vaak in religieuze vorm uitdrukt – vat te laten krijgen op de politiek. Zo kan er iets gerealiseerd worden van waar het bij democratie om gaat: dat het volk zichzelf structureert en regeert. Op 20 januari 2009, midden in wat inmiddels een diepe economische crisis was geworden, zei Obama bij zijn inauguratie: „De tijd is gekomen om onze blijvende bezieling opnieuw te bevestigen, te kiezen voor onze betere geschiedenis.” Obama maakte duidelijk dat hij de leider wilde zijn van een actief, zichzelf vormgevend volk dat onrechtvaardigheden herstelt, het verleden en het heden onder ogen ziet en zich gezamenlijk wijdt aan een visionaire toekomst.

Hij maakte vooral duidelijk te geloven dat het volk dat hem tot zijn president had gekozen, in staat was dit toegewijde volk te zijn. Hij suggereerde niet dat het van hem moest leren wat gedaan moest worden, of dat hij de problemen van het volk zou willen of moeten oplossen. Hij beloofde het volk te helpen zelf de taken te vervullen die het te vervullen heeft en al aan het vervullen is.

De hele inauguratieceremonie straalde de overtuiging uit dat het volk niet door de barbaren bedreigd wordt, maar dat allen die wellicht in eerste instantie barbaren voor elkaar zijn, samen het volk vormen en steeds opnieuw bezig zijn zichzelf als volk op te bouwen. Er hoeft het volk geen visioen te worden aangepraat dat het opnieuw richting geeft. Te midden van alle dubbelzinnigheden en nederlagen is dat visioen bezig zich te realiseren. Het vraagt geloof het te zien, maar dan is het er ook.

Martin Luther King suggereerde dat wie honger heeft en van daaruit streeft naar een samenleving die mensen voedt, een visioen belichaamt. Als we dat als samenleving inzien, dan hebben we volgens hem kans om de religie van Jezus Christus een nieuwe vitaliteit te geven. Niet door de christelijke leer in een van zijn bestaande versies te presenteren als de redding uit alle ellende. Het christendom draait om de verbinding van het profane en het banale met het heilige. Jezus Christus plaatst de „klank van het menselijke midden in de glans van het goddelijke”.

Dit geloof verkondigt, tegen veel common sense in, strijdbaar de christelijke overtuiging dat God zich met de menselijke geschiedenis verbonden heeft en in het bijzonder met de slachtoffers ervan. Maar juist in zijn strijdbaarheid verzet dit geloof zich tegen elke uitsluiting.

Het is opvallend dat juist de door religieus elan geïnspireerde Obama bij zijn inauguratie nadrukkelijk kon spreken over de Verenigde Staten als „een natie van christenen en moslims, Joden en hindoes, en van niet-gelovigen”. God is niet van de religies, de religies – ook de christelijke – zijn van God. En niemand valt buiten God. Alle vermeende barbaren zijn onderdeel van het ware volk dat tot stand aan het komen is. Dat geloof is hoop.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden