Overlever in harmonie met de natuur

Henk Saeijs 1935-2016

Voor alles het water', het was zijn goddelijke roeping. Hij was als een zendeling die tegen oude dogma's inbeukte, gevoed door argwaan jegens de mens in zijn eeuwige strijd tegen water. Terwijl hij dat water, de natuur, juist als bondgenoot omhelsde om in harmonie mee te leven.

De kiem daarvoor groeide in de jongste kinderjaren van Henk Saeijs, en leidde tot zijn uitspraak "Moeder natuur is de beste ingenieur". Henk werd als derde van vier kinderen geboren in Sanga-Sanga Dalam, Borneo. Zijn vader Henk was voor de Bataafse Petroleum Maatschappij naar Indonesië gezonden en met de handschoen getrouwd. Toen Mies op kerstavond in Batavia aankwam, stond een priester erop terstond het huwelijk in te zegenen. Negen maanden en zes dagen later werd dochter Diny geboren.

Henk had het avontuurlijke van zijn vader, die in de jungle een golfbaan aanlegde. Hij speelde met aapjes, klom in bomen om vruchten te plukken en speelde indiaantje met zijn oudere zussen. Toen geen tooi voorhanden was, plukte Diny een levende haan.

Dat Henk zich in zijn nieuwsgierigheid niet alles kon permitteren, ervoer hij bij zijn onderzoek met een rietje naar de diepte van een hondensnuit. Het kwam hem op een enorme jaap te staan. Onderzoeker bleef hij altijd, in zijn werk als bioloog en op pad met zijn kinderen Astrid, Henk, Marije en Geesje. Dan ging elke steen ondersteboven, werd elk plantje ontleed, elk beestje onderzocht.

Zijn broertje Jan was acht maanden oud toen de tropische idylle door de Japanners werd verstoord. Het gezin werd van vader gescheiden en begon aan een erbarmelijk bestaan in verschillende jappenkampen. Henk zag er hoe uitgehongerde vrouwen die stiekem uit varkenstroggen aten meedogenloos werden gestraft; rondom hem bezweken dagelijks mensen.

Henk bleek een overlever. Hij meldde zich aan om dode mensen af te voeren, zodat hij buiten het kamp extra voedsel kon zoeken. Intuïtief vond hij de juiste voedingsstoffen, in bessen in de boom op het plein of in spinazie achter de latrines. In de laatste maanden, in de 'Hel van Halmaheira', nam hij alle risico's voor zijn sterk verzwakte moeder door op verboden terrein postelein te stelen.

Maden

Een vrouw die niet meer kon lopen, bracht hij dagelijks haar rantsoen. Op een ochtend was het stil, Henk meende dat ze met haar ogen knipperde. Toen hij haar wilde wekken, kropen de maden over zijn hand. Hij werd eens wakker van een rat die aan het oor van zijn broertje knabbelde. Zelf werd hij ziek van rauwe postelein. In het kampziekenhuis hoorde hij twee zusters praten: 'Zij die hier binnenkomen overleven het niet'. Henk vluchtte en dook enkele dagen onder.

Als door een wonder overleefde het hele gezin de oorlog. Voor de reis terug naar Rotterdam hadden zijn zussen hun bagagekist volgestopt met nieuwe kleding en stoffen. Bij opening op de boot bleken hun spullen vervangen door blikjes zoete melk. Eten was voor Henk belangrijker, ook later toen hij zijn gezin smakelijke rijsttafels voorzette.

Henk kwam als analfabeet in Nederland en was op school onhandelbaar. Werd hij de les uitgestuurd, dan knoopte hij in de gang sjaals aaneen of ontstak een vuur. Privéles van tante Zus bracht uitkomst. Daarna vormde de Tropische Landbouwschool in Deventer een uitdaging, via zijn opleiding kon hij als 21-jarige als rubberplanter terug naar Indonesië. Een bestaan dat door onteigeningen geen twee jaar duurde.

Op veel gebieden was Henk autodidact, hij leerde door observeren. Daardoor kon de bourgondiër meesterlijk koken, zijn eerste auto's zelf onderhouden en gitaar, piano en mondharmonica bespelen. Binnen zijn hechte gezin waren zijn sinterklaasgedichten berucht. Aanstaande schoonzoons werden daarin getrakteerd op de 'gruwelijkste' waarheden.

Via de omgekeerde weg klom hij als bioloog omhoog. Met zijn praktijkervaring in de natuur als basis, waarna studies en talloze publicaties volgden in de periode dat zijn vrouw Mieke de Graaf het groeiende gezin draaiende hield. Mieke had haar carrière als ballerina en administratief werk opgegeven. Zonder haar was vader nooit zover gekomen. Ze was zijn lief en leed, ze waren vervlochten tot het einde.

Toen ze een studie oppakte, kreeg Henk in de weekeinden het beheer over het huishouden. Dat voerde hij op zijn manier: delegerend, zijn grootste kwaliteit. 's Morgens werden de taken verdeeld over de kinderen.

Henk was op zijn sterkst als crisismanager, in de moeilijkste situaties bleef hij helder denken. Zo redde hij op de rubberplantage het leven van een medewerker die met een machete zijn eigen been had afgeslagen. Hij had charisma en wilskracht, inspireerde mensen, en was voor niets en niemand bang. Hij keek voorbij functies, de menselijke maat ging boven alles.

Als jonge bioloog ventileerde hij binnen Rijkswaterstaat, bolwerk van ingenieurs, zijn onconventionele ideeën waarmee hij mensen aan het denken zette. Hij was zijn tijd ver vooruit met analyses over integraal waterbeheer. Dat het Grevelingenmeer zout bleef, was daaraan zijn eerste bijdrage. Hij waagde het in Zeeland het vloekwoord 'ontpolderen' te laten vallen. Ruimte geven aan de rivieren spruit voort uit zijn gedachtengoed. Hij wilde veel verder: internationale samenwerking, gebieden ophogen (terpeneren) in plaats van dijken. Drijvend wonen, werken en recreëren.

In 1995 baarde hij als bijzonder hoogleraar waterkwaliteitsbeleid en duurzaamheid opzien met de uitspraak dat oorlogen in de nieuwe eeuw niet om olie, maar om water zouden gaan. Hij waarschuwde voor de ongebreidelde, wereldwijde vervuiling en verspilling van water en voor de schade door het afdammen van rivieren.

Klimaatscenario's

Hij schetste verontrustende klimaatscenario's die een migratiestroom naar de hoger gelegen delen van Nederland tot gevolg zouden hebben. "We pompen onszelf nog steeds omlaag", zei hij in 2003 in Trouw. "We zien water nog steeds als een 'vijand' waartegen we 'strijd' moeten leveren".

Dat was het jaar waarin hij met zijn vrouw, zoon Henk en dochter Geesje terugkeerde naar Indonesië voor een emotionele reis langs de plekken uit zijn jeugd. Zijn kinderen hadden eindeloos zijn verhalen 'verteerd', ze konden het land horen, ruiken en proeven maar hadden het nooit gezien. Bovendien was het nu of nooit. Henk liep met een stok vanwege Parkinson, de ziekte die hem pas na 27 jaar tot overgave dwong.

Tijdens de oorlog was hij de dood te slim af geweest. Leven en overleven was zijn drijfveer. Toen hij tweeënhalf jaar geleden in het ziekenhuis belandde zei hij: "Die dood, daar vind ik nog wel wat op."

Die hoogmoed had zijn jeugdige kinderen doodsangsten gebracht. Weer of geen weer, de avonturier zette hen op zijn kleine zeiljachtje, een kievit 680. Hij voer er zelfs met een provisorisch gerepareerde mast in stormachtig weer mee naar Engeland. Dan stond hij aan het roer en straalde 'ons kan niets gebeuren' uit. Dat was het ambivalente: hij stelde zijn kinderen bloot aan risico's, gaf ze in de natuur alle vrijheid, voedde ze op als zelfstandige denkers, maar kon extreem beschermend zijn. Zijn dochters mochten 's avonds niet alleen weg op de fiets.

Dat was zijn argwaan jegens mensen, zeker die van het establishment. De natuur is betrouwbaar en voorspelbaar, die had hem in de kampen zijn leven gered. Dat leven in die jungle appelleerde aan zijn creativiteit. Slecht was in de oorlog nooit alleen slecht geweest, het had ook kwaliteiten aangewakkerd.

Lang liep hij grommend langs de vlag met de rijzende zon; Japans spul kwam er niet in. Later werd hij milder, hij kreeg respect voor Japanse waterbeheerders. Wat kon die generatie eraan doen? Als maar niet werd vergeten.

Als nalatenschap liet hij de essaybundel 'Weg van Water' na met al zijn publicaties. Met zijn biografie 'Stormloper in een Delta' verbond hij zijn jeugd met een naslagwerk, voor zijn kleinkinderen en voor de nieuwe generatie onderzoekers. Een levensverhaal geschreven om begrepen te worden, en om zichzelf te begrijpen.

Hij was zo religieus als een bioloog kan zijn: dat scheppingsverhaal klopt, maak alleen van die zeven dagen dertien miljard jaren. Honger en religie werden samen halleluja, toen een priester eenmalig in een van de jappenkampen werd toegelaten en Henk zijn eerste hostie kreeg. Het lichaam van Christus werd letterlijk in het kinderbrein genoteerd. Henk verleerde nooit de wereld te observeren met de nieuwsgierigheid van een zevenjarige. Daarmee kon hij 'prachtig naïef' zijn in het geloof. Op geboorte staat de doodstraf, zei hij, maar hij had het eeuwige leven voor ogen.

Hij observeerde in het verzorgingstehuis en stelde vast: zolang ik niet in een rolstoel ga zitten of in bed ga liggen, ga ik niet dood. Dan omklemde hij een pilaar en bleef staan tot uitputting volgde. Hij bleef eropuit gaan met zijn scootmobiel, om regelmatig met de ambulance terug te keren. Dan was met zijn slechte zicht een stoeprandje onopgemerkt gebleven en was hij over de kop geslagen.

Hij was voor het leven, levensbeëindiging kwam niet ter sprake. Hij kon extreem goed zijn lijden verdragen. Zijn vrouw en kinderen hadden er meer last van. Ook nu wilde hij de waarheid, hoe erg ook. Bij het oordeel 'uitbehandeld' concludeerde hij: "Als er geen alternatief is, is het mooi geweest".

Henricus Lambertus Franciscus Saeijs werd op 25 augustus 1935 geboren in Sanga-Sanga Dalam (Borneo) en overleed op 17 november 2016 in Roosendaal.

In de jappenkampen ontpopte Henk Saeijs zich als de overlever die de nieuwsgierigheid van een zevenjarige nooit zou verliezen.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden